« Het klimaat redden »

Version française sur http://durieux.eu/content/sauver-le-climat

Dit essay gaat over klimaatacties en taal, over transitie en de woorden die daarvoor gebruikt worden. Het gaat over wat klimaatmanifestanten zeggen, en wat dat betekent. En het gaat over noodzaak van een rechtvaardig klimaatbeleid.

Ik herinner mij een interview van niet zo lang geleden met een Canadees of een Brit, dat ben ik kwijt, die de lof zong van Milaan. Geweldige stad, vond hij, er was maar één groot nadeel aan: dat je niet altijd en overal in het Engels terecht kon. Nee, dan Amsterdam; daar had hij meer dan tien jaar gewoond en gewerkt, zonder dat hij ooit één woord Nederlands had hoeven leren.

Vreemd vind ik dat, iemand die er prat op gaat dat hij ergens meer dan tien jaar geleefd heeft, zonder zelfs maar de moeite te doen om enigszins in de lokale taal te communiceren. Anderzijds, Amsterdam – of voor mijn part, Brussel – is een stad waar mensen van over de hele wereld samen komen: inwoners en nieuwkomers, studenten, internationale ambtenaren, arbeiders en zakenmensen, kortom de menselijke vertegenwoordigers van de globaliseringsprocessen van de afgelopen decennia. Daar is geen evidente band meer tussen de stad en de taal die er gesproken wordt. Sommige steden krijgen bijna in hun geheel het karakter van een non-lieu, een plek zonder kenmerken, een neutraal en smaakloos oord, zoals een luchthaven, een treinstation of een winkelcentrum. Het Engels dat blijkbaar bij die plekken hoort is dan ook geen echt Engels; het is een code voor alle niet-Engelstaligen. Ik herinner mij Erasmus-uitwisselingen waarbij Nederlandse, Duitse, Italiaanse en Spaanse studenten en docenten met elkaar konden communiceren in een soort approximatief Engels dat de Britse deelnemers amper begrepen, terwijl zij zelf voor de anderen vrijwel niet te volgen waren in de radde lokale versie van hun native language.

Ik vraag mij af of het bewuste gebruik van dit soort steenkoolengels een daad is van onbeholpenheid of van zelfbewustzijn. Elke dag, wanneer ik mijn tablet open, word ik geconfronteerd met de slogan In search of incredible. In de krant zag ik dagenlang een auto-advertentie van een halve pagina met de ongetwijfeld wervende tekst We are all made of wild. Is dit geklungel, of juist een uitdrukking van ‘het maakt niet uit dat het alleen maar wat lijkt op Engels, het publiek snapt best wat er bedoeld wordt’? Maar hoe dan ook betekent het dat de lezers van de verder geheel Franstalige krant toegeschreeuwd worden in nep-Engels. (Nou ja, geheel Franstalig? Je vindt er ook koppen als ‘Ces labels qui boostent les produits du terroir’.) Vroeger had je dit een uiting van Angelsaksisch cultuurimperialisme genoemd. Vandaag hoor je vaker dat dit luchthaven- en winkelcentra-Engels de lingua franca is van de geglobaliseerde, kapitalistische wereld. (Ik ben benieuwd wat er op dat vlak gaat gebeuren als binnenkort het wereldwijde kapitalisme niet meer aangestuurd wordt vanuit de VS, maar vanuit China.)

De vraag die je je stelt als je je wil verzetten tegen het vanuit de VS aangestuurde cultuurimperialisme is dan: moet je die voertaal van het wereldwijde kapitalisme afwijzen (zoals Le monde diplomatique probeert te doen), of is het juist subversief om – binnen zekere marges van begrijpelijkheid – een  geheel eigen variant van het Engels te ontwikkelen? De aloude kwestie: bepaalt het medium wat je kan zeggen, of kan je bestaande taal zo plooien en breken dat ze je hoogstpersoonlijke eigen medium wordt? De creolisering van straattalen in de West-Europese steden lijkt op het laatste te wijzen.

Ik moest denken aan dit alles, toen ik weer een serie foto’s zag van scholieren die in België demonstreerden om ‘het klimaat te redden’. In wat voor (meng)taal dan ook, slogans getuigen vaak van een creativiteit waarin moedertaal en wereld-Engels door elkaar gehusseld worden: Arrête de niquer ta merEat pussy, not cows en Eat dick, not microplastic – Phoque le réchauffement climatique  (met tekening van zeehond) – There is no planète B – Change the politics, not the climate – 15 mars 2019 Global Strike for Future. Voor jongeren, die dit soort mengtaal evident vinden, is het begrip cultuurimperialisme waarschijnlijk compleet irrelevant, indien niet totaal onbekend.

In de media die ik zie, kunnen de spijbelende scholieren op veel begrip en sympathie rekenen. De président-directeur général van Walt Disney Company France verklaart zonder een merkbaar spoor van ironie: ‘Et puis, les enfants qui descendent en ce moment dans la rue, j’ai presque envie de les appeler la génération Disneynature‘ (Le Soir, 19 maart 2019). Zelfs een overwegend kritische commentator als Paul Goossens kan het niet laten zijn zaterdagse column in De Standaard zo te besluiten: “De klimaatmarsen en het engagement van zoveel assertief jong volk voor de toekomst van de aarde is het mooiste geschenk dat dit land zich kon dromen. Een unieke hefboom bovendien om een duurzame samenleving voor het nieuwe millennium op te tuigen. Niet alleen in Vlaanderen, België of Europa, maar op de hele planeet. Eindelijk treedt er een generatie aan die ver in de toekomst kan durft te kijken. Die blik moeten we koesteren, omarmen en delen.”

OK, ik wil geen cynische ouwe zeur zijn: het is geweldig dat pubers zich inzetten voor het goede doel. En de kick van het spijbelen, de lol van het samen actie voeren, het genoegen om met je grappige slogans de media te halen, … wat is er mooier dan de combinatie van engagement en plezier? Strijden voor een betere wereld maakt dat je jezelf ook beter voelt.

Maar hoezo, het goede doel, een betere wereld, de planeet redden? Hoe dan? De meeste jongeren die in de media aan het woord komen blijven herhalen dat de hele klimaatbeweging niet politiek is, maar tegelijk willen zij wel dat ‘de politiek’ actie onderneemt en dat er een krachtdadiger klimaatpolitiek komt. Dit ‘apolitieke’ beroep op ‘de politiek’ opent natuurlijk wagenwijd de deuren voor recuperatie door het bedrijfsleven. Als de Belgische regeringen (de politiek) oor hebben voor één groep in de samenleving, dan is het wel voor het bedrijfsleven (apolitiek, naar eigen zeggen). En zij die de regels maken hebben er alle belang bij elk mogelijk conflict te minimaliseren, sterker nog, ondenkbaar te maken. Wil je niet dat je belangen aangevochten worden, ontken dan gewoon dat strijd of conflict een optie is. Het is dus niet te verwonderen dat plots de bedrijfsleiders van een aantal grote ondernemingen (Unilever, Delhaize, Umicore, Proximus, Colruyt, …), samen met mediaholdings en reclamebureaus een eigen ‘apolitiek’ initiatief lanceerden: Sign for my future. Apolitiek, want zij eisen wel steun van de staat voor hun ‘transitie’, maar tegelijk worden de belangen of de rol van hun bedrijven in de productie van vervuiling niet in vraag gesteld. De Standaard kondigde meteen een drie pagina’s lang interview met de ceo van Unilever Belux aan met het kopje ‘Hoe Unilever de planeet wil redden’. Greenwashing heet dat: je een groen imago aanmeten, zonder wat te doen aan je eigen vervuilende activiteiten of investeringen. Hoe serieus kan je het engagement nemen van de bedrijfsleiding van BNP Paribas Fortis en KBC (met gigantische investeringen in de ontginning van fossiele energiebronnen), JCDecaux (wereldwijde publiciteit voor nog meer consumptie), EDF Luminus (verwoesting van wouden voor de constructie van windturbineterreinen), KPMG (mondiaal adviseur inzake belastingontduiking)?

Hoewel de klimaatmanifestaties dus als niet-politiek worden voorgesteld verwacht men wel dat ‘de overheid’ (en dat zijn er alleen al in België nogal wat) of ‘de politiek’ oplossingen aandraagt. « En attendant que la classe politique se bouge … Nous sortirons de nos classes » . De politieke klasse moet in beweging komen – om wat te doen? Wat altijd terugkeert in de media-optredens van de jonge demonstranten is: ze zijn bang. Bang van wat? Bang voor wat? Dat is niet altijd duidelijk. Bang dat bij een stijgende zeespiegel het water over de dijken slaat? Bang dat door de toenemende en langdurige droogte de bossen en hun biodiversiteit verdwijnen? Bang dat orkanen, verwoestijning en hongersnood nog meer mensen op de vlucht zullen drijven naar Europa?

Als dat het is wat angst oproept, dan gaat het niet om ‘natuurlijke’ fenomenen, maar om het resultaat van politiek handelen. De keuzes die je moet maken (als individu, burger of overheid), zowel om de uitstoot van broeikasgassen radicaal te verminderen, als om de impact van klimaatverandering onder controle te houden, zijn politieke beslissingen. Een benadering die de politieke aspecten van het probleem verdoezelt, versterkt de positie van zij die het nu voor het zeggen hebben en verhult de mogelijkheid om systeemveranderingen door te drukken. Neem het voorbeeld van de klimaatvluchtelingen, zij voor wie de gevolgen van klimaatverandering het leven onmogelijk maken. Niet alleen zijn hongersnoden vaak het product van politiek-economische beslissingen (de zwaar gesubsidieerde invoer van Europese voedseloverschotten, die de lokale landbouw onrendabel maakt; de verdrijving van boeren en herders om op hun gronden gigantische zonnepaneelvelden aan te leggen; het afleiden van bronnen en watervoorraden naar afgesloten enclaves van kolonisten; enorme trawlers die op industriële wijze de visbestanden voor de kust leegroven ten nadele van de plaatselijke vissers), een apolitieke benadering verhult ook dat de wereld wel voldoende voedsel produceert voor iedereen, maar dat het zo ongelijk verdeeld wordt dat honderden miljoenen honger lijden. Zelfs de gevolgen van overstromingen of orkanen zijn in belangrijke mate het resultaat van politieke beslissingen (zie de gevolgen van de aardbeving en de  tsunami bij Fukushima, maart 2011; zie de verschillende gevolgen van orkaan Irma in Cuba of in de VS, 2017). De aard en de intensiteit van klimaatverandering wordt weliswaar bepaald door het niveau van CO2 in de atmosfeer, maar de gevolgen daarvan voor de aarde en haar menselijke en niet-menselijke bewoners zijn in belangrijke mate afhankelijk van machtsstructuren en politieke beslissingen. De Europese keuze om vluchtelingen voor de klimaatverandering op te vangen door van de hele Méditerranée een gigantische dodenakker te maken, is daarvan slechts een extreme uiting.

Wat betreft de aanpak van de oorzaken van klimaatverandering, zijn de overheid of ‘de politiek’ slechts de instrumenten, de uitvoerders en facilitators van de verlangens van het bedrijfsleven en zijn aandeelhouders. Dat geldt overigens niet alleen wanneer het gaat om vervuilende sectoren als de autonijverheid, de luchtvaart of de logistieke sector. Een mooi voorbeeld uit Nederland. Een lobby van vastgoedondernemers en autosportfanaten is erin geslaagd het circuit van Zandvoort weer open te stellen voor Formule 1 races. De gemeente wil zelf vier miljoen euro investeren, en verwacht van de provincie en het rijk een zelfde bedrag. Over de verkeersoverlast die de toestroom van toeschouwers zou veroorzaken, zegt de burgemeester: “Ze kunnen ook met de fiets komen.” En net zo goed wanneer het gaat om de industrieën van de hernieuwbare energie, of het nu in Frankrijk, Nederland, Wallonië of Vlaanderen is, rollen overheden overal de rode loper uit voor de promotoren van windenergie – bedrijven als Engie Electrabel of EDF Luminus, dezelfde dus die belangrijke winsten halen in de zo vermaledijde nucleaire sector. Ruime overheidssubsidies, betaald met belastinggeld; vernietiging van natuur, bossen en landschappen (wat had zo’n neergemaaid bos niet kunnen betekenen voor de verwerking van CO2-uitstoot?); administratieve beroepsprocedures die herschreven worden zodat burgers zich amper nog kunnen verzetten tegen de plannen van de energiebedrijven. Natuurlijk is het aan overheden of de politiek om regels vast te leggen en te handhaven tegen de verdere verontreiniging en afbraak van het leefmilieu – zolang het maar geen afbreuk doet aan de winst van de bedrijven en hun aandeelhouders. Die eisen zelfs dat de overheid, dus de belastingbetaler, hun ‘transitie’ financieel ondersteunt (zie de windenergiepromotoren, zie Sign for my future). Met andere woorden, verwachten dat de overheid (‘de politiek’) met concrete en effectieve klimaatplannen komt, betekent niet anders dan vragen of je je belastinggeld mag dragen naar de bedrijven die de ‘transitie’ zien als een winstkans voor hun aandeelhouders, die eerst volop profijt gehaald hebben uit de vernietiging van het leefmilieu.

Bedrijven zouden niet zo’n nefaste invloed kunnen hebben op het klimaat, als er niet consumenten waren die op grote schaal gebruik maken van de vervuilende en vervuilde diensten en goederen die zij aanbieden. Met vervuilend bedoel ik dat de productie van die goederen en diensten, inclusief de afvalverwerking, schadelijke gevolgen heeft voor het leefmilieu, zowel voor mensen, als voor dieren, planten, aarde, zeeën en lucht. Maar consumenten zijn ook verantwoordelijk voor de aanschaf van vervuilde goederen en diensten, producten die de vrucht zijn van de uitbuiting van kinderen, mannen, vrouwen, de vernieling van land en water en habitat in min of meer verre landen. Het recente WWF-rapport over de Belgische bijdrage aan de internationale ontbossing wijst erop dat de Belgische consumptie van vlees, leer, cacao, palmolie, papier en papierpulp, natuurlijk rubber en hout jaarlijks verantwoordelijk is voor de vernietiging van 3,8 miljoen hectare bos, oftewel 1,2 maal de oppervlakte van het land of vijf keer de oppervlakte van de Belgische wouden. Je kan je afvragen wiens toekomst de manifestanten voor het klimaat hopen te vrijwaren: die van de miljoenenbevolking op de oevers van de Mekongrivier die bedreigd wordt door de aanleg van waterkrachtcentrales, of die van een met overstroming bedreigd Polynesisch eiland, of hun eigen toekomst, nu het er op lijkt dat die misschien minder overvloedig en comfortabel zal zijn?

In Nederland, België en Frankrijk zijn er groenen die zeggen dat zij ‘de tegenstelling tussen links en rechts voorbij’ zijn. De bezorgdheid voor ‘het milieu’ moet tegenstellingen tussen arm en rijk, tussen uitbuiter en uitgebuite, kortom sociale strijd, overstijgen. Maar helaas voor hen, al jaren tonen talloze studies aan dat de uitbuiting en verdrijving van lokale bevolkingen, en de vernietiging van hun lokale productiemiddelen directe en indirecte gevolgen hebben voor het wereldwijde leefmilieu. Je hoeft maar te denken aan vissers in Afrika, de sojateelt in Zuid-Amerika, de slums waarin de verpauperde bevolking leeft die in Azië, Afrika, maar ook Oost-Europa de kleding, het speelgoed, de elektronica assembleert waarvoor de westerse consumenten staan te dringen, en niet alleen bij Primark en Action. Kortom, in plaats van alle heil te verwachten van de overheid, zouden klimaatmanifestanten ook eens hun eigen consumptiegedrag bij Ryanair, Albert Heijn of de goedkoopste aanbieder van wat dan ook onder de loep kunnen nemen.

Want de klimaatactivist heeft zeker wel macht – en verantwoordelijkheid – als consument. In die zin ben ik het niet helemaal eens met de Franse journalist Jean-Baptiste Malet. In Solidair zegt hij: “We moeten onszelf geen schuldgevoel aanpraten omdat we een gsm hebben of omdat we kleren dragen die gemaakt zijn door uitgebuite werkkrachten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik voor cynisme pleit of dat ik onverschillig sta tegenover die uitbuiting, integendeel. Maar ik verwerp de burgerlijke houding die ons vertelt dat we “ethisch” moeten kopen om de wereld te veranderen, dat we allemaal individueel correct moeten handelen.

Wanneer een interimarbeider zijn voedingsmiddelen koopt bij een discounter en de goedkoopste kleren draagt, of als jij en ik een gsm of een pc gebruiken om te communiceren of om te werken, dan vind ik niet dat we ons daar schuldig moeten over voelen. Wij moeten ons niet schuldig voelen over de productieverhoudingen van het kapitalisme.

En de reden is eenvoudig: wij hebben niet gekozen voor dat systeem. Het wordt ons opgelegd door de kapitalisten en de politieke klasse die hun belangen dient. Wij hebben geen schuld aan hun wandaden. (…) Deze drang naar deugdzaam consumeren is de eerste stap naar depolitisering van de maatschappij via consumptie.”

Wat niet wil zeggen dat Malet zich zomaar neerlegt bij de situatie. In hetzelfde interview verklaart hij ook: “We moeten ons er niet voor schamen dat we in een verwerpelijke wereld leven. We moeten de macht veroveren en verandering brengen. We moeten eerder diegenen die zich schuldig maken aan uitbuiting met de vinger wijzen, hen aanwijzen, hen benoemen, en zo onze maatschappij en haar geschiedenis verklaren, en de klassenverschillen.”

Maar de macht veroveren en verandering brengen, wat betekent dat? Wat houdt dat in? De macht, dat is niet (meer?) een monolithisch systeem, geconcentreerd op één plek, in één instantie. Het mondiale kapitalisme van vandaag wordt gekenmerkt door de inkapseling van contingentie (onvoorspelbaarheid), diversiteit, mobiliteit en flexibiliteit. Beheersing van dit systeem gebeurt niet noodzakelijk door brute machtsuitoefening en geweld, maar door alomtegenwoordige controle en ideologische beïnvloeding. In een neoliberaal maatschappijsysteem dat de economie depolitiseert, wordt de burger allereerst beschouwd als producent-en-consument, die in die hoedanigheid voortdurend – op school, door levenslang leren, door sociaal beleid, in de media, bij justitie – afgericht moet worden voor zijn/haar rol op de vrije markt.

Als de macht niet meer lokaliseerbaar is, maar diffuus, hoe dan die macht veroveren? Het is een illusie dat via alleen maar de weg van de parlementaire democratie duurzame omkering van sociale machtsverhoudingen of het einde van uitbuiting tot stand kan komen. Revoluties – voor zover al denkbaar in West-Europa – hebben, zo leert de geschiedenis, ook zelden of nooit tot duurzame rechtvaardigheid geleid. En ironisch genoeg, de houding van de hippies uit de jaren 1960 en ‘70, die je tegenwoordig min of meer herkent in ‘alternatieve’ leef- en productievormen aan of in de marge van het kapitalistische systeem biedt al evenmin een toevlucht. Patti Smiths rock ‘n’ roll nigger die zich terugtrekt “outside of society” staat al lang op de T-shirts voor toeristen in Christiania; jaren geleden al hebben we ontdekt dat elke subcultuur, elke identitaire minderheid tot een product kan worden gemaakt dat je op de markt kan brengen. Eenheidsworst verkoopt, maar diversiteit ook.

Als je de culturele hegemonie wil doorbreken (of tenminste doen barsten) van een denksysteem dat er van uitgaat dat ieder voor zichzelf naar maximale winst moet streven, dan moet je in ieder geval al het heersende vertoog op de korrel nemen en proberen te veranderen. De taal – de woorden – die je gebruikt onthult of verhult wat je werkelijk wil zeggen. Wanneer het zich in West-Europa afspeelt, is het bij de gevestigde media van “de politie moest tussenkomen om de rust te herstellen”. Maar wanneer het over Venezuela gaat, “slaan de ordetroepen een demonstratie van burgers neer”. Parler n’est jamais neutre, wist Luce Irigaray al.

Iedereen wil nu ‘het klimaat redden’. Maar het klimaat is niet iets wat gered kan worden. Het klimaat is wat het is, de gemiddelde weerstoestand in een bepaald gebied en over een langere periode (dertig jaar). Dat klimaat kan overwegend koud of warm zijn, droog of vochtig, of desnoods wisselvallig; het klimaat is de beschrijving van een toestand. Wie beweert dat hij of zij het klimaat wil redden, zegt zo maar wat zonder iets duidelijk te maken over verantwoordelijkheden, doelstellingen, strategieën of middelen.

Wie je wel zou kunnen redden, zijn de slachtoffers van het klimaat. Alle elementen voor wie ten gevolge van klimaatveranderingen gevaar dreigt, die zou je ter hulp kunnen komen. Desnoods noem je die elementen ‘klimaatslachtoffers’; het gaat dan zowel om mensen, als om dieren, zeeën, wouden, eilanden. Als je duidelijk maakt wie je wil ‘redden’, dan maak je meteen ook duidelijk wie verantwoordelijk is voor de situatie, wat er gebeurd is en wat er moet gebeuren om die gevaarlijke toestand te verhelpen, en wie de verantwoordelijkheid daarvoor moet opnemen. ‘Het klimaat redden’, daar kan iedereen zich in vinden: scholieren en hun ouders, EDF Luminus en Unilever, alle mogelijke regeringen en eigenaren die hun gronden te gelde willen maken bij promotoren van zonne- of windenergie. Maar als je aangeeft wie je wil redden, en van wat, dan komen er namen in beeld, en verantwoordelijkheden, en praktijken van uitbuiting en vernietiging. Dan moeten zowel bedrijven, als consumenten, burgers en overheden naar zichzelf kijken – en de consequenties dragen. Het is dan dat een ‘rechtvaardige transitie’ ter sprake komt, een sociaal rechtvaardige benadering waarin de bezorgdheid voor het milieu (de overgang naar een klimaatneutrale economie) samengaat met betere levensomstandigheden, op de eerste plaats voor de meest kwetsbare groepen in de samenleving. Of, zoals het in sommige media heet: het einde van de maand en het einde van de wereld met elkaar in evenwicht brengen.

LUnion_10nov2018 web klein

Bovendien, het zijn niet alleen zij die in precaire omstandigheden leven, die de ‘transitie’ dreigen te moeten ondergaan; het wordt tegenwoordig voor de gemakkelijkheid wel eens vergeten, maar de productie van hernieuwbare energie als kern van de mars naar een groene toekomst maakt ook zo zijn eigen nieuwe ‘klimaatslachtoffers’. En dan gaat het niet alleen om de slachtoffers die vallen bij en in de buurt van de ontginning van de grondstoffen – de openluchtmijnen voor de winning van zeldzame aardmetalen – die nodig zijn voor de productie van die ‘schone’ energiebronnen. Met enig cynisme zou je kunnen zeggen dat de Chinese milieuslachtoffers bij de ontginning van neodymium voor windturbines niet anders zijn dan de slachtoffers die in Congo vallen bij de winning van coltan voor de productie van mobiele telefoons. De redders van het klimaat weten best dat de acties die zij voorstaan slachtoffers maken – maar dat zijn zorgen voor later. Over de schade die windturbines op zee veroorzaken (aan fauna en flora, maar ook voor de vissers) zegt Jan Vande Putte van Greenpeace in Médor: « On va trop vite, c’est clair. Mais on ne peut plus attendre pour faire des études car le réchauffement climatique aura, lui, des conséquences bien plus dommageables. On doit avancer et minimiser ensuite ces effets. » Ook iemand uit een totaal andere hoek, fondsenbeheerder Etienne de Callataÿ, vindt in een moment van bezinning toch dat het voorkomen van nieuwe slachtoffers geen prioriteit is: “Comment aider les perdants de la transition? Mais cette réflexion ne doit pas freiner l’adoption des mesures. » (Le Soir, 8/9 december 2018) Waar gehakt wordt, vallen spaanders – zeg dat de redders van het klimaat het gezegd hebben.

Maar goed, alles wat je nu kan doen om klimaatverandering te beheersen, kan helpen om de gevolgen ervan voor de aarde en haar bewoners te minimaliseren. Jean-Baptiste Malet zegt in het interview in Solidair: “Een boycot kan zeker een doeltreffend wapen zijn in een politieke strijd. En uiteraard moet iedereen zijn verantwoordelijkheid opnemen, niet zomaar wat doen, maar gewetensvol handelen. Persoonlijk boycot ik bepaalde bedrijven, maar ik weet uiteraard dat dat niets zal veranderen zonder een gestructureerde politieke strijd, zonder gezamenlijk verzet, zonder conflict.” Je hoeft de boycot dus zeker niet te laten. Sabotage, het bewuste ondermijnen van het industriële rendement, is van oudsher een actiemiddel van de arbeider. Het sabotagemiddel van de consument is de boycot. Natuurlijk kan je in onze westerse samenleving niet zonder elektriciteit, telecommunicatie, vervoer, voedsel of culturele voeding. Maar dat betekent niet dat je niet zonder digitale meters, Google, Facebook, twee auto’s, Carrefour of Studio 100 kan. Bijna altijd zijn ruim alternatieven voorhanden die kleiner, dichterbij, gezonder, autonomer, democratischer, … kortom minder vervuilend zijn en dus beter voor het klimaat. In de krant van 9 en 10 februari 2019 besteedt Le Soir  twee volle pagina’s aan een interview met Anuna De Wever, het boegbeeld van Youth for Climate. Plaats van afspraak is de Starbucks in het Centraal Station van Brussel. Was dat een bewuste keuze? Starbucks is in ieder geval een voorbeeld van hoe consumentenboycot het bedrijf op een aantal vlakken gedwongen heeft tot een rechtvaardiger, milieubewuster en fiscaal eerlijker beleid.

Natuurlijk zal je de wereld niet veranderen door voortaan je worteltjes op de Buurderij te kopen in plaats van in de supermarkt. En als je dat wel doet, betekent dat nog niet dat je je overgeeft aan de neoliberale indoctrinatie, die iedereen individueel verantwoordelijk maakt voor de eigen welvaart, en de samenleving beschouwt als een marktplaats voor de efficiënte handel in individuele – materiële en immateriële – rijkdom. Als het kapitalisme zijn eigen doodgravers produceert (Marx en Engels), of als macht haar eigen verzet creëert (Foucault), dan biedt het actuele kapitalisme nog wel ruimte voor de klassieke vormen van weerstand (vakbonden, stakingen, ruimte bezetten); in een systeem echter dat nu vooral gebaseerd is op controle van de individuele burger als producent/consument, is ook deze positie zeker een locus van verzet. En als politiek geworden is tot een opeenvolging van mediagebeurtenissen, dan heeft het weinig zin een monumentaal tegenspektakel te organiseren; dan resten slechts tactieken van subversie.

Kleine beekjes vormen grote rivieren (en meren). En al wat je nu al kan bijdragen aan een rechtvaardige transitie is gewoon meegenomen. Het moet gezegd: nu al zijn er volop mensen die min of meer consequent en in de mate van het mogelijke proberen een leven te leiden met respect voor de planeet en al zijn menselijke en niet-menselijke bewoners. Er zijn zoveel mensen – en niet alleen in West-Europa, maar juist ook op plekken waar je van hieruit niet meteen aan denkt, zoals Benin bijvoorbeeld – die nu al, ieder op hun niveau, doen wat zij kunnen voor een betere, gezondere en meer rechtvaardige wereld.

Een werkelijke rechtvaardige transitie op wereldniveau vereist echter een radicale agenda, niet alleen om op een juiste manier om te gaan met de klimaatverandering die nu aan de gang is, maar ook om te komen tot een samenleving die bereid is te luisteren naar de noden en verlangens van alle wezens, menselijk en niet-menselijk, en tot een herverdeling van de rijkdom en de middelen die nodig zijn voor een klimaatneutrale economie. Dat betekent dat je niet kan rekenen op de grote bedrijven, van wie de bestaansreden juist ligt in het maken van winst, of op de overheid, die er is om in onzekere tijden met alle kracht eigendom en bestaande machtsstructuren te verdedigen. Neen, je zal er zelf wat moeten aan doen – in je dagelijks leven. Niet alleen druk zetten op overheden of instellingen die uitbuiting en vervuiling in stand houden, maar ook zelf kiezen voor een leven dat staat in het teken van respect voor je omgeving, levend of niet levend, menselijk of niet menselijk.

Niemand heeft om het leven gevraagd. Het is een geschenk dat je niet kan weigeren; je kan er hoogstens afstand van doen. Zij die kunnen spijbelen en demonstreren ‘voor het klimaat’ mogen zich gelukkig prijzen, niet alleen dat zij daar materieel toe in staat zijn, maar ook dat zij niet in de gevangenis terechtkomen, waar marteling en honderd zweepslagen hen wachten. Wat maken van je leven en er zorg voor dragen dat anderen dat ook kunnen, en dat alles zonder jezelf of anderen te schaden. Dat is nogal een opdracht – en voor de een al makkelijker dan voor de ander, afhankelijk van de energie die je moet besteden om simpelweg te overleven. Maar “het klimaat redden” zal niet lukken zonder jezelf in vraag te stellen, en bewust wat te doen aan je eigen omgang met de wereld en aan een systeem dat gebaseerd is op meedogenloze groei en exploitatie. Geen rechtvaardig klimaatbeleid zonder sociale rechtvaardigheid.

Sabotage

Version française sur http://durieux.eu/blog/sabotage

De staking op de luchthaven van Brussel is afgelopen. Midden in de Belgische herfstvakantie hebben de arbeiders die bij Aviapartner de bagage behandelen gedurende vijf dagen het werk neergelegd. Dat de massamedia de nadruk zouden leggen op het ongemak voor de reizigers en op de ‘schade voor het imago van de luchthaven en ons land’ was te verwachten. Maar in één krant vond ik ook een fascinerend zinnetje: “Twee (anonieme) ex-werknemers op Brussels Airport spreken over een ‘gebrek aan arbeidsethos’ bij de bagageafhandelaars. Dat de directie maandag nog een deurwaarder stuurde omdat er (vermeende) sabotage zou plaatsvinden, illustreert die overtuiging.” Veel voorbehoud in de formulering, maar toch een verband tussen sabotage en gebrek aan arbeidsethos.

Over welk soort arbeidsethos het hier gaat, laat ik even in het midden; waar het mij om gaat is de sabotage. Sabotage – ook als het niet zo heette – is natuurlijk al een oeroud strijdmiddel. Volgens de legende zou het woord komen van de klompen (sabots) die wevers in het begin van de negentiende eeuw in de weefmachines wierpen om de op gang komende industriële productie van stoffen, welja, te saboteren. In oktober 1916 verscheen bij Industrial Workers of the World (IWW) in Cleveland een brochure die het gebruik van sabotage in de sociale strijd onderbouwde. De jonge militante Elizabeth Gurley Flynn gaf haar tekst een titel die meteen de essentie verklaarde: ‘Sabotage – The Conscious Withdrawal of the Workers’ Industrial Efficiency’ – het bewuste ondermijnen dus van het industriële rendement van de arbeider. Later voegde de IWW een disclaimer toe bij de publicatie: “The following document is presented for historical purposes and in the interest of the freedom of speech. The IWW takes no official position on sabotage (i.e. the IWW neither condones nor condemns such actions). Workers who engage in some of the following forms of sabotage risk legal sanctions.” (Zie ook http://durieux.eu/blog/black-cat)

De aanleiding voor Flynns interventie lag juist in een staking van textielarbeiders in New Jersey. Een van de stakingsleiders had opgeroepen tot sabotage, en was daarvoor veroordeeld. Flynn zal aantonen dat sabotage een volkomen verantwoord strijdmiddel is voor de arbeiders in de industrie – en dat het overigens niet alleen een strijdmiddel is voor de arbeiders, maar dat de patroons en eigenaren evengoed gebruik maken van sabotage als het hen uitkomt.

Het uitgangspunt is dat als de arbeiders wat willen bereiken, zij niet moeten rekenen op gerechtigheid of sympathie vanwege de patroons; macht is de cruciale factor. (Geïnspireerd door Jan Blommaert wil ik het niet hebben over werkgevers en werknemers. ‘Werkgevers’ geven geen werk; zij nemen het werk van de arbeiders tegen een zo klein mogelijke vergoeding. ‘Werknemers’ nemen ook geen werk; zij presteren het werk dat de eigenaar of de patroon afneemt en verder verkoopt.) Sabotage is in dat verband gewoon een van de middelen in de strijd om de macht tussen arbeid en kapitaal. “Sabotage is to this class struggle what the guerrilla warfare is to the battle. The strike is the open battle of the class struggle, sabotage is the guerrilla warfare, the day-by-day warfare between two opposing classes.”

Flynns benadering van sabotage is duidelijk: het gaat niet om fysiek geweld, maar puur om een industrieel proces gericht op aantasting van de winst van de eigenaar. Dat kan door de kwantiteit van de productie te beïnvloeden, of de kwaliteit, of de dienstverlening aan het publiek. In die zin is sabotage dan ook geen eenrichtingsverkeer. Eigenaren en patroons ondermijnen net zo goed de optimale kwaliteit van de producten, manipuleren de kwantiteit en verminderen de service naar het publiek, juist om de winst te vergroten. Aviapartner is daar een mooi voorbeeld van. Een van de eigenaren is het Britse venture capital fund HIG. Zulke ‘durfkapitaalfondsen’ worden door de aandeelhouders aangetrokken om op korte termijn de werkingskosten te drukken (personeel ontslaan, afdelingen sluiten, machines niet meer onderhouden of weghalen) en wat overblijft van het bedrijf met veel winst te verkopen. Het is dan ook geen toeval dat een van de belangrijke klachten van het Aviapartnerpersoneel juist ging over het verouderde en versleten materiaal waarmee zij moeten werken.

Elizabeth Gurley Flynn geeft in haar brochure talrijke historische voorbeelden van sabotageacties en van de resultaten die zij opleverden voor de betrokken arbeiders. Sommige van die acties komen nu behoorlijk naïef over, en sommige zijn werkelijk hilarisch (bijvoorbeeld acties van het horecapersoneel in New York, dat enerzijds een boekje opendeed over de hygiënische en arbeidsomstandigheden in de hotelkeukens, en anderzijds knoeide met peper en zout in de maaltijden. And I found that that was one of the most effective ways of reaching the public, because the « dear public » are never reached through sympathy.) Flynn gebruikt het voorbeeld van de horeca ook om aan te geven hoe de belangen van de arbeiders en het publiek kunnen samenvallen. Slechte, vieze, ontoereikende, gevaarlijke goederen onbruikbaar maken, is vaak gewoon in het voordeel van hen die die goederen anders niets-wetend zouden gebruiken. Het is een redenering die ook geldt voor recente acties in de openbare diensten. Ja, acties in het openbaar vervoer kunnen hinderlijk zijn voor de reizigers, maar je wil toch veilig vervoerd worden, in degelijk en schoon materiaal, door mensen die alert en niet overwerkt zijn?

Dat brengt Flynn tot een van de trefzekerste en puur legale vormen van sabotage, following the book of rules, oftewel de stiptheidsstaking. Eerder schreef ik al in een pleidooi voor verstandig gedogen: “Het heeft weinig zin het handhaven van (rechts)regels te beschouwen als een doel op zich. Geen enkele overheid, zelfs niet de meest totalitaire, slaagt er in totale handhaving (of zero tolerance) te organiseren. Vanuit pragmatisch oogpunt is dat trouwens ook niet wenselijk. Politicoloog Herman van Gunsteren illustreert dat met een voorbeeld uit het bedrijfsleven: “Strikte handhaving heeft rigiditeit tot gevolg. Werknemers zullen zich gaan indekken en niets meer doen, uit vrees voor represailles. Dat werkt kadaverdiscipline in de hand. Wie zweert bij complete handhaving, pleit voor een doorlopende stiptheidsactie. Dat breekt een organisatie.” Inderdaad, niet voor niks is sinds jaar en dag één van de actiemiddelen van de arbeidersbeweging de stiptheidsactie: het werk wel uitvoeren, maar met strikte inachtneming van de regels.” Die regels zijn vaak met de beste bedoelingen opgesteld, en dus stelt zich iedere keer opnieuw het dilemma tussen de letter volgen of de geest, maar Where men fail in the open battle they go back and with this system they win.

Aan het eind heeft Flynn het ook nog even over de morele aspecten van sabotage. Tegen diegenen die zeggen dat het immoreel is om ‘je eigen product’ te vernietigen of dat sabotage laf is en slinks, zegt zij: hoezo eigen product? Hoogstens gaat het om goederen of diensten die in loonslavernij zijn geproduceerd voor het genot van anderen, die ze wel kunnen betalen. En slinks of laf? Het zou veel makkelijker en veiliger zijn om het niet te doen. Sabotage is geen individuele zaak; het gaat om het belang van velen. Sabotage vereist moed en karakter; de ‘werkman’ creëert erdoor zelfrespect en zelfvertrouwen in zijn rol als producent.

 

Produire des euros

Sur le site francophone friends against wind vient de paraître un texte clair et bien élaboré d’Antoine Waechter : « Le scandale éolien – Le développement de l’éolien terrestre repose sur une escroquerie intellectuelle et politique. » Antoine Waechter est un homme politique français, membre du Mouvement écologiste indépendant (MEI). Il fut le candidat des Verts à l’élection présidentielle de 1988 et député européen de 1989 à 1991.

Le texte traite la situation française, bien spécifique avec son accent sur le nucléaire comme source d’énergie. Mais d’autre part, il y a aussi tant de ressemblances avec la situation wallonne, que j’ai cru pouvoir reprendre en grande partie le texte de Waechter en l’adaptant ici et là au contexte belgo-wallon. Alors voici.

 

Après avoir colonisé les champs de betteraves et de céréales du Hainaut, les aérogénérateurs investissent dorénavant les reliefs boisés des Ardennes, dénaturant les plus beaux territoires de la Belgique et dégradant l’environnement de dizaines de milliers de personnes.

L’énergie éolienne a, semble-t-il, la sympathie d’une petite majorité de nos concitoyens, mais suscite des dizaines de procès devant la juridiction administrative, jusqu’au Conseil d’État. Cette réalité contrastée oppose ceux qui ne connaissent que les photographies de pales blanches sur un fond de ciel bleu à ceux qui vivent la proximité de ces monstres technologiques. L’adhésion repose sur une double escroquerie intellectuelle et politique : l’éolien serait nécessaire pour se passer du nucléaire et pour limiter les gaz à effet de serre, plus largement l’avenir appartiendrait aux énergies renouvelables.

Au niveau actuel de consommation énergétique, le renouvelable est parfaitement incapable de remplacer les énergies à haute densité comme le pétrole et l’atome. Il serait nécessaire d’abîmer tous les cours d’eau, de piller la forêt et de couvrir la Belgique de panneaux solaires et de mâts géants pour atteindre cet objectif. Le cœur de la transition énergétique ne peut raisonnablement être qu’une réduction radicale de la consommation : tous les connaisseurs en conviennent. L’escroquerie politique est de taire cette vérité. Au contraire même, on encourage l’accroissement de la consommation d’électricité, par exemple par une électrification du parc des voitures de société. L’investissement dans les nouvelles technologies de production d’électricité en veillant à ne rien changer à nos modes de vie et à notre organisation socio-économique consiste à poursuivre le modèle de développement à l’œuvre depuis près de deux siècles. C’est plus confortable politiquement … et nous achemine vers l’impasse en toute bonne conscience.

En général, l’éolien n’a qu’une place instable dans le mixte énergétique belge ou wallon. Une énergie aléatoire suppose des relais rapidement mis en œuvre, comme des centrales hydroélectriques ou des centrales thermiques. En Belgique, le développement des centrales au gaz semble être le corolaire obligé de l’éolien. En d’autres termes, le développement de l’éolien exige le développement conjoint de centrales mobilisant des énergies fossiles et ne constitue pas, en soi, une réponse à la dérive climatique.

Des milliers de personnes en souffrance

La multiplication des parc éoliens massacre les paysages et provoque la souffrance de milliers de personnes. Pour atteindre la rentabilité, les développeurs installent dorénavant des engins de 200 mètres de haut (pâles + mât), soit quatre à six fois plus que les objets déjà existants comme les clochers, les flèches de cathédrale, les pylônes de lignes très haute tension …

De grands voiliers, comme les rapaces, sont tués par les pâles, tandis que les poumons des chauves-souris éclatent sous l’effet de la dépression d’air créée par leur mouvement. Chaque éolienne vide un espace d’environ 1,8 hectare de tout vertébré (oiseaux et mammifères notamment), soit neuf hectares par zone de cinq machines, ce qui est sans incidence majeure dans un champ de maïs ou dans le port d’Anvers par exemple, mais très impactant au-dessus d’une forêt.

Le scandale de l’État complice

Le scandale tient au fait que les gouvernements (et une bonne part des collèges communaux) ont livré le pays aux spéculateurs du vent. Les autorités ne cessent de faire évoluer les règles pour satisfaire le lobby des promoteurs éoliens. Dernier cadeau en Région wallonne : le ministre Di Antonio (CDH) a réussi à contourner le pourtant bien officiel Cadre de référence pour l’implantation d’éoliennes en Région wallonne, approuvé par le Gouvernement wallon en 2013, en octroyant des permis pour la construction de zonings éoliens en zone forestière, sans que les conditions prévues soient remplies. Ou plus en général : que ce soit en Wallonie, à Bruxelles ou en Flandre, les ministres compétents veulent rendre plus difficile les recours contentieux des riverains ou des associations de citoyens.

L’éolien ne fait pas bon ménage avec la démocratie. Les projets d’aérogénérateurs ne font jamais l’objet d’un référendum local et se développent le plus souvent dans la plus grande discrétion – même au niveau communal – pour ne pas alerter les riverains ou les  défenseurs du paysage et du cadre de vie. Ainsi, loin de défendre la population, les Régions et pas mal de communes font le jeu des spéculateurs internationaux du vent contre l’intérêt des citoyens.

Pas toutes les communes, bien sûr. Il y en a où les autorités locales se joignent aux riverains pour défendre ensemble les intérêts des citoyens menacés. Mais il y en a hélas également beaucoup d’autres, prenons pour exemple Lierneux en Haute Ardenne, où le collège et le conseil communaux sacrifient une partie de la population et de l’environnement, aveuglés qu’ils sont par l’avarice, l’ignorance et les mythes que leur font avaler les promoteurs professionnels sur l’énergie durable et le profit escompté à court terme.

L’énergie entre les mains du capitalisme international

L’installation d’un zoning éolien se joue en plusieurs phases. Dans un premier temps, un développeur d’éoliennes contacte les maires ou les conseils communaux et leur vante les bénéfices financiers à attendre d’une implantation. En cas d’accord, il monte le dossier, fait faire les études d’incidences prescrites (par des bureaux spécialisés qui ont tout intérêt à délivrer un rapport positif, afin d’obtenir d’autres ordres), contribue à l’enquête publique, défend le projet au niveau administratif et au Conseil d’État. Coût de l’opération : difficile à estimer, mais les chiffres avancés varient entre 200.000 euros par éolienne et environ 1 million d’euros pour un zoning.

En 2015 le magazine MO* a calculé le coût d’une seule éolienne. Le prix d’une turbine de 2300 kilowatt reviendrait à 2,46 millions d’euros. Mais l’achat de cette éolienne ne constituerait qu’environ 77% de l’investissement total. Il faut y ajouter les frais de raccordement, les ouvrages voisins (chemins d’accès, fondations, …) et les coûts opérationnels (entretien, coûts généraux d’exploitation, location des terrains, …).

Enfin l’énergie produite par les éoliennes est vendue au distributeurs d’électricité. Mais comme les coûts de production éolienne sont supérieurs aux prix de marché d’électricité, l’État,  c’est-à-dire les contribuables, complète la somme que reçoivent les producteurs éoliens pour qu’ils puissent quand-même faire du profit.

Tous les acteurs gagnent, sauf le consommateur. Le développement de l’éolien industriel est d’abord une affaire de gros sous : la principale motivation n’est pas de produire des kW-heures mais des euros dans un cadre sans risque puisque garanti par l’État.

Pour une transition énergétique intelligente

Une transition énergétique intelligente suppose le courage de fixer comme objectif central la réduction de la consommation d’énergie, quelle qu’en soit la source, et de définir une stratégie au service de cet objectif : interdiction du chauffage électrique, limitation des éclairages nocturnes, réduction des déplacements imposés en voiture par une interdiction de construire des zones d’activités près des échangeurs routiers et de grandes surfaces commerciales en périphérie de ville, terminaison du système fiscal des voitures de société, isolation des bâtiments, interdiction de construire des bâtiments énergivores … À chaque région, un mixte énergétique conforme à son tempérament. Les aérogénérateurs n’ont pas leur place dans les espaces naturels, les montagnes et les forêts, ni dans le champ de visibilité de nos monuments. En général, on aura besoin  de culture plutôt que de croissance : garder et cultiver le niveau acquis d’enseignement, de santé, de sécurité, de l’état de droit, … sans pour autant produire et consommer toujours plus, plus, plus.

 

Merci, Antoine Waechter

 

Atlantische oversteek

In 1939, aan het einde van de Spaanse burgeroorlog, werden ruim 20.000 republikeinen afgemaakt tijdens de zogenaamde operaciones de castigo y de limpieza (straf- en zuiveringsoperaties). Meer nog stierven er in de concentratiekampen, de gevangenissen en de werkkampen van het Franco-regime. Duizenden gevangenen uit de burgeroorlog eindigden in Duitse kampen. Van het half miljoen vluchtelingen die in enkele weken tijd de Pyreneeën waren overgestoken stierven er veel in de Franse interneringskampen. Vluchtelingen die de Franse overheid voor ‘gevaarlijk’ hield, werden overgebracht naar het Algerijnse kamp van Djelfa. In het algemeen verliep de repressie door het Franco-regime volgens het model dat de Generalísimo en zijn trawanten eerder in Noord-Afrika hadden uitgewerkt. Voor hen was er weinig verschil tussen het Spaanse proletariaat en de Marokkanen: allebei een inferieur ras, dat je met meedogenloos geweld moest onderwerpen. De Engelse historicus Paul Preston spreekt van een Spaanse holocaust.

Voeg daarbij de algemene toestand van extreme ellende na de oorlog: het gemiddelde inkomen per hoofd daalde op een bepaald ogenblik tot onder de laagste niveaus uit de negentiende eeuw. Niet moeilijk om te begrijpen dat niet alleen politieke opposanten probeerden weg te komen, maar ook tallozen die de vlucht namen voor de werkloosheid en de honger. De Spaanse overheid probeerde de emigratie zoveel mogelijk tegen te gaan, onder meer met allerlei bureaucratische maatregelen. Voor velen die de Atlantische oceaan wilden oversteken naar het beloofde land van Amerika, werd de tocht ofwel onbetaalbaar, ofwel legaal onmogelijk. Getuigen die het allemaal zelf hebben meegemaakt zijn er steeds minder, maar er is onderzoek en literatuur over te vinden, bijvoorbeeld over de clandestiene migratie vanuit de Canarische eilanden naar Venezuela in de jaren 1940 en 1950.

Tot de eerste decennia van de twintigste eeuw was de emigratie – legaal en illegaal – van canarios naar Amerika bijna een traditie. Die werd onderbroken tijdens de Republiek, maar kwam weer volop op gang na de (burger)oorlog, en dan vooral naar een land in volle ontwikkeling: Venezuela. Nacht na nacht scheepten clandestiene migranten in op scheepjes, ofwel gecharterd door mensen die politiek vervolgd werden, of anders voor veel geld ter beschikking gesteld door wie een kans op winst zag. De ‘politieke’ overtochten waren over het algemeen beter georganiseerd en minder duur; men betaalde wat men kon (soms alleen proviand of een geit), en men waakte ervoor de boot niet te overladen en zo mogelijk een minimum aan veiligheid te garanderen. De speculanten daarentegen eisten grote bedragen – waarvoor de emigranten zich vaak in de schulden moesten steken bij vrienden en familie –, en overlaadden de boten, die vaak alleen maar een geïmproviseerde bemanning hadden van migranten zelf.

De scheepjes waren overwegend vissersboten of kleine coasters, die konden gemist worden door de lokale eigenaars omdat zij toch in slechte staat waren, weinig navigatie-instrumenten hadden, en een motor die het niet noodzakelijk de hele overtocht zou uithouden (was het niet vanwege onherstelbare technische mankementen,  dan wel door gebrek aan brandstof). Het enige wat de opvarenden dan nog voortdreef, waren de passaatwinden, die vanaf de Canarische eilanden altijd naar het westen waaien. Wie zonder brandstof uit de koers van de passaatwinden geraakte, liep het risico om gewoon te blijven dobberen, terwijl intussen wel de voorraden en het water op geraakten. Als alles goed ging, en het scheepje niet aanspoelde op de kusten van Senegal, Guyana of Brazilië, kon men Venezuela bereiken in vijfentwintig tot dertig dagen, maar veel vaker werden het er veertig, zestig, of nog meer. Van grote lijnschepen was meestal geen hulp te verwachten; soms werd er wat voedsel en water over boord gezet, of gaf men aan welke koers aan te houden om Venezuela te bereiken.

Wie uiteindelijk zijn bestemming haalde kwam terecht in een staat die zich voortdurend heen en weer bewoog tussen militaire dictatuur en korte perioden van democratie. Het was dan ook altijd afwachten hoe de ontvangst zou zijn. Het eerste scheepje dat na de oorlog Venezuela haalde, de Mariuchi, had een groep anti-franquisten aan boord. Zij werden met enige welwillendheid ontvangen door de sociaaldemocratische regering van Rómulo Gallegos, die geen diplomatieke banden onderhield met Spanje en de vluchtelingen registreerde en verblijfsdocumenten bezorgde. Maar na de staatsgreep van 1948 kwam een militaire junta aan het bewind; die knoopte weer banden aan met het Franco-regime en beschouwde de immigranten als “ongewensten, delinquenten, communisten en piraten”.

Men verhinderde de bootjes om de havens binnen te varen, of ze werden weer naar volle zee gesleept. De migranten reageerden door hun scheepjes te laten zinken of tegen de rotsen te laten lopen of anderszins te doen stranden, zodat de autoriteiten gedwongen werden hen aan land te nemen. Daar werden zij dan echter gearresteerd en getransporteerd naar de kampen voor dwangarbeid op eilandjes als Gualsina of Orchila. Later werden zij gewoon opgesloten in gevangenissen of in kampen op het vasteland; in ieder geval iets minder erg dan de tropische hel op de eilandjes. (Ik bezocht ooit les îles du Salut voor de kust van Frans-Guyana, waar zich vanaf 1852 een Franse strafkolonie bevond – ik kan mij wat voorstellen bij die tropische strafkampen.) Uiteraard leefden de gevangen migranten in de angst om teruggestuurd te worden, maar vaak werden zij na enkele maanden gewoon los gelaten en verdwenen zij in de natuur en probeerden zij weer de kost te verdienen en een leven op te bouwen. Eind 1952 maakte het Franco-regime de emigratie vanuit Spanje een stuk makkelijker: grote groepen Spanjaarden kwamen nu legaal aan in Venezuela.

En nu, sinds een jaar of vijf, vluchten Venezolanen weer weg uit dat land: naar Spanje, naar Colombia, naar Curaçao. Vluchten is van alle tijden.

Deze tekst is gebaseerd op Francesca Lazzarato, Barche fantasma attraverso l’Atlantico

 

 

Eolienne citoyenne

Il est triste de devoir constater qu’ à un moment où des citoyens s’engagent avec leurs ultimes moyens pour sauvegarder leur environnement, des organisations soi-disant citoyennes et écologiques les encerclent déjà comme des vautours, afin de pouvoir attaquer du moment que leur résistance ait échoué.

Prenons par exemple la coopérative Courant d’Air (SCRL FS avec siège social à Butgenbach/Elsenborn). Le ministre wallon de l’environnement et de l’aménagement du territoire, Di Antonio, voudrait que des organisations citoyennes soient impliquées dans la gestion de centrales éoliennes. Ah oui, évidemment; vu que dans le monde entier des riverains s’opposent à la destruction de leur environnement, il faut trouver des complices à première vue fiables qui veulent donner l’illusion que la population approuve et même profite de ces projets industriels. C’est le rôle que joue Courant d’Air dans huit projets éoliens en Wallonie. Et cette société à finalité sociale n’a pas de scrupules dans ce jeu. Regardons un peu son Rapport d’activités 2016.

En mars 2016 Courant d’Air a signé une convention avec Electrabel pour les droits de construction et d’exploitation d’une des six éoliennes prévues à Trois-Ponts. Pourtant, il était déjà clair en ce moment qu’une centrale éolienne à l’endroit prévu, en zone forestière, serait en infraction du Cadre de référence 2013. Ce Cadre de référence est le document du gouvernement wallon qui contient « des orientations propres à encadrer l’implantation des éoliennes d’une puissance supérieure à 100 kW* en Wallonie ». Or, ce texte stipule que des éoliennes ne peuvent être implantées en zone forestière qu’à condition qu’elles soient établies « en continuité d’un parc existant ou d’un projet de parc situé en dehors de la zone forestière ». Ceci ne serait clairement pas le cas à Trois-Ponts. En fait, Electrabel a admis que l’on devrait attendre un précédent ailleurs (c.à.d. à Lierneux), où le Conseil d’Etat devrait d’abord accepter cette dérogation du Cadre de référence, pour pouvoir persister à Trois-Ponts. Une dérogation du Cadre de référence à Lierneux signifierait donc un précédent qui mettrait une fin à la protection des forêts contre l’implantation de centrales éoliennes. Adieu forêts ardennaises.

Tout cela pourtant ne gêne pas Courant d’Air. Non seulement la coopérative « assume 1/6 des coûts de développement et prend ainsi sur elle le risque du développement », elle s’engage également « à faire le travail de communication nécessaire pour rallier les citoyens et les administrations au projet ». Beau travail de mercenaire au profit d’Electrabel.

Courant d’Air a essayé de répéter ce truc avec EDF Luminus et la commune de Lierneux pour le projet éolien à Lambiester. Selon le compromis convenu avec Luminus, Courant d’Air « recevrait entre 1 et 1,5 éoliennes », variant selon un accord encore à conclure avec la commune. Là, quelque chose a cloché (en 2016) ; le collège de Lierneux ne voudrait pas s’impliquer dans plus d’une seule éolienne. Néanmoins, « Comme mentionné dans l’introduction, le projet se trouve au Conseil de l’Etat (sic). Courant d’Air essayera à nouveau au moment opportun de rallier la commune à sa proposition ».

Ce qui ne cesse de surprendre dans tout cela est l’acharnement avec lequel compagnies énergétiques, administrations régionales et locales, et sociétés coopératives continuent à essayer de faire avaler à une partie de la population des initiatives industrielles et polluantes qui constituent une menace pure et simple pour leur environnement et leur bien-être général.