Rossana Rossanda

In de nacht van 19 op 20 september is in Rome Rossana Rossanda overleden. Zij was 96. Rossanda was in 1969, samen met onder meer Luigi Pintor, een van de oprichters van il manifesto, dat twee jaar later een dagblad zou worden dat trots de kop quotidano comunista draagt, maar altijd zeer kritisch is gebleven ten opzichte van het geïnstitutionaliseerde communisme.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Rossanda lid van de Italiaanse Communistische Partij (PCI). Zij werd verantwoordelijk voor de cultuurpolitiek en lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Aan die leidende rol binnen de PCI kwam een eind in 1968-1969, toen zij steeds duidelijker aansloot bij een strekking binnen de partij die sympathiseerde met de woelige arbeiders- en studentenrevolte, die deels juist tegen de PCI was gericht. Maar die solidariteit met de bewegingen was niet kritiekloos. Paolo Virno verwijst in zijn in memoriam naar haar houding tijdens de beruchte 7 april processen.

Na de ontvoering van en de moord op Aldo Moro door de Brigate Rosse in 1978, vond van 1979 tot 1988 een lange serie strafprocessen plaats tegen mogelijke leden en sympathisanten van de beweging Autonomia operaia. De processen markeren het begin van de ‘loden jaren’, waarin buiten honderden verdachten van Autonomia, volgens ernstige berekeningen zo’n 60.000 activisten werden vervolgd en 25.000 gedetineerd. Het Openbaar Ministerie stelde dat de organisatie eigenlijk de legale façade was van een complexe ondergrondse terreurorganisatie, waarvan de Rode Brigades slechts een onderdeel waren. De PCI schaarde zich meteen mee tegen de autonomen, die zij het gebruik van geweld verweet en het feit dat zij de ‘linkse eenheid’ in gevaar zouden brengen.

Paolo Virno was, samen met onder meer Toni Negri, bij de eersten die vervolgd werden voor hun lidmaatschap van Autonomia operaia. Rossana Rossanda volgde voor de krant de zittingen van de 7 april processen. Virno herinnert zich hoe zij, terwijl hij en zijn medeverdachten geboeid opgesloten zaten in een kooi in de rechtszaal, door de tralies heen met hen bleef discussiëren over hun strategische en theoretische stellingnamen (de richting binnen het marxisme die later operaismo zou worden genoemd). Die discussie, zegt Virno, was in haar en onze ogen te ernstig om ze weg te laten drukken door humanitair geweeklaag.  

Rossanda was sterk gekant tegen de methoden van de Rode Brigades en tegen diegenen waarvan zij meende dat zij die methoden legitimeerden, maar ook de toenmalige volgzaamheid van de Italiaanse partij ten opzichte van de Sovjet-Unie stuitte haar tegen de borst. Het breekpunt kwam in 1969, toen Rossanda en il manifesto harde kritiek uitten op de bezetting van Tsjechoslowakije door de landen van het Warschaupact. Zij werd uit de partij gezet.

Rossana Rossanda ging aan het werk als journaliste en directrice van de krant. Zij schreef met een grote luciditeit over ontwikkelingen en discussies binnen de arbeidersbeweging en ‘links’, over feminisme of over (internationale) politiek. Zo liggen hier voor mij drie commentaren die zij in il manifesto schreef naar aanleiding van het historische bezoek van VS-president Richard Nixon aan China in februari 1972. Haar analyse houdt in dat, als er werkelijk opnieuw politieke betrekkingen zouden ontstaan tussen de Verenigde Staten en China, die gebaseerd zullen zijn op eenzijdige concessies vanwege de VS. De Verenigde Staten zijn immers de enige van de twee partijen die er wat voor opgeven, namelijk de twintig jaar lange politieke isolering van China en de droom van een eeuwige en onbetwiste militaire en politieke dominantie in Azië. De beloofde troepenterugtrekking uit Formosa (nu Taiwan) en uit Indochina (het einde van de oorlog in Vietnam) betekent volgens Rossanda een ware verschuiving van de machtsevenwichten in de wereld en het einde van de VS-suprematie in Azië. De entree van China op het politieke wereldtoneel biedt daarentegen volgens haar nieuwe troeven voor onderdrukte volkeren nu China weigert een nieuwe supermacht te zijn en het streeft naar verbroedering met de onderdrukte volkeren, ‘samen met de kleintjes dus tegen de twee groten’, de VS en de USSR. (Zij kon niet alles voorzien, natuurlijk.)

Maar goed, Rossana Rossanda was een monument, een sleutelfiguur in de Italiaanse journalistiek en in de discussies over de ontwikkelingen en de bewegingen binnen links, een erudiete schrijfster en een gedreven krantenmaakster. In de aanloop naar de eerste Differerence Day – World Press Freedom Day die de Vrije Universiteit Brussel organiseerde  in 2015 stelde ik voor dat de eerste ‘Honorary Title for Freedom of Expression’ zou uitgereikt worden aan Rossana Rossanda. Maar prof. Caroline Pauwels, die de initiatiefneemster en de grote baas was van het hele gebeuren, wilde absoluut Robert Redford als laureaat in Brussel. Uiteindelijk ging de ‘Honorary Title’ dat jaar naar de gedetineerde en gemartelde Saoedi-Arabische blogger Raïf Badawi.

Als eerbetoon aan Rossana Rossanda vertaal ik een stuk van het editoriale van il manifesto van 22 september.

Vannacht heeft Rossana Rossanda ons verlaten. Het is geen onverwacht verlies, en zelfs in zekere zin verwacht, gezien haar zwakke fysieke conditie en haar leeftijd.

Het is een open wonde, en dat zal het blijven. Na de laatste dramatische economische crisis van il manifesto in 2012, was zij de laatste jaren weer gaan schrijven en was zij in zekere zin weer aanwezig in haar krant.

Rossana was uniek. Juist vandaag erkent iedereen haar belang, niet alleen voor de geschiedenis van il manifesto, maar voor de hedendaagse politiek en cultuur. Zij paste zich immers niet aan aan de dominante intellectuele modellen, zij stond erbuiten om juist eerder dan anderen de ontwikkeling te zien van de sociale processen die aan de gang waren en om er de resultaten van te voorzien.

Addio Rossana e per sempre.

(Ik vind op internet niet meteen vertalingen van haar werk.)

Journée banale : 45 personnes noyées

Cela pourrait surprendre les gens qui ne suivent que les média réguliers, mais il y a dans ce monde encore autre chose que les aventures de la corona. Prenons par exemple ce qui s’est passé le 17 août, une journée banale comme tant d’autres. Je traduis un article paru sur il manifesto du 21 août.

« Nous étions à la dérive quand un navire de patrouille libyen nous a rejoints. Les miliciens nous ont dit qu’ils nous sauveraient et ramèneraient en Libye si nous leur donnions nos portables et notre argent, mais nous n’avions pas d’argent. Il y a eu une discussion et à la fin ils ont tiré sur notre zodiac et ils ont atteint le moteur et quelques bidons d’essence. Nous nous sommes jetés à l’eau, mais beaucoup d’entre nous sont morts. » Voici le rapport de quelques survivants du naufrage du (lundi) 17 août, mais dont on n’a reçu la nouvelle que mercredi, et qu’ils avaient raconté aux volontaires de Alarm Phone, la plateforme qui assiste les migrants en difficultés sur la Méditerranée. « Quelques heures plus tard est arrivé un bateau de pêche qui nous a sauvés et débarqués », le témoignage poursuit.

Selon la reconstruction par Alarm Phone, le zodiac avec 81 personnes à bord (et non 65, comme on croyait initialement) était parti de la Libye le 14 ou le 15 août, mais presque immédiatement des problèmes avaient surgi. Dans le naufrage 45 personnes sont mortes, dont cinq enfants, tandis que les 36 survivants ont été transférés vers un centre de détention libyen, géré par le gouvernement de Tripoli. Il s’agit de citoyens provenant du Sénégal, de Mali, du Tchad et de Ghana.

Mais celle du 17 août pourrait bien ne pas être la seule tragédie de ces jours-là. En effet, on n’a plus de nouvelles d’un autre zodiac avec cent migrants qui serait parti dimanche ou lundi d’une localité au nord de Zuara. « Des personnes de la communité érythréenne nous appellent pour nous dire qu’au moins dix de leurs parents se trouvaient à bord », dit-on chez Alarm Phone. Le zodiac aurait coulé après l’explosion d’un des compartiments gonflables. Les nouvelles sont encore incertaines et tout à fait à vérifier, mais il semble que dans ce cas également, un bateau de pêche soit intervenu pour secourir les survivants.

Celui du 17 août est le naufrage le plus grave de cette année et il fait monter le nombre des victimes dans la Méditerranée centrale, qui ainsi se confirme comme la route la plus dangereuse au monde, à au moins 302 personnes dans les huit premiers mois de 2020.

Cette situation est devenue encore plus dramatique par l’absence des navires des ONG, dont quatre sont toujours séquestrés pour cause d’irrégularité. Aujourd’hui devrait arriver dans la zone la Sea Watch 4, que l’ONG allemande gère en coopération avec Médecins sans frontières.

En ce moment, il y des dizaines de navires, partis de la Libye ou de la Tunisie, qui essaient de rejoindre l’Italie. Hier était aussi une journée de débarquements à Lampedusa avec l’arrivée d’un bateau avec 87 migrants à bord et deux petits navires avec 9 et 16 tunisiens. Ainsi s’est encore aggravée la situation de surpeuplement dans le hotspot du quartier Imbriacola, où 1.137 personnes étaient présentes hier en face d’une capacité maximale de 192.

« … un centre de détention libyen, géré par le gouvernement de Tripoli. » L’auriez-vous su en suivant les média grand public, que non seulement la situation dans les camps de détention est horrible, mais que depuis un an et demi la Libye traverse une véritable guerre (civile) où diverses parties font usage de supports militaires actifs de la part de l’Italie, de la France, du Qatar et des Émirats arabes et de l’Égypte, et où des mercenaires russes et d’anciens combattants de l’État islamique (Daesh), engagés par la Turquie, interviennent sur place ? Non, parce qu’ici, c’est le port obligatoire du masque qui est une tragédie sociale et une atteinte profonde aux droits de l’homme.

Week 5: Bellignies – Treignes

In het algemeen heb ik het niet zo op mensen, maar sinds enkele weken volg ik een blog die mij soms ontroert of verblijdt, juist vanwege de mensen die er in voorkomen. Op haar website brengt Eva Van Tulden verslag uit van de voettocht die zij langs de Belgische grenzen maakt om sponsors te werven en geld op te halen voor de organisatie Infirmiers de rue/Straatverplegers (daarover verder meer).

In 2018 richtte Eva de vzw Reach Out op (ik kan haar gewoon Eva noemen, want wij kennen elkaar). De bedoeling was fondsen te verzamelen voor specifieke humanitaire projecten, in België of in het buitenland. Die projecten worden ter plaatse uitgevoerd door lokale partners; de fondsen die Reach Out daarvoor bij elkaar krijgt, zijn overwegend de opbrengst van lange-afstandsfietstochten of ‑trektochten ondernomen door Eva.

Zo loopt nog steeds het project dat in 2018 begon rond Bubaque. Bubaque is een minuscuul en doodarm eiland voor de kust van Guinée Bissau, met een groot gebrek aan onderwijsinstellingen en leerkrachten. De bedoeling is voldoende fondsen bijeen te brengen opdat uiteindelijk nog één gemotiveerde jonge man zijn diploma van onderwijzer zou kunnen halen. Vanwege talloze problemen (niet alleen covid-19 vandaag, maar ook corruptie en gebrek aan infrastructuur) loopt dat niet allemaal van een leien dakje, maar er blijft goede hoop dat Cipriano binnenkort zijn opleiding kan afronden. Eva zamelde geld in tijdens een fietstocht van vijftien weken naar de Noordkaap en (gedeeltelijk) terug, en het jaar daarop ook vijftien weken naar en door het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Daarnaast heeft zij ook enkele structurele sponsors bij het project betrokken.

En nu trekt zij dus met de rugzak België rond, te voet. Eva is vijf weken geleden vertrokken in Antwerpen, langs de Nederlandse grens naar de kuststreek, daar richting Frankrijk en dan langs de Franse grens richting de Ardennen, en van daar via de Duitse grens over Limburg terug naar huis. Vandaag, in week 5, heeft zij er 520 km op zitten. Dat alleen al vind ik bijzonder: hoe iemand er in slaagt om dag na dag rond de 25 km af te leggen, met een zware rugzak, door weer & wind (en qua weer & wind heeft zij haar portie wel gehad de afgelopen weken). En elke avond een plek vinden om te overnachten in haar tentje.

Daar komen de andere verbazingwekkende mensen te voorschijn. Een aantal van de personen bij wie zij haar tentje mag opslaan bieden sowieso hun tuin aan op Welcome to my garden. Maar naast de, naar mijn indruk redelijk zeldzame onaangename afwijzingen, zijn er ook volop mensen die gewoon hun tuin of hun huis aanbieden aan de vermoeide reizigster – en die daarbij ook nog eens, wanneer zij haar verhaal horen, het goede doel sponsoren waarvoor Eva loopt. Van elk van hen plaatst zij een portretje op de sponsorspagina, en als je die allemaal bij elkaar ziet, denk je: wat zijn er toch overal aardige mensen, althans mensen die zich op een bepaald ogenblik aardig gedragen. Dat maakt mij dan weer blij.

Kortom, zelfs als het doel achter de Belgiëtocht je niet interesseert, biedt het blogverslag, met de portretten van de gastheren/-vrouwen/-gezinnen, een dagelijks momentje om je vertrouwen in mensen aan te wakkeren.

Nu, waar is het eigenlijk allemaal om begonnen? Om de Infirmiers de rue, in het Nederlands Straatverplegers.  Infirmiers de rue is een Brusselse organisatie die dakloze mensen op straat opzoekt, hen medische verzorging verstrekt, en ze dan probeert te begeleiden naar een min of meer reguliere woning. Sinds enige tijd is het werk gericht op het principe housing first: wanneer er een voldoende vertrouwensband is met een dakloos persoon, wordt op de eerste plaats voor een woning gezorgd – dit vanuit het idee dat wanneer iemand een beetje duurzaam van de straat is, medische verzorging en sociale herintegratie een stuk makkelijker zullen gaan. Het is een mooi initiatief, en zeer, zeer nodig, niet alleen in Brussel (er is sinds 2019 ook een werking in Liège). En als je de analyses volgt van de sociale impact van de huidige epidemie, zal de nood aan hulp voor mensen die dakloos geworden zijn alleen nog maar toenemen.

Eva’s tocht door België is ook te volgen in het Engels en op facebook, instagram en  youtube (maar daar doe ik zelf niet aan, dus daar kan ik verder niets over meedelen).

Control in times of plague

“Every day the inspectors had to visit every house, stopping outside and summoning the occupants. Each individual was assigned a window in which he had to appear, and when his name was called he had to present himself at the window, it being understood that if he failed to appear it had to be because he was in bed, and if  he was in bed he was ill, and if he was ill he was dangerous and so intervention was called for.”

Les anormaux was the title Michel Foucault gave to his 1974-1975 course at the Collège de France. An English translation by Graham Burchell was published in 2003 by Verso: Abnormal. During the lecture of 15 January, 1975 Foucault describes how at a certain moment the medieval approach of leprosy and the model of exclusion it carried, came to be replaced at the end of the 17th – beginning of the 18th century, by approaches of quarantine and inclusion during plague epidemics (la peste).

I reproduce an extensive quotation of Burchell’s translation and although obviously it could never have been Foucault’s intention to suggest anything whatsoever concerning the actual corona pandemic, the centuries old plague policy model he describes might not differ too much from contemporary covid-19 ones.

The plague town – and here I refer to a series of regulations, all absolutely identical, moreover, that were published from the end of the Middle Ages until the beginning of the eighteenth century – was divided up into districts, the districts were divided into quarters, and then the streets within these quarters were isolated. In each street there were overseers, in each quarter inspectors, in each district someone in charge of the district, and in the town itself either someone was nominated as governor or the deputy mayor was given supplementary powers when plague broke out. There is, then, an analysis of the territory into its smallest elements and across this territory the organization of a power that is continuous in two senses. First of all, [-] there is a kind of pyramid of uninterrupted power. It was a power that was continuous not only in this pyramidal, hierarchical structure, but also in its exercise, since surveillance had to be exercised uninterruptedly. The sentries had to be constantly on watch at the end of the streets, and twice a day the inspectors of the quarters and districts had to make their inspection in such a way that nothing that happened in the town could escape their gaze. And everything thus observed had to be permanently recorded by means of this kind of visual examination and by entering all information in big registers. At the start of the quarantine, in fact, all citizens present in the town had to give their name. The names were entered in a series of registers. The local inspectors held some of these registers, and others were kept by the town’s central administration. Every day the inspectors had to visit every house, stopping outside and summoning the occupants. Each individual was assigned a window in which he had to appear, and when his name was called he had to present himself at the window, it being understood that if he failed to appear it had to be because he was in bed, and if  he was in bed he was ill, and if he was ill he was dangerous and so intervention was called for. It was at this point that individuals were sorted into those who were ill and those who were not. All the information gathered through the twice-daily visits, through this kind of review or parade of the living and the dead by the inspector, all the information recorded in the register, was then collated with the central register held by the deputy mayors in the town’s central administration.

You can see that this kind of organization is in fact absolutely antithetical to, or at any rate different from, all the practices concerning lepers. It is not exclusion but quarantine. It is not a question of driving out individuals but rather of establishing and fixing them, of giving them their own place, of assigning places and of defining presences and subdivided presences. Not rejection but inclusion. You can see that there is no longer a kind of global division between two types or groups of population, one that is pure and the other impure, one that has leprosy and the other that does not. Rather, there is a series of fine and constantly observed differences between individuals who are ill and those who are not. It is a question of individualization; the division and subdivision of power extending to the fine grain of individuality. Consequently, we are far from the global division into two masses characteristic of the exclusion of lepers. You can see also that there is none of that distancing, severing of contact, or marginalization. Rather, there is a close and meticulous observation. While leprosy calls for distance, the plague implies an always finer approximation of power to individuals, an ever more constant and insistent observation. With the plague there is no longer a sort of grand ritual of purification, as with leprosy, but rather an attempt to maximize the health, life, longevity, and strength of individuals. Essentially, it is a question of producing a healthy population rather than of purifying those living m the community, as in the case of leprosy. Finally, you can see that there is no irrevocable labeling of one part of the population but rather constant examination of a field of regularity within which each individual is constantly assessed in order to determine whether he conforms to the rule, to the defined norm of health.

You know that there is an extremely interesting body of literature in which the plague appears as the moment of panic and confusion in which individuals, threatened by visitations of death, abandon their identities, throw off their masks, forget their status, and abandon themselves to the great debauchery of those who know they are going to die. There is a literature of plague that is a literature of the decomposition of individuality; a kind of orgiastic dream m which plague is the moment when individuals come apart and when the law is forgotten. As soon as plague breaks out, the town’s forms of lawfulness disappear. Plague overcomes the law just as it overcomes the body. Such, at least, is the literary dream of the plague. But you can see that there was another dream of the plague: a political dream in which the plague is rather the marvelous moment when political power is exercised to the full. Plague is the moment when the spatial partitioning and subdivision (quadrillage) of a population is taken to its extreme point, where dangerous communications, disorderly communities, and forbidden contacts can no longer appear. The moment of the plague is one of an exhaustive sectioning (quadrillage) of the population by political power, the capillary ramifications of which constantly reach the grain of individuals themselves, their time, habitat, localization, and bodies. Perhaps plague brings with it the literary or theatrical dream of the great orgiastic moment. But plague also brings the political dream of an exhaustive, unobstructed power that is completely transparent to its object and exercised to the full. You can see that there is a connection between the dream of a military society and the dream of a plague-stricken society, between both of these dreams born in the sixteenth and seventeenth centuries. From the seventeenth to eighteenth centuries I do not think it was the old model of leprosy that was important politically, the final residue or one of the last major manifestations of which was no doubt the great « confinement » and the exclusion of beggars and the mad and so forth. Another, very different model replaced the model of leprosy in the seventeenth century. Plague replaces leprosy as a model of political control, and this is one of the great inventions of the eighteenth century, or in any case of the Classical Age and administrative monarchy.

Broadly I would say that the replacement of the model of leprosy by the model of plague essentially corresponds to a very important historical process that I will call, in a word, the invention of positive technologies of power. The reaction to leprosy is a negative reaction; it is a reaction of rejection, exclusion, and so on. The reaction to plague is a positive reaction; it is a reaction of inclusion, observation, the formation of knowledge, the multiplication of effects of power on the basis of the accumulation of observations and knowledge. We pass from a technology of power that drives out, excludes, banishes, marginalizes, and represses, to a fundamentally positive power that fashions, observes, knows, and multiplies itself on the basis of its own effects.

 “But you can see that there was another dream of the plague: a political dream in which the plague is rather the marvelous moment when political power is exercised to the full.” I myself, when I read this, I’m quite ambiguous about actual corona politics. I can understand criticisms who point to the unclear and uncontrolled expansion of obscure powers of control. On the other hand, those people who refuse the simplest forms of self-restraint express their aversion to control by basically anti-social behaviour, especially in the case of sporty cyclists or joggers who come heading your way, panting, puffing, snorting and blowing. Refusing nowadays to wear a mouth-and-nose mask reminds me of those drivers who in the 1990’s refused to wear their seat-belt, because that was supposed to be an infringement upon their bodily integrity – or those who refuse to refrain from smoking in closed public spaces, since ‘the government doesn’t have to determine what I can do with my body’.

Vroege dood

vroege dood

Mozart
stierf op de leeftijd
van 35 jaar

moet ik daarover jammeren
wanneer de gemiddelde
levensverwachting in Perzië
30 jaar is

Chopin
stierf op de leeftijd
van 39 jaar

39 jaar
oud worden
is in Ecuador vandaag
al een mooie prestatie

Rimbaud
stierf op de leeftijd
van 37 jaar

hij zou vandaag
in de getto’s van Kaapstad
bij de grijsaards horen

laat ons niet jammeren
over hen
die te vroeg stierven

beter zorgen wij ervoor
dat vroeg sterven zij
die verantwoordelijk zijn
voor de vroege doden
in Perzië/Ecuador/Kaapstad

zo/eren wij
de klassieken

 

Mijn vertaling van früher tod van Peter-Paul Zahl. Het gedicht staat in de bundel Schutzimpfung uit 1975. Een schutzimpfung is een preventieve vaccinatie, maar het begrip moet in deze bundel geheel metaforisch begrepen worden.

Peter-Paul Zahl zat voor lange tijd in de gevangenis toen Rotbuch Verlag dit gedicht publiceerde (woelige en gewelddadige tijden in de Duitse Bondsrepubliek); hij overleed in Jamaica in 2011.

À Marie

« En ce moment, l’homme fait partie des machines qu’il a créées. Il est nié et dominé par elles. Il faut renverser ce non-sens, ou bien il n’y aura plus de création. Il faut dominer la machine en la vouant au geste unique, inutile, anti-économique. Ceci aidera la formation de la nouvelle société, post-économique mais sur-poétique. »

Giuseppe Pinot-Galizio, Internationale Situationniste, Numéro 3, Décembre 1959