Ethisch eten

Stel, je wil lekker en gezond eten, met respect voor de producenten ervan (de mensen, maar ook de planten en de dieren), en je wil dat het allemaal op een beetje duurzame wijze tot bij jou komt en ook nog eens de lokale gemeenschap versterkt. Bio dus? Of eerder lokale productie op de boerenmarkt of een Buurderij van Boeren & Buren? Maar ben je zeker dat dat een beetje schoon en eerlijk geproduceerd is? Dan toch maar naar de bio-supermarkt?  Of juist zo veel mogelijk de grote ketens mijden, en gaan voor de lokale middenstand, als die er nog is? Maar ja, de lokale middenstand, is dat is niet allemaal rechts-liberaal, terwijl de supermarkten nu juist een plek vormen waar laaggeschoolden nog een (deeltijd) baan kunnen vinden? En wat als jouw lekkere bio-tomaten de vrucht zijn van slavenarbeid van Afrikaanse migranten in Zuid-Italië? Of als de koteletjes, die jouw lokale producent verkoopt naast de ‘eerlijke’ producten uit haar eigen bedrijf, gewoon in een vrachtwagen zijn aangevoerd vanuit een industriële varkenshouderij in Tsjechië? En de bio-bananen uit Gran Canaria kosten haast drie keer zoveel als de ‘duurzame’ bananen die geïmporteerd worden uit god-weet-welk Zuid-Amerikaans land. Niet simpel allemaal.

Een recent voorbeeld van hoe moeilijk die idealen of criteria te combineren zijn, vind je in Frankrijk. Sinds kort mogen producenten van bio-groenten en fruit in verwarmde kassen hun producten niet meer op de markt brengen in de periode van 21 december tot 30 april. Daarmee volgt de overheid de filosofie dat de bio-productie van groenten en fruit in wezen seizoensgebonden is, en dat industriële productie ingaat tegen de geest daarvan.  Bovendien zou een kilo tomaten uit een verwarmde serre zeven keer zoveel broeikasgassen (CO2) produceren als een kilo Franse seizoenstomaten, en nog altijd vier keer zoveel als een kilo die ingevoerd wordt uit Spanje. Tegenstanders van de maatregel wijzen er op dat de consumenten toch ook in de winter tomaten zullen willen, en dat sowieso 70% van de komkommers, 69% van de courgettes en 78% van de tomaten op Franse schappen uit het buitenland komt. “In plaats van 78% zal dan 90% van de tomaten uit het buitenland komen.”

De Franse maatregel lijkt een beetje een slag in de lucht. De etikettering van bio is een Europese materie, maar de lidstaten kunnen wel beslissingen nemen inzake de productievoorwaarden. Maar dan nog. De beperking van de verkoop uit verwarmde kassen in Frankrijk belet niet dat in de winter nog steeds oververpakte groenten en fruit met een biostempel per vliegtuig aangevoerd worden uit Zuid-Amerika en Afrika. Ook in België gaat men er voorlopig van uit dat het voor het milieu slechter is groenten en fruit te kopen die buiten het seizoen hier in verwarmde serres worden geteeld, dan Europese import uit ‘natuurlijk’ producerende gebieden. De ecologische impact daarvan, via de import met vrachtwagens, zou nog altijd vijf tot twintig keer minder zijn dan die van kasproductie – maar dat geldt dus niet noodzakelijk voor de boontjes en kiwi’s die vanuit andere continenten worden ingevoerd.

Informatie, zowel over de kwaliteit als over de herkomst van de producten is dus cruciaal. Daar mangelt het nog wel eens aan, ook in de bio-supermarkten. (Een positieve uitzondering was Terrasana/Anthonissen in Antwerpen, maar dat pand is door een bouwpromotor gesloopt en de zaak is verdwenen, lijkt het.) Hoe dan ook zijn de omzetten van de bio-supermarkten te groot om alleen met lokale producenten te kunnen werken. Bovendien spelen ook daar weer de uitbuitingsmechanismen om de inkoopprijzen zo laag mogelijk te houden. Dus wanneer kwaliteit en herkomst niet op de verpakking vermeld staan, weet je vaak niet waar je bio-vlees, kaas, groenten of fruit vandaan komen. Het is maar bij toeval dat ik ontdekte dat het lamsgehakt bij Bioplanet uit Schotland kwam.

Lokaal niet-industrieel geproduceerde bio, te koop zo dicht mogelijk bij de producent (de ‘korte keten’), dat lijkt dus ideaal. In de Ardense plattelandsgemeente waar ik een aantal jaren gewoond heb, was er zo’n circuit, waarbij je vrij goed kon weten wat je kocht. Binnen een redelijke straal had je minstens drie biologische tuinders, enkele bio-zuivelfabrikanten, wat echte bakkers, een biologische voedingszaak en enkele veehouders die op niet-industriële wijze koeien, geiten en schapen hielden. Bij allemaal kon je à la ferme je inkopen doen, maar je kon ze ook treffen op het wekelijkse marktje in Vielsalm. De slager in Trois-Ponts gaf van al zijn producten aan wie ze geproduceerd had, plus het ras van varken of koe, en zelfs de lokale Delhaize hadden een redelijke bio-afdeling en duidelijke herkomstvermelding van wild en kazen. Het enige restaurant in Lierneux noemde van alle gebruikte producten de (lokale) producent.

In een beetje stad is het soms wel mogelijk enkele middenstanders te vinden die eerlijk en duurzaam geproduceerde voedingswaren aanbieden. Brussel is geen probleem, en bijvoorbeeld Oostende lijkt mij, op de schaal die die stad heeft, ook wel voorzien. Maar waar ik nu woon, in een peri-urbane zone in het noorden van het land, is het lastiger. Hier moet je kiezen. Ga je (met de auto) naar de Bioplanet (van Colruyt) om goed en bio-gecertificeerd spul te kopen waarvan je niet weet waar het vandaan komt? Word je deelnemer aan een ‘plukboerderij’? Of ga je naar de wekelijkse buurderij waar een klein aantal lokale producenten een klein aantal eigen producten verkoopt? Maar ook daar stelt zich dan het probleem van herkomst en schaal.

Neem nu Hollebeekhoeve, een producent van de allerlekkerste zuivel. Vijftig jaar geleden ontdekte ik de melk en boter van Hollebeekhoeve in zowat de eerste ‘natuurvoedingswinkel’ in Antwerpen, een zakdoek groot, op de hoek van Wolstraat en Coppenolstraat. Nooit eerder zo’n lekkere melk gedronken, verpakt in plastic zakken van een liter – altijd een heel gedoe om van zo’n lubberende zak een punt af te knippen en de inhoud dan zonder al te veel morsen in een fles te krijgen. Maar kijk vandaag naar de website van het bedrijf: Hollebeekhoeve heeft 1100 melkkoeien en verwerkt per jaar zo’n 11 miljoen liter melk. Dan ben je vermoedelijk ver weg van de gezonde koe die ‘natuurlijk’ in de wei staat te grazen; in het ergste geval is deze lekkere zuivel afkomstig van permanent mishandelde industriekoeien, zoals die in 2015 te zien waren in de gruwelijke Zembla-reportage De topsporters van de melkindustrie.

Brol

Het lijkt erop dat de Bastard Art Gruppe zichzelf weer tot leven gewekt heeft, na een rustperiode van bijna twee jaar. In ieder geval ontving ik zopas een (wens?)kaart met de hoopgevende boodschap voor 2020

ZONDER KUNSTENAARS MINDER BROL – without artists less junk

Toevallig was ik net ‘Technique du coup du monde’ aan het lezen, een bijdrage van Alexander Trocchi aan internationale situationniste numéro 8 van januari 1963. Trocchi is de auteur van romans als Young Adam (1954, ook verfilmd) en Cain’s Book (1960), en van het redelijk apocriefe Volume V van de ‘schandaalkroniek’ My Life and Loves van Frank Harris uit de jaren 1920.

Een coup du monde is een ‘wereldgreep’, naar analogie met coup d’état, staatsgreep. Geheel in de lijn van de Internationale situationniste pleit Trocchi voor een kunst die samenvalt met het echte leven, een doelstelling die maar bereikt kan worden doordat de hele wereld zich bevrijdt van de controlesystemen van de spektakelmaatschappij. Die maken immers dat mensen materieel en mentaal slechts bezig zijn met overleven, in plaats van met werkelijk te leven en al hun capaciteiten te ontwikkelen. Geen staatsgreep dus, maar een wereldomwenteling.

Van kunstenaars en kunst heeft men hiervoor volgens Trocchi voorlopig niets te verwachten. Ik vertaal een fragment uit zijn artikel.

“Sinds een aantal jaren nu betreuren de beste kunstenaars en grote geesten zich over de kloof die is ontstaan tussen de kunst en het leven. Die zelfde mensen waren over het algemeen opstandig in hun jeugd, maar toen zij zowat een rijpere leeftijd bereikten, heeft het ‘succes’ hen onschadelijk gemaakt. Het individu heeft geen macht. Dat is onvermijdelijk. En de kunstenaar voelt zijn onmacht sterk aan. Men doet hem falen, hij is verdoemd. Zoals in het werk van Kafka, doordringt dit verschrikkelijke gevoel van vervreemding zijn oeuvre. Zeker,  Dada heeft aan het einde van de eerste wereldoorlog de meest compromisloze aanval ingezet tegen de conventionele cultuur. Maar de gewone defensiemechanismen traden snel in werking; de producten van de ‘anti-kunst’ werden met een mooi ceremonieel ingekaderd en opgehangen naast de ‘School van Athene’. Dada werd gecastreerd en ingelijfd en was weldra veilig begraven in de geschiedenishandboeken, net zoals eender welke andere artistieke school. Waar het om gaat is dat, hoewel Tristan Tzara et alii wel terecht de kanker van het politieke bedrijf konden aanklagen en de schijnwerpers van de satire konden richten op de weg te vegen hypocrisie, zij geen oplossing hebben voorgesteld om de bestaande maatschappelijke orde creatief te vervangen. Wat zouden wij gedaan hebben nadat wij de Mona Lisa een snor hebben geschilderd? Zouden wij werkelijk gewenst hebben dat Genghis Khan het Louvre gebruikte als paardenstal? En wat daarna?”

Die snor, dat is Duchamp natuurlijk, maar Genghis Khan en het Louvre, die snap ik ook niet. In ieder geval, waar het de Internationale situationniste om ging, is dat kunst die gemaakt is om verkocht te worden, flauwekul is; de kunst is om van het dagelijks leven een kunst te maken.

1000 meters

Here’s another ‘green’ one who would like to flood (‘volplempen’) the earth with wind turbines (see also Over duurzaamheid en actie). Boris Palmer is a member of the German party Bündnis 90/Die Grünen and Oberbürgermeister of the city of Tübingen in Baden-Württemberg. Unlike many other green politicians, this one openly declares that his main aim nowadays is the saving of the wind industry. What’s at stake?

The German (federal) government would like to impose a distance of at least 1000 meters between wind turbines and residential areas. This distance should be maintained quite rigidly. In the taz Palmer declares that a spacing of a thousand meters would eliminate about half of the possible sites for wind generators. Due to the widespread resistance of the population against the siting of any more wind energy production zones, construction firms are said to have lost up to 75% of building orders, compared to two years ago. So Palmer’s glad that at least in one other German Land the government is aware of the “drama” that the wind industry “is very short of an exit”. To really save this industry however, awareness is not enough, immediate drastic action is required, he says. Boris Palmer has a plan.

The federal government should provide new building orders for the wind generator companies to be able to bridge the actual dip in construction jobs. As long as there are no new and final decisions about new sites, these turbines should be stocked on the factory grounds. Then later, when and where the Grünen will rule, the implanting of the machines could start immediately. In the meantime, the Länder should create their own planning agencies to handle the “much too complicated procedures” for the approval of construction sites. These agencies should have the task of providing yearly a certain amount of appropriate locations – read: of circumventing or overruling local resistance and (judicial) procedures, a tactic very common indeed to many other countries where the population resists further degradation of their living environment. The Bundesverband Windenergie recently demanded the identification of two percent of the surface of each Bundesland for the construction of wind generator zones.

Boris Palmer is known as a green ‘realist’. This year he published a book, called Erst die Fakten, dann die Moral – Warum Politik mit der Wirklichkeit beginnen muss (‘First the facts, then morality – Why politics have to start from reality’), which is briefly mentioned in the Konkret issue of December 2019. There it reads that his focus on practical solutions for ‘reality’ inevitably leads to the acceptance of given situations and mental dispositions – not getting over them, but making them more tolerable. When it comes to fugitives, in 2017 he states that “we can’t help them all”, he has no problems with woods being cut down for industrial areas, with trees falling for wind generators, with monkeys being used in animal experiments, and neither with breathing fine dust and nitrogen oxide, since the economy and science need growth, that’s how they can function.

The interesting thing now is that Palmer seems to be vaguely aware of one of the paradoxes of the Energiewende that he so resolutely promotes within the premises of growth and progress – although he stops at thinking it through. In the beginning of the taz-interview he refers to the federal government subsidizing the buying of electric cars, “which will cause us to need much more electricity than we produce nowadays”. All right. But what if you aimed at reducing the number of cars, wouldn’t that help?  There’s a saying Endless growth is the logic of cancer cells. Tumours proliferate until they have killed the organism and in so doing destroyed themselves. The logic of capitalism is endless expansion and this logic is built upon credit. Growth must be financed through the expansion of money supply and the creation of new demand. But then again, to pay this credit further growth is necessary. An eternal treadmill. If you want  to solve the ‘problems of reality’ within the dictates of reality, you stay within the logic of capitalism. If you stay within he logic of capitalism, you stay within he logic of growth. If you stay within the logic of growth, you will forever be confronted with the problems of reality. And even the wind generator industry can’t stay a growing market forever – there are even physical limits to its possible expansion in populated regions.

O, is it that simple? No, of course not. Recently I read somewhere that Egypt is one of the most energy consuming countries of northern Africa. She would need an annual economic growth of 7% to be able to produce the energy required to provide basic things such as housing and food to her impoverished population – assuming of course that those in power would want to do that.  Seven percent growth in Egypt? Why not a global fair distribution of wealth instead? No, that would imply a transfer of wealth from the Western world to North Africa, and thus a relative slowing of wealth accumulation within western societies.

Do you need all this wealth accumulation around you? Take the example of the proliferation in Belgium of supermarkets. Right into the remotest corners of the kingdom, chains such as Aldi, Lidl, Carrefour, Albert Heyn, Colruyt, Delhaize, Alvo or Jumbo enter competition with one another with only one argument: cheap, cheaper, cheapest. Who profits from this growth? Not the staff – for them also the mantra is cheap, cheaper, cheapest: temporary or part-time contracts, ‘zero hour contracts’, students that are summoned via WhatsApp (the first one to react will have the assignment for the next day). Neither the producers and suppliers: everybody knows now about the human costs, here and in other continents, of this hunt for cheap food and household items. And yet, with the opening of a new Jumbo in the small municipality of Pelt for instance, the local retail market there will be saturated to more than two hundred percent. Those who stand to gain from this proliferation are not the consumers, but first of all the owners, super-rich families like the Schwarz (Lidl) and Albrecht (Aldi), or Colruyt and Delhaize.

How to get out of this? Dirk Bezemer in De Groene Amsterdammer talks about ‘repairing’ capitalism. But top-down policies, such as the Paris Climate Agreement or the European Green Deal won’t work as long as authorities serve the interests of banks, gas- and oil producers, industrial farming, etc. And the bottom-up repair through diminishing meat consumption, solar panels on the roof, investing in ‘green’ initiatives, local shopping … hits the limits of the habituation to comfort, consumption and seemingly endless possibilities.

OK, so let’s stay home tonight, and not take the car to drive to Brussels to go dining and attend a concert for which the artists came flying in from Canada (I first thought of Senegal or Bangladesh, but artists from countries like these don’t get a visa). We’ll spend the evening at home on the couch, munching locally grown carrots and drinking organic beer, and binge-watching whatever hyped series there is. German energy company Eon suggests that in 2018 video streaming has used worldwide as much electricity as Poland, Italy and Germany together: 200 billion kilowatt-hours. The assumption is somewhat dubious, due to a lack of hard figures, but certainly there is a so-called rebound-effect when it comes to digitalisation and IT-services. Electronic devices do need less and less energy  and so become more ecological. But at the same time, more and more people use these relatively cheap devices for increasingly more activities.

This all leads to a double paradox. Neoliberals who strive for continuous growth have exploited populations and governments to such a degree that these cannot guarantee growth any longer; and those who strive for an Energiewende throw themselves into alternatives that require growth and further destruction of living environments.

Mille mètres

Début octobre le gouvernement allemand publia son nouveau programme de protection du climat, le Klimaschutzprogramm 2030. On s’imagine le contenu : augmentation de la production d’énergie renouvelable (par éoliennes et panneaux solaires) ; renforcement des investissements dans des ‘gaz verts’ ; hausse des prix du diesel, de l’essence, du gaz naturel et du gasoil ; taxes sur les émissions de CO2 dans les secteurs du trafic et du bâtiment.

Ce qui est intéressant par contre est la reformulation de la règle des mille mètres de distance entre une éolienne et des habitations. Le texte stipule que désormais les éoliennes devront garder 1.000 mètres de distance avec des localités et villages et des « structures villageoises avec une habitation significative ». Au début, on doutait encore sur la signification de cette formule, mais maintenant le ministère des Affaires Économiques a soulevé un coin du voile. Le code de la construction (Baugesetzbuch) considèrerait désormais comme « structure villageoise » toute structure cohérente de plus de cinq habitations. En plus, la règle des mille mètres ne prendrait non seulement en compte les maisons existantes, mais également les chantiers futurs. Il n’y aurait pas d’exceptions pour des zones éoliennes existantes ; on ne pourra pas remplacer les éoliennes usées, si elles se trouvent dans ce périmètre de mille mètres autour d’un lotissement ou un noyau d’habitations.

Les promoteurs éoliens et leurs complices craignent que ces plans ne facilitent le refus de certaines communes à désigner des terrains pour des zones éoliennes. Mais dans certains cas, la réaction ressemble un peu la panique. Des « études » prouveraient que le maintien d’une distance de 1.000 mètres entre des habitations et des éoliennes réduirait l’espace disponible pour des turbines de 20 à 50 pourcent. Un autre promoteur déclara que la règle des mille mètres « mettrait pratiquement à l’arrêt l’extension de l’énergie éolienne ». Le ministère lui-même déclara par la suite qu’en effet, si la distance de 1.000 mètres ne s’appliquait non seulement à des villages mais également à des habitations dispersées, cela réduirait la superficie disponible pour des éoliennes d’environ 40 pourcent. Le ministère de l’Environnement a déclaré qu’il s’opposera contre le nouveau code de la construction.

(Enercon est un des plus grands constructeurs allemands d’éoliennes. L’entreprise vient d’annoncer la suppression de 3.000 postes. Les raisons principales selon le fabricant : la longue durée des procédures, le manque de superficie disponible et le grand nombre de complaintes citoyennes.)

Over duurzaamheid en actie

“Die energietransitie komt er wel. Desnoods plempen we de hele Noordzee vol met windmolens.” Zo citeert De groene Amsterdammer van 11 juli 2019 ene Kees Vendrik, vermoedelijk de GroenLinks-politicus en ‘hoofdeconoom’ bij Triodos Bank. Kan je een nog ethischer of meer milieubewust type vinden? Hoewel. Alleen al de term ‘volplempen’ getuigt van zijn dédain voor de zee, biodiversiteit en het landschap (niet voor niets tegelijk gemeen goed en publiek recht). Bij de Ambassade van de Noordzee zullen zij wel even de wenkbrauwen gefronst hebben.

Uit de context van het artikel blijkt dat Kees Vendrik zich blijkbaar een doel gesteld heeft, namelijk veel elektriciteit opwekken zonder  tegelijk CO2 te produceren. Daarbij wordt ook verwezen naar het Nederlandse Klimaatakkoord, dat hetzelfde nastreeft, en er toe zou leiden dat er in de komende tien jaar in Nederland zevenhonderd windturbines bij komen op zee, vijfhonderd op het land, en ook nog eens 75 miljoen extra zonnepanelen op het land. Vendrik doet mij wat denken aan Carlo Di Antonio, de vorige Waalse minister van Leefmilieu, die à la Jean-Marie Pfaff op de kraag van zijn hemd het logo voerde van Engie Electrabel, en op zijn manchetten dat van EDF Luminus.

Ik ga even kort naar Michel Foucault. Ik vond namelijk onlangs Ervaring en waarheid terug, de vertaling van een aantal gesprekken die hij in 1979 voerde met de Italiaanse publicist Ducio Trombadori. Dertig jaar na de eerste lezing vond ik het nog steeds een alleraardigst boekje. In zijn terugblik op twee decennia intellectuele arbeid zegt Foucault: “Mijn rol bestaat erin de problemen effectief te stellen, met een maximum aan complexiteit en moeilijkheid, zodat een oplossing niet zomaar in het hoofd van een hervormer of zelfs in het brein van een politieke partij opborrelt. De problemen die ik aan de orde stel zijn complex: de misdaad, de waanzin, de sexualiteit, ze raken het dagelijks leven en er is geen gemakkelijke oplossing voor. Jaren, tientallen jaren werken zijn nodig, aan de basis, met de direct betrokkenen, om hun het recht van spreken en het recht op een politieke verbeelding terug te geven. Alleen dan is misschien vernieuwing mogelijk van een toestand, die in de termen waarin ze vandaag wordt gesteld, slechts tot uitzichtloze impasses kan leiden. Ik bedank ervoor wetten te maken. Eerder ben ik erop uit problemen af te bakenen, ze in beweging te zetten en ze in al hun complexiteit te laten zien, zodat profeten en wetgevers de mond wordt gesnoerd: al degenen die voor en boven de anderen spreken. [-] Het doel is dus stukje bij beetje iets uit te werken, wijzigingen in gang te zetten die, al bieden ze geen uitzicht op oplossingen voor een probleem, althans de wijze waarop het gesteld wordt veranderen.” En ook zei Foucault dat hij wilde “de mechanismen begrijpen waardoor heerschappij daadwerkelijk wordt uitgeoefend; dat doe ik opdat zij die in bepaalde machtsrelaties gevangen en verwikkeld zijn, daaraan door hun acties, hun verzet en rebellie kunnen ontsnappen, opdat ze die relaties kunnen omvormen en er niet langer aan onderworpen zijn.”

Het probleem dat zich achter de uitspraak van Vendrik in al zijn complexiteit ontvouwt, is dat van een duurzame toekomst. Maar nadenken over de termen waarin vandaag dat probleem gesteld wordt, lijkt aan hem niet besteed. Blijkbaar is duurzaamheid gewoon een correctie of een aanvulling op de huidige dominante denkpatronen van groei en kortetermijnwinst. Ja, als je zo denkt, kan je inderdaad zevenhonderd windturbines in zee zetten, en daarmee de zakken vullen van de aandeelhouders van Siemens, Vesta, Electrabel, Eneco, EDF, en al die andere bedrijven die ineens ‘groen’ zijn geworden.

Wil je werkelijk duurzaamheid aan de orde stellen met een maximum aan complexiteit en moeilijkheid, dan  vereist dat inzicht in of op zijn minst reflectie over een aantal aartslastige problemen. Ik stip er enkele kort aan.

  1. Er bestaat vandaag grote overeenstemming, lijkt het, over het feit dat vanwege de ideologie van voortdurende groei de aarde in snel tempo onleefbaar wordt. De mensheid is als het ware de tak aan het afzagen waarop zij zelf zit. Het heeft geen zin hierbij verwijtend te kijken naar het verleden, naar het ontstaan van de moderniteit en van het kapitalisme. Dat waren in bepaalde delen van de wereld logische ontwikkelingen, die veel goeds gebracht hebben, en waarbij niemand toen kon denken dat de premissen van die ontwikkelingen ooit ter discussie zouden staan. De mens was simpelweg de heerser van de wereld, de wereld was aan hem ondergeschikt.

    Maar nu: einde aan de groei, terug naar meer soberheid, naar een leven en een samenleving waarin natuur, technologie en mens een harmonisch geheel vormen? Het streven naar harmonie is in de politiek nooit zo’n gelukkig doel geweest. Bovendien, je hebt wel makkelijk praten, hier in het rijke Westen. Die wereldbevolking die maar blijft toenemen, en die zich vooral in de ontwikkelende landen steeds meer concentreert in megasteden, wat is daar allemaal niet voor nodig om die te huisvesten, te voeden, van energie te voorzien? Bijvoorbeeld: wie had er ooit gedacht dat zand, ja zand, een schaarse grondstof zou worden? En dan gaat het in de eerste plaats nog wel om zeezand. Dat wordt namelijk gebruikt om beton te maken. Woestijnzand is veel te rond om zich te binden met het cement in beton.  Zo komt het dat een woestijnstaat als Dubai zand moet importeren om de kunstmatige eilanden en de immense wolkenkrabbers die daarop verschijnen te kunnen bouwen. Dat is overigens nog niets vergeleken met China. Die staat zou in d’r eentje 58% van het wereldwijd gewonnen zand gebruiken voor de bouw van woningen en kantoren. Volgens Le Figaro staan er in China 85 miljoen woningen leeg, maar floreert de bouwnijverheid als nooit tevoren.

    Het schetst het dilemma van de groei zoals die nu georganiseerd is. Ga je miljarden mensen ontzeggen wat je zelf hebt – bijvoorbeeld een woning – omdat zij daarbij de aarde en de zeeën en de lucht vernietigen? En hoe ga je voorkomen dat die vernietiging, als zij toch plaats vindt, zelfs niet ten goede komt van de mensen die een woning nodig hebben? En als je niet wil dat Indonesië, Vietnam en Maleisië hun zeeën uitgraven, met alle ecologische en economische gevolgen voor de kustbewoners, hoe ga je dan voldoende woningen bouwen voor de miljoenenbevolking van de nieuwe megasteden?

    Zou je er dan niet in de eerste plaats moeten over waken dat mensen een goed en zinvol leven kunnen leiden op plekken en in omstandigheden die niet een massale vernietiging van de omliggende wereld vereisen? En dat het kwaliteitsvolle leven dat je hier in het Westen nastreeft, niet ten koste gaat van anderen, die ver weg wonen? Hoe duurzaam zijn de alternatieve technologieën die nu gepromoot worden om ‘het klimaat te redden’ en de wereld zoals je ze kent in stand te houden? (Tussen haakjes, de biodiversiteit, die je nu wil verdedigen, is tot stand gekomen als gevolg van afwisselende ijstijden en perioden van  klimaatopwarming, waarbij fauna en flora iedere keer teloor gingen en als het ware opnieuw van nul begonnen.)

    Mijn vorige woning, op het platteland, was een groot huis van meer dan honderd jaar oud, slecht geïsoleerd, met een verwarmingsketel op stookolie en een houtkachel. Ongetwijfeld niet ideaal vanuit ecologisch oogpunt, maar de vaat deden wij met de hand, de was droogde buiten in de zon en de wind, en als dat nodig was, zette ik het keukenraam op een kier bij het koken. Nu woon ik in een state-of-the-art appartement, de ventilatie moet permanent draaien, de vloerverwarming mag je niet uitschakelen, de vaatwasmachine is standaard ingebouwd, net als de dampkap boven de inductieplaat, en om de was te drogen heb je een droogtrommel. Waar komt al de elektriciteit vandaan die daarvoor nodig is? Die moet toch ergens geproduceerd worden, net als de stroom voor die elektrische steps en andere vervoermiddelen, die de vervuilende auto’s uit het verkeer zouden verdrijven ? Worden er in de Ardennen geen wouden gekapt om windturbinezones aan te leggen? Wat denk je dat het volplempen van de Noordzee met windturbines doet voor de visserij en de biodiversiteit onder water?

    Ecofundamentalisten en klimaatfanatici (en zij die nu meesurfen op de klimaatgolf) weten best dat hun energietransitie slachtoffers maakt, en niet alleen in de landen die volop in ontwikkeling zijn, en waar grote bedrijven goedkoop nieuwe energiebronnen aanboren ten koste van de plaatselijke bevolking. Worden er in Marokko geen landbouwers en herders verdreven om enorme velden zonnepanelen te bouwen? Maar ook in de westerse wereld, waar hogere milieunormen steeds moeilijker haalbaar worden voor wie het niet breed heeft (denk aan de initiële aanleiding voor de opstand van de gilets jaunes op het Franse platteland: de verhoging van de benzineprijs – niet iedereen kan zich een elektrische auto veroorloven), maken de ‘redders van het klimaat’ hun slachtoffers. Klimaatvluchtelingen komen nu net zo goed uit de Drentse Veenkoloniën en de Ardennen. Klimaatverandering is inderdaad een zaak van winnaars en verliezers. Ik heb het al eerder gehad over het dédain waarmee de ‘winnaars’ zeggen: wij moeten nu vooruit, de schade die dat bij anderen veroorzaakt zullen wij later wel eens bekijken. Duurzaamheid is echt wel meer dan CO2-uitstoot beperken.

  2. Als je dan toch zelf wat wil doen aan het bevorderen van een duurzame samenleving èn het verminderen van de productie van CO2: Think global, act local. Lokale productie, korte keten: goed voor producent, consument en milieu. Wat je hebt meegemaakt de afgelopen decennia is de triomf van de globalisering, de hele wereld binnen handbereik voor de kosmopolitische toerist. Nu pas krijgt die toerist de ware kostprijs van zijn/haar goedkope vlucht onder de neus geduwd. Nu blijkt ook dat de economische voordelen van die globalisering wel heel ongelijk verdeeld zijn. Slavernij is niet verdwenen, zo blijkt nog steeds uit diverse reportages; het (goedkope) comfort van het Westen is de vrucht van de slavenarbeid in de tomatenpluk in Zuid-Italië en Spanje, in de mijnbouw in Brazilië, in de textielindustrie in Bangladesh, Vietnam, Bulgarije en Roemenië (en zeker ook in België en Nederland), in de sexindustrie, en noem maar op.

    Nadat de media en het onderwijs je jarenlang bestookt hebben met de voordelen en kansen van open markten en vrijhandel, is er nu een tegenbeweging van protectionisme. Men beseft dat multinationals en inheemse leiders decennia lang lokale samenlevingen en economische systemen ontwricht hebben ter wille van de goedkope productie van basisgoederen (zoals voedsel) voor de westerse markt, van waar de overschotten van diezelfde goederen dan terug geëxporteerd werden naar de landen van herkomst. Het verzet tegen internationale vrijhandelsakkoorden als CETA en TTIP en nu Mercosur heeft niet alleen te maken met milieu- of gezondheidsoverwegingen, maar ook met bescherming van de eigen lokale economie en levenskwaliteit. Protectionisme is voor velen nog steeds een vies woord, maar tegenover het ongebreidelde economische globalisme is er nood aan een doordacht altermondialisme. Niemand wil tenslotte ook een einde aan de Erasmusuitwisselingen.

    Maar er zit een valstrik onder dat verzet tegen rabiate globalisering. In 2016 zei de Britse ex-premier Theresa May: “If you believe you’re a citizen of the world, you’re a citizen of nowhere”. Niet alleen zijn de economische baten van de globalisering ongelijk verdeeld, zij heeft ook geleid tot een nieuwe, onevenwichtige verdeling van identiteiten. Zowat overal ter wereld zijn plekken waar de reactie op de globalisering niet leidt tot een kosmopolitische cultuur of een vorm van ‘andere mondialisering’, maar tot een puur en simpelweg teruggrijpen naar een primair stamverband op basis van een mythisch verleden. Politici en media creëren beelden van ‘het volk’ en zijn vijanden, en sluiten hele samenlevingen op in nationalisme en xenofobie. Zij schetsen een toekomst van de ineenstorting van sociale systemen door de migratie van miljoenen mensen, zij teren op de onzekerheid en angst die zijzelf creëren. Dat is ook een vorm van protectionisme die slachtoffers maakt, zowel aan de grenzen van de ‘natie’ als daarbinnen.

    Dat oproepen van angst is trouwens niet eigen aan reactionaire populisten. Ook de huidige klimaatbeweging teert op angst voor naderende catastrofes. Het is altijd minstens vijf voor twaalf. De angst waar spijbelende pubers en hun aanhang zich op beroepen wanneer zij het klimaat willen redden, verschilt niet wezenlijk van de angst van andere bevolkingsgroepen voor de ‘omvolking’ die hen wordt voorgehouden. Angst essen Seele auf zei Ali in de film van Rainer Werner Fassbinder, maar de uitdrukking is wereldwijd: la peur dévore l’âme, fear eats the soul.

  3. Al jaren is er sprake van een crisis van de liberale democratie die de uitdrukking is van de belangen van het kapitalisme in zijn actuele vorm. De namen die men aan die crisis geeft –de ‘kloof’ tussen de burger en de politiek, of de teloorgang van de gevestigde partijen, of de opstand tegen de elite en de opkomst van het populisme – dekken eigenlijk allemaal een falen van de politieke representatie van een op hol geslagen kapitalisme, dat de naam ‘neoliberalisme’ heeft gekregen. Verzet tegen die falende representatie van het neoliberalisme zal je niet vinden in pogingen om de sociaal- of christendemocratie nieuw leven in te blazen, en al evenmin bij traditionele ‘groene’ partijen of nationaalpopulisten. Geen van deze varianten stelt de fundamenten van het hedendaagse kapitalisme in vraag: rendementsdenken en macht gebaseerd op eigendom – en dus een economie van uitbuiting (van mensen, van de aarde, van dieren, zeeën, lucht en geest) en de permanente creatie en instandhouding van schrijnende ongelijkheid en onderwerping.

    Neem nu bijvoorbeeld Botswana, een vrij jonge staat (1966) die grenst aan Zuid-Afrika. Op de mooie site Africa is a country staat een bespreking van het boek van antropologe Julie Livingston, Self-Devouring Growth: A Planetary Parable from Southern Africa. Botswana is in zuidelijk Afrika een soort model van een stabiele staat met een redelijke sociale zekerheid en een voortdurende economische groei. Eén klein vlekje op die reputatie: Botswana staat derde in de Afrikaanse gini-index, de statistische maatstaf om de ongelijke verdeling van inkomen en vermogen aan te geven. Livingston beschrijft hoe drie ‘routes’ uit de traditionele lokale Tswana-cultuur een moderne kapitalistische invulling hebben gekregen. Regen maken werd water- en gezondheidsbeleid, vee werd de vleesindustrie, en reizen werd transport. Die nieuwe invulling van traditionele waarden heeft er toe geleid dat rendement en groei belangrijker zijn geworden dan de sociale en morele component van waterbeheer, vee en reizen, en dat de ongelijke verdeling van rijkdommen (resources) is toegenomen, eerder dan afgenomen. ‘Regen maken’ bijvoorbeeld was traditioneel gebaseerd op collectieve afspraken en zorgvuldige omgang met sociale verhoudingen. “Where once there was public healing, in which people attempted to merge rain and social relationships in a dynamic moral economy, now we have public health, in which rain is a necessary calculable element of people management.”

    Livingston ziet ook wel in dat Botswana mee moet in een wereldwijd systeem van groei en rendement, en zij vraagt zich af of je in die context nog zou kunnen kiezen voor een beleid waarin ‘ontwikkeling’ niet noodzakelijk staat voor meer groei en rendement, maar eerder voor duurzame en gedeelde voorspoed, ontwikkeling van het gemeengoed en minder maatschappelijke ongelijkheid.

    Wat kwam dat hele Botswana hier nou doen? Ik vond het een mooi voorbeeld om aan te geven dat de relatie tussen het kapitalistische groei- en rendementsdenken en de toename van maatschappelijke ongelijkheid een probleem is waar men zich ook terdege van bewust is op plaatsen die niet meteen in je opkomen. Je zou wel kunnen denken: dit zijn ideale omstandigheden voor een analyse in termen van Herrschaft en Knechtschaft, een dialectisch proces waarin de heerser afhankelijk is zowel van de materiële productie van de knecht en als van de erkenning door diezelfde knecht van zijn Herrschaft – wat de knecht dan weer de mogelijkheid biedt om op termijn de rollen om te draaien en zelf heerser te worden, enzovoort. Dat dat niet gebeurt heeft misschien te maken met het feit dat zowel de rollen van heerser als van knecht ondefinieerbaar zijn geworden, fluïde, niet te grijpen, dat machtsuitoefening niet meer lokaliseerbaar is, maar permanent in beweging, verspringend, en geïnternaliseerd.

    Ligt het werkelijke verzet dan bij de alternatieve leef- en productievormen? Bij de deeleconomie, de windenergiecoöperatieven, de co-housing, de korte keten van biologische productie en het leven & werken in zelfbeheer? Voor zover dit soort initiatieven niet kan zonder overheidssubsidies, zullen zij het kapitalistische rendementssysteem niet uithollen. Ook staan wij nog zeer ver af van het geïntegreerde federalisme dat oude anarchisten als Mikhail Bakoenin zich voorstelden: een combinatie van territoriale subsidiariteit en functionele decentralisatie. Autonome territoriale gemeenschappen (gemeenten, wijken, …) vormen samen provincies, die zich aaneensluiten in federaties, die samen dan weer steeds uitgebreider verbanden vormen. Tegelijk vormen (groepen) mensen, desnoods over territoriale begrenzingen heen, functionele samenwerkingsverbanden, om collectieve belangen te behartigen die de mogelijkheden van kleinere groepen overstijgen (openbaar vervoer, postbedeling, industrie, onderwijs, gezondheidszorg, …). Zo ontstaan als het ware rasters van verticale en horizontale samenwerkingsverbanden van autonome organisaties, bestuurd door zij die er deel van uitmaken.

    De politieke uitdaging ligt hier bij de groeiende irrelevantie van geografische afstand. In een periode waarin tijd geen vereiste meer is om ruimte te overbruggen, waarin de mobiliteit van mensen, informatie, waren, diensten en kapitaal geografische grenzen vrijwel irrelevant maakt, zeker wanneer het gaat om milieu en klimaat, in die periode komen solidariteit en de eerlijke verdeling van schaarse goederen (wat het wezen is van politiek) zwaar op de helling te staan. De solidariteit gebaseerd op ruimtelijke ordening moet dan vervangen worden door een solidariteit en politiek die uitgaan van (tijdelijke) belangencoalities en -verbanden.

    Dat betekent niet dat die alternatieve leef- en productiewijzen niet zinvol zijn, hoe beperkt en lokaal ze ook mogen wezen. Het is belangrijk om te laten zien dat je ook op een respectvolle wijze om kan gaan met het leven, de natuur, de aarde en andere mensen; niet het politieke of economische resultaat is dan op de eerste plaats belangrijk, maar de kracht van het voorbeeld, het tonen dat ook wat anders mogelijk is dan angstig jammeren of slaan.

volplempen 2

Zowel de uitspraak van Kees Vendrik als de vertogen en praktijken van duurzame alternatieven roepen – elk op hun manier – een klassiek actor-structuur-dilemma op. Dat ga ik nu even toelichten. Het is verstandig om, als je een invloed wil hebben op hoe de wereld eruitziet, ervan uit te gaan dat een samenleving bestaat uit mensen die een wil hebben, sterker nog, uit personen die in staat zijn tot onafhankelijke en vrije keuzen om de realiteit vorm te geven. Vroeger en in een andere context sprak je dan over een soeverein subject. Maar in de tweede helft van de twintigste eeuw is de ontkenning van de mens als soeverein handelend subject een centraal thema geworden in de continentale filosofie. De skepsis tegenover het subject is echter al veel ouder. Vooral Marx, Nietzsche en Freud worden beschouwd als de grondleggers van wat men ‘anti-humanisme’ is gaan noemen. Deze ontwikkeling bereikte vanaf de jaren 1970 misschien wel een hoogtepunt in het werk van Jean Baudrillard. Zijn beschrijving van de wereld schenkt alleen nog aandacht aan de ‘duizelingwekkende’, ‘extatische’ proliferatie van objecten en tekens, die constant mensen verleiden door verlangens bij hen op te wekken. Ook voor zover er sprake zou kunnen zijn van verhoudingen tussen mensen, vallen die volgens Baudrillard in een object-sfeer van verleiding en verlangen. Doet dit niet denken aan de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen die sindsdien algemeen als ‘neoliberalisme’ bekend zijn?

De theorie van Baudrillard heeft de aantrekkingskracht van het onontkoombare (en gaat zijn werk niet zelf juist over die fatale verleiding door het spektakel van de catastrofe?), maar ook het dubieuze van het nihilisme. Inderdaad, wanneer je elke menselijke betrokkenheid in de ontwikkeling van het sociale of de geschiedenis (en overigens ook die begrippen zelf) ontkent, blijft er dan wat anders over dan een serie zinloze of betekenisloze gebeurtenissen? Kunnen mensen dan wat anders dan zich zo blind mogelijk overgeven aan de verleidingen van de objecten? In 1988 noemde cultuurfilosoof René Boomkens de ‘volgelingen’ van Baudrillard nog “de onsamenhangende resten van een uitgesproken teleurgestelde generatie linkse, revolutionaire intellectuelen”. Vandaag lijkt het of diens illusieloze beschrijving van de werkelijkheid in West-Europa haar historische hoogtepunt heeft bereikt.

Anderzijds, je kan niet om de vaststelling heen dat mensen streven naar sociale verandering, dat mensen, tegen welke prijs dan ook, zich inzetten voor wat zij beschouwen als een lotsverbetering van henzelf en hun naasten. Dat betekent niet dat maatschappelijke actie in de brede zin niet ook te maken heeft met de verleiding door pijn, ellende, afzien, opoffering en de fatale catastrofe, maar wel dat voor een aantal mensen de oude Bakoenin gelijk had: ik kan pas vrij zijn als ook de anderen vrij zijn – al was het maar omdat hun erkenning van mijn vrijheid alleen waarde heeft als zij die in vrijheid geven. Maar die menselijke actie kent haar grenzen. Het natuurlijke en maatschappelijke universum waarin mensen zich bewegen wordt getransformeerd door hun acties, en door die acties transformeren zij ook zichzelf. Mensen construeren dagelijks hun samenleving en hun leefwereld (inbegrepen alle levende en niet-levende wezens), maar dat doen zij niet onder voorwaarden en in termen die zij zelf gekozen hebben. Dat zijn de structuren die denken en handelen beperken. De filosofe Kate Soper zei het ooit mooi zo: “People are conscious agents whose political options could be other than they are, and whose actions have real impact upon their conditions of existence. But these conditions are not themselves freely chosen.”

Niet alleen zijn die voorwaarden niet vrij gekozen, wat mogelijk (denkbaar) is wordt bepaald door structuren en processen waar het handelend subject maar heel indirect op inwerkt. Structuren beperken niet alleen, zij maken ook denken en actie mogelijk. Als denken zich uitdrukt in taal, zal dat in eerste instantie toch zijn in de taal die je gegeven is, met alle beperkingen en mogelijkheden die daarin vervat zijn. Menselijke actie schept structuren, en die structuren maken menselijke actie mogelijk. Je hoeft het subject als motor van een geschiedenis niet af te schrijven, maar het is zinnig de begrippen subject, motor en geschiedenis in hun samenhang te zien als processen die elkaar vormen en beïnvloeden, als bundels mogelijkheden, als kruispunten of open ruimten, waar alles kan gebeuren, en zeker datgene wat niet gewenst was.

Als de rol van mensen in het maken van geschiedenis zo moeilijk vatten is, hoe kan je dan nog sociale actie legitimeren? Sterker nog, als geschiedenis niet louter een zaak is van mensen (cultuur), maar ook van natuur, technologie, dingen, hybriden en quasi-objecten – zoals Bruno Latour beweert – hoe kan de mens dan zijn ingrepen rechtvaardigen? Als ook objecten handelingsbekwaamheid (agency) vertonen, en de maatschappij een levend organisme is dat voortdurend van samenstelling en vorm verandert, een voortdurend proces van onbepaalde, fragiele, controversiële en voortdurende wisselende verbindingen, als de waarheid niet meer ligt in het wezen of de orde der dingen, en als ook de mens geen telos meer heeft, maar slechts bestaat uit ‘stromen van verlangens’, hoe ga je dan de juistheid of rechtvaardigheid van sociale actie beoordelen?

Als je deze redenering doorzet, ligt de theoretische legitimering voor het zoeken naar rechtvaardigheid niet meer in een ontologisch gefundeerde waarheid, zelfs niet in een waarheid die het product is van machtspraktijken, maar in het besluit open te staan voor die stromen van potenties die de mens, de natuur, de technologie en alle mogelijke mengvormen samenstellen. Rechtvaardigheid hangt in die zin samen met vrijheid, met de vrijheid om open te staan voor die complexiteit. Vanuit een erkenning van complexiteit is waarheid dan de zekerheid dat er iets zal gebeuren, niet de kennis van wat er zal gebeuren.

In die zin pleit de Italiaanse filosofe Brunella Antomarini  ervoor dat we leren ‘denken met vergissingen’. We kunnen enkel de waarschijnlijkheid bepalen van toekomstige ontwikkelingen. De consequentie is dat men zonder het leggen van lineaire verbanden verliest aan zekerheid. Tegelijkertijd wint men echter aan greep op de complexiteit van de werkelijkheid: “Als wij onszelf onzeker houden, is dat paradoxaal genoeg omdat wij een grotere empirische precisie willen bereiken dan een sterke leidraad ons zou kunnen bieden. Het is waarschijnlijker dat een leidraad ons op de verkeerde weg brengt, omdat die uitgaat van een object dat volkomen beheersbaar is”. Men moet volgens Antomarini daarom altijd de ‘schaduw van de vergissing’ aanwezig houden en er niet vanuit gaan dat men het bij het rechte eind heeft. Juist de onzekerheid over een bepaald probleem heeft ervoor gezorgd dat men over dat probleem nadenkt. Wanneer men vervolgens een oplossing probeert te zoeken, mag men die onzekerheid niet negeren.

En zo ben je weer terug dicht bij Foucault en zijn opvatting over omgaan met problemen in al hun complexiteit. En ver van die Kees Vendrik met zijn volplempen van de Noordzee. Zonde eigenlijk, dat ik zo’n type zoveel aandacht geschonken heb.

(Als dit stuk je aansprak, kan je in de kolom rechts een e-mailadres ingeven en op ‘suivre’ drukken; dan krijg je een bericht wanneer ik wat nieuws post.)

 

 

 

Zelf slachten

Terwijl iedereen al jaren wordt aangeraden minder vlees te eten vanwege de nefaste ecologische gevolgen van grootschalige veeteelt, zegt een prof aan de faculteit Diergeneeskunde van de ULiège: “Herkauwers zijn een meevaller voor onze planeet. Zij eten plantaardige eiwitten van lage kwaliteit en zetten die om in melk, vlees, wol, leer … en in mest. Die helpt om de bodem vruchtbaarder te maken, grondwatervoorraden in stand te houden en erosie en overstromingen tegen te gaan.” Het moet gezegd: de man is wel bestuurder van de nieuwe veehouderscoöperatie En direct de mon élévage.

Als je de Luikse gemeente Trois-Ponts uitrijdt richting Basse-Bodeux, zie je bijna aan het eind van het dorp aan de linkerkant van de baan een bakstenen pand, niet veel groter dan een doorsnee woonhuis, met het verweerde opschrift Abattoir. Dat was het gemeentelijke slachthuis, zoals wel meer gemeenten dat vroeger hadden. De toename aan richtlijnen en verplichte voorzorgen, samen met de drang naar schaalvergroting en goedkopere prijzen in de vleesindustrie hebben de laatste jaren veel van die kleine slachthuizen doen sluiten. Ook de kleine rundveehouders kunnen niet optornen tegen de giganten van het goedkope vlees. Niet dat overigens de gezondheidsvoorschriften en de industrialisering van de vleesproductie per definitie tot veiliger en beter voedsel hebben geleid. De vleesschandalen van de afgelopen jaren tonen aan dat er soms behoorlijk geknoeid wordt in de sector.

Nu heeft in het zuiden van België weer een aantal boeren een coöperatie opgericht om zoveel mogelijk de controle over hun werk te behouden en om de keten tussen producent en consument zo kort mogelijk te maken. (De eigenlijke producent van het vlees is de koe natuurlijk, maar goed.) En direct de mon élévage (‘rechtstreeks vanuit mijn veehouderij’) is de niet erg swingende naam van de vereniging – maar hij dekt wel de lading. Een negentigtal rundveehouders hebben zich verenigd om samen in Perwez (Brabant wallon) een hal uit te baten voor het versnijden van hun dieren. Het vlees leveren zij dan zelf aan slagers en enkele supermarkten, en steeds meer gaat op de boerderij zelf in de rechtstreekse verkoop aan de consument. Het doden van de dieren vindt voorlopig nog plaats in vijf lokale slachthuizen, maar de coöperatie hoopt op korte termijn een eigen abattoir te vinden.

Bij de betrokken boeren zijn er die bio Limousin telen of kwaliteitsrassen als Salers, Angus en Blonde de Gallice, maar ook veehouders met het meestal kapotgefokte blanc bleu belge (BBB). Het aardige is wel dat alle coöperanten dezelfde voedselrichtlijnen moeten volgen: gebruik van lokale voedergewassen (gras, maïs, …), bietenpulp of lijnzaadkoeken, aangevuld met vitamine E en selenium (als antioxidant).

Interessant is dat, naast het streven van En direct de mon élévage om een eigen slachthuis te hebben, men in Wallonië ook serieus overweegt groot vee op de boerderij te laten slachten, of zelfs te laten afschieten in de wei. Op 27 februari 2019 nam het Waalse parlement unaniem een resolutie aan waarin de Waalse regering gevraagd wordt uit te zoeken wat een mobiele slachteenheid zou kosten en stappen te zetten bij de nationale regering om een wettelijk kader voor thuisslacht uit te werken. Daarnaast kijken boeren en natuurorganisaties nog steeds met veel belangstelling naar experimenten in bijvoorbeeld Zwitserland en Duitsland, waarbij runderen in de wei afgeschoten worden.

Ik weet nog steeds niet goed wat ik moet denken van de manier waarop Nature et Progrès Belgique drie jaar geleden het thema onder woorden bracht: “Pour procurer une mort dénuée de stress à leurs animaux et produire une viande de très haute qualité nutritionnelle et gustative, des éleveurs choisissent d’abattre leurs animaux dans leur environnement familier, en prairie et au milieu de leurs congénères.” Misschien heeft de koe in kwestie inderdaad niet te lijden onder stress, omdat zij bij verrassing gepakt wordt, maar het lijkt mij dat Bella of Mieke plots afgeschoten zien worden toch wel enige stress zal veroorzaken bij hun collega’s in de wei.

In België is thuisslacht niet toegelaten, behalve in noodgevallen of voor eigen consumptie (en dan nog alleen voor varkens, schapen en geiten), of voor ‘gekweekt wild’; runderen moeten altijd naar een erkend slachthuis. Tot het gekweekt wild behoren o.m. hertachtigen (reeën), loopvogels (struisvogels) en bizons. Die kunnen op hun verblijfplaats geslacht worden, met name indien men ze niet kan vervoeren vanwege de risico’s voor de behandelaars of vanwege het welzijn van de dieren zelf.

In Zwitserland en in Duitsland werden aan enkele boeren vergunningen verleend om hun runderen in de wei neer te schieten, mits zij – de koeien – onmiddellijk (binnen de minuut) verbloeden en vervolgens meteen naar een slachthuis worden gebracht voor de versnijding. Men schiet de dieren vanuit een soort jagersuitkijkpost neer en voert ze af met een speciale takelwagen. Met name voor bijvoorbeeld Highland en Salers, prachtige runderen met grote horens, die het hele jaar door in de wei staan, zou dit een oplossing kunnen zijn. Voor hen is de stress van vervoer naar het slachthuis uiteraard enorm. Bovendien worden zij meestal gedood op de parking, aangezien de gangen naar de slachtplek binnen niet breed genoeg voor ze zijn.

 

Eerder schreef ik over hetzelfde thema goed vlees.

 

Un monde sans frontières

Un des thèmes sur lesquels est construit ce site s’appelle a better life – une meilleure vie. Mais, comme tient à le préciser le philosophe africain Achille Mbembe, nous avons hérité d’une histoire dans laquelle il paraît normal que la meilleure vie des uns soit le fruit du sacrifice constant de celle d’autres. Un instrument crucial dans ce mécanisme de bénéfices et pertes, de mieux et pire, est la redistribution de la terre – non seulement dans un sens concret, mais aussi comme concept : l’attribution et la reconnaissance de la terre où l’on pourra vivre sa vie.

En effet, si les uns croient pouvoir rendre leur monde plus sûr et sauf en éliminant tout risque, ambiguïté ou incertitude et en s’enfermant une bonne fois pour toutes dans une identité fixe, leurs politiques envers les autres n’envisagent pas seulement le contrôle des corps de ceux-ci, mais aussi bien de leurs mouvements, leur mobilité.  Les politiques actuelles de libre échange et de contrôle des migrations acceptent bien le principe de libre circulation. Libre circulation de capital, libre circulation de marchandises ou de services … oh oui ! mais la libre circulation de personnes est restreinte à celles originaires des états économiquement riches.  

La production d’images et de récits catastrophiques sur des futurs apocalyptiques tourne à plein régime, que ce soit sur les terrains de la migration ou du climat – pour autant que les deux ne soient pas liés. Dans ce contexte le principe de libre circulation est considéré simultanément comme une manifestation de liberté et comme une menace à l’ordre – l’ordre étant l’organisation de rapports de propriété inégaux et la manifestation de suprématie culturelle. Ce n’est d’ailleurs même pas le principe en-soi de la libre circulation des personnes qui est conçu comme une menace à l’ordre public, mais plutôt la circulation incontrôlable de personnes présumées inassimilables. Et c’est exactement là que l’aspect « racial » et la situation économique et sociale se renforcent. (Rappelez-vous comment le Japon, qui fut dès le début en 1920 membre permanent du conseil de la Société des Nations, après quelques années devint de plus en plus agressif dans la région et enfin se retira de l’organisation en 1933 par frustration de ne pas être reconnu parmi les pouvoirs coloniaux « blancs » comme la France ou la Grande Bretagne.)

Une part de la circulation est donc perçue comme manifestation de liberté (la circulation de capital, de marchandises, de services, et de personnes issues de l’ordre établi), une autre part est considérée comme dangereuse (la circulation des personnes extérieures à cet ordre). Ce que l’on essaie de faire alors, est gérer et contrôler la mobilité et la circulation des personnes étrangères en renforçant les frontières – géographiques, politiques, physiques, mais également celles imaginaires, narratives, mentales – qui sont érigées pour défendre la meilleure vie des uns en sacrifiant celle des autres.

Pourtant, le concept même de frontière implique qu’elle puisse être franchie. Une frontière que l’on ne pourrait pas franchir serait une limite ou une fin ou un terminus. En paraphrasant une farceuse que l’on préférerait oublier : Une frontière a toujours pour fonction d’être traversée. A tel point même que l’idée d’un monde sans frontières est de tous les temps. Utopique ? Certainement, l’idée même d’utopie fait référence à un lieu sans frontières, sans localisation exacte, sans détermination précise. L’imagination peut avoir ses limites, mais elle est sans frontières.

En tout cas, s’il y a un facteur qui a contribué au changement et à la transformation du monde, c’est bien la mobilité, la circulation de gens et la traversée de frontières. Historiquement l’échange à longue distance de contacts, de récits et de personnes a toujours été crucial à la production d’ expressions culturelles, de modèles politiques, de développements sociaux ou économiques. La mobilité, peut-être plus encore que la lutte des classes, a toujours été le moteur de l’histoire. (Negri et Hardt ont, dans Empire, magistralement combiné les deux dans leur analyse politique du monde contemporain.)

Réseaux et carrefours. Vous me direz que de nos jours il n’est plus nécessaire que les gens communiquent et se rencontrent physiquement. Tout le monde peut rester à sa place et capter ou informer le reste du monde. Oui, mais le monde est plus qu’un conglomérat de lignes et de points virtuels. C’est la mobilité qui produit la conscience d’espace-temps, nécessaire pour tout développement social.  Une meilleure vie ne peut être basé sur l’accumulation de biens et la peur de l’autre. La panique qui semble dominer aujourd’hui les attitudes politiques et sociales de beaucoup de gens engendre des politiques agoraphobes. Toute politique qui multiplie l’austéritaire par le sécuritaire et l’identitaire creuse en peu plus le fossé entre les démunis et ceux qui croient avoir sauvé leur petit bout de terre. Mais plus tard, quand la distinction sera devenue celle entre victimes et bourreaux, une bonne part de ceux qui se croient saufs maintenant, risquent de se retrouver du côté des perdants.

Ceux et celles qui ne cessent de manifester leur angoisse concernant l’évolution du climat savent déjà que leur problème outrepasse les frontières. Mais il en va de même pour la peur des effets de la mondialisation. Ce dont on a besoin est un imaginaire sans frontières, qui englobe une vision sur la vie humaine et non-humaine, sur le sol et la nature, sur la technologie, l’art et la distribution de richesses matérielles et immatérielles. Oui, le fascisme et le national-socialisme ont été l’expression de la volonté du peuple triomphant, sûr de sa souveraineté et de sa supériorité. Mais dire que ces philosophies du mépris ont apporté un brin de bonheur ou une meilleure vie ?