« Het klimaat redden »

Version française sur http://durieux.eu/content/sauver-le-climat

Dit essay gaat over klimaatacties en taal, over transitie en de woorden die daarvoor gebruikt worden. Het gaat over wat klimaatmanifestanten zeggen, en wat dat betekent. En het gaat over noodzaak van een rechtvaardig klimaatbeleid.

Ik herinner mij een interview van niet zo lang geleden met een Canadees of een Brit, dat ben ik kwijt, die de lof zong van Milaan. Geweldige stad, vond hij, er was maar één groot nadeel aan: dat je niet altijd en overal in het Engels terecht kon. Nee, dan Amsterdam; daar had hij meer dan tien jaar gewoond en gewerkt, zonder dat hij ooit één woord Nederlands had hoeven leren.

Vreemd vind ik dat, iemand die er prat op gaat dat hij ergens meer dan tien jaar geleefd heeft, zonder zelfs maar de moeite te doen om enigszins in de lokale taal te communiceren. Anderzijds, Amsterdam – of voor mijn part, Brussel – is een stad waar mensen van over de hele wereld samen komen: inwoners en nieuwkomers, studenten, internationale ambtenaren, arbeiders en zakenmensen, kortom de menselijke vertegenwoordigers van de globaliseringsprocessen van de afgelopen decennia. Daar is geen evidente band meer tussen de stad en de taal die er gesproken wordt. Sommige steden krijgen bijna in hun geheel het karakter van een non-lieu, een plek zonder kenmerken, een neutraal en smaakloos oord, zoals een luchthaven, een treinstation of een winkelcentrum. Het Engels dat blijkbaar bij die plekken hoort is dan ook geen echt Engels; het is een code voor alle niet-Engelstaligen. Ik herinner mij Erasmus-uitwisselingen waarbij Nederlandse, Duitse, Italiaanse en Spaanse studenten en docenten met elkaar konden communiceren in een soort approximatief Engels dat de Britse deelnemers amper begrepen, terwijl zij zelf voor de anderen vrijwel niet te volgen waren in de radde lokale versie van hun native language.

Ik vraag mij af of het bewuste gebruik van dit soort steenkoolengels een daad is van onbeholpenheid of van zelfbewustzijn. Elke dag, wanneer ik mijn tablet open, word ik geconfronteerd met de slogan In search of incredible. In de krant zag ik dagenlang een auto-advertentie van een halve pagina met de ongetwijfeld wervende tekst We are all made of wild. Is dit geklungel, of juist een uitdrukking van ‘het maakt niet uit dat het alleen maar wat lijkt op Engels, het publiek snapt best wat er bedoeld wordt’? Maar hoe dan ook betekent het dat de lezers van de verder geheel Franstalige krant toegeschreeuwd worden in nep-Engels. (Nou ja, geheel Franstalig? Je vindt er ook koppen als ‘Ces labels qui boostent les produits du terroir’.) Vroeger had je dit een uiting van Angelsaksisch cultuurimperialisme genoemd. Vandaag hoor je vaker dat dit luchthaven- en winkelcentra-Engels de lingua franca is van de geglobaliseerde, kapitalistische wereld. (Ik ben benieuwd wat er op dat vlak gaat gebeuren als binnenkort het wereldwijde kapitalisme niet meer aangestuurd wordt vanuit de VS, maar vanuit China.)

De vraag die je je stelt als je je wil verzetten tegen het vanuit de VS aangestuurde cultuurimperialisme is dan: moet je die voertaal van het wereldwijde kapitalisme afwijzen (zoals Le monde diplomatique probeert te doen), of is het juist subversief om – binnen zekere marges van begrijpelijkheid – een  geheel eigen variant van het Engels te ontwikkelen? De aloude kwestie: bepaalt het medium wat je kan zeggen, of kan je bestaande taal zo plooien en breken dat ze je hoogstpersoonlijke eigen medium wordt? De creolisering van straattalen in de West-Europese steden lijkt op het laatste te wijzen.

Ik moest denken aan dit alles, toen ik weer een serie foto’s zag van scholieren die in België demonstreerden om ‘het klimaat te redden’. In wat voor (meng)taal dan ook, slogans getuigen vaak van een creativiteit waarin moedertaal en wereld-Engels door elkaar gehusseld worden: Arrête de niquer ta merEat pussy, not cows en Eat dick, not microplastic – Phoque le réchauffement climatique  (met tekening van zeehond) – There is no planète B – Change the politics, not the climate – 15 mars 2019 Global Strike for Future. Voor jongeren, die dit soort mengtaal evident vinden, is het begrip cultuurimperialisme waarschijnlijk compleet irrelevant, indien niet totaal onbekend.

In de media die ik zie, kunnen de spijbelende scholieren op veel begrip en sympathie rekenen. De président-directeur général van Walt Disney Company France verklaart zonder een merkbaar spoor van ironie: ‘Et puis, les enfants qui descendent en ce moment dans la rue, j’ai presque envie de les appeler la génération Disneynature‘ (Le Soir, 19 maart 2019). Zelfs een overwegend kritische commentator als Paul Goossens kan het niet laten zijn zaterdagse column in De Standaard zo te besluiten: “De klimaatmarsen en het engagement van zoveel assertief jong volk voor de toekomst van de aarde is het mooiste geschenk dat dit land zich kon dromen. Een unieke hefboom bovendien om een duurzame samenleving voor het nieuwe millennium op te tuigen. Niet alleen in Vlaanderen, België of Europa, maar op de hele planeet. Eindelijk treedt er een generatie aan die ver in de toekomst kan durft te kijken. Die blik moeten we koesteren, omarmen en delen.”

OK, ik wil geen cynische ouwe zeur zijn: het is geweldig dat pubers zich inzetten voor het goede doel. En de kick van het spijbelen, de lol van het samen actie voeren, het genoegen om met je grappige slogans de media te halen, … wat is er mooier dan de combinatie van engagement en plezier? Strijden voor een betere wereld maakt dat je jezelf ook beter voelt.

Maar hoezo, het goede doel, een betere wereld, de planeet redden? Hoe dan? De meeste jongeren die in de media aan het woord komen blijven herhalen dat de hele klimaatbeweging niet politiek is, maar tegelijk willen zij wel dat ‘de politiek’ actie onderneemt en dat er een krachtdadiger klimaatpolitiek komt. Dit ‘apolitieke’ beroep op ‘de politiek’ opent natuurlijk wagenwijd de deuren voor recuperatie door het bedrijfsleven. Als de Belgische regeringen (de politiek) oor hebben voor één groep in de samenleving, dan is het wel voor het bedrijfsleven (apolitiek, naar eigen zeggen). En zij die de regels maken hebben er alle belang bij elk mogelijk conflict te minimaliseren, sterker nog, ondenkbaar te maken. Wil je niet dat je belangen aangevochten worden, ontken dan gewoon dat strijd of conflict een optie is. Het is dus niet te verwonderen dat plots de bedrijfsleiders van een aantal grote ondernemingen (Unilever, Delhaize, Umicore, Proximus, Colruyt, …), samen met mediaholdings en reclamebureaus een eigen ‘apolitiek’ initiatief lanceerden: Sign for my future. Apolitiek, want zij eisen wel steun van de staat voor hun ‘transitie’, maar tegelijk worden de belangen of de rol van hun bedrijven in de productie van vervuiling niet in vraag gesteld. De Standaard kondigde meteen een drie pagina’s lang interview met de ceo van Unilever Belux aan met het kopje ‘Hoe Unilever de planeet wil redden’. Greenwashing heet dat: je een groen imago aanmeten, zonder wat te doen aan je eigen vervuilende activiteiten of investeringen. Hoe serieus kan je het engagement nemen van de bedrijfsleiding van BNP Paribas Fortis en KBC (met gigantische investeringen in de ontginning van fossiele energiebronnen), JCDecaux (wereldwijde publiciteit voor nog meer consumptie), EDF Luminus (verwoesting van wouden voor de constructie van windturbineterreinen), KPMG (mondiaal adviseur inzake belastingontduiking)?

Hoewel de klimaatmanifestaties dus als niet-politiek worden voorgesteld verwacht men wel dat ‘de overheid’ (en dat zijn er alleen al in België nogal wat) of ‘de politiek’ oplossingen aandraagt. « En attendant que la classe politique se bouge … Nous sortirons de nos classes » . De politieke klasse moet in beweging komen – om wat te doen? Wat altijd terugkeert in de media-optredens van de jonge demonstranten is: ze zijn bang. Bang van wat? Bang voor wat? Dat is niet altijd duidelijk. Bang dat bij een stijgende zeespiegel het water over de dijken slaat? Bang dat door de toenemende en langdurige droogte de bossen en hun biodiversiteit verdwijnen? Bang dat orkanen, verwoestijning en hongersnood nog meer mensen op de vlucht zullen drijven naar Europa?

Als dat het is wat angst oproept, dan gaat het niet om ‘natuurlijke’ fenomenen, maar om het resultaat van politiek handelen. De keuzes die je moet maken (als individu, burger of overheid), zowel om de uitstoot van broeikasgassen radicaal te verminderen, als om de impact van klimaatverandering onder controle te houden, zijn politieke beslissingen. Een benadering die de politieke aspecten van het probleem verdoezelt, versterkt de positie van zij die het nu voor het zeggen hebben en verhult de mogelijkheid om systeemveranderingen door te drukken. Neem het voorbeeld van de klimaatvluchtelingen, zij voor wie de gevolgen van klimaatverandering het leven onmogelijk maken. Niet alleen zijn hongersnoden vaak het product van politiek-economische beslissingen (de zwaar gesubsidieerde invoer van Europese voedseloverschotten, die de lokale landbouw onrendabel maakt; de verdrijving van boeren en herders om op hun gronden gigantische zonnepaneelvelden aan te leggen; het afleiden van bronnen en watervoorraden naar afgesloten enclaves van kolonisten; enorme trawlers die op industriële wijze de visbestanden voor de kust leegroven ten nadele van de plaatselijke vissers), een apolitieke benadering verhult ook dat de wereld wel voldoende voedsel produceert voor iedereen, maar dat het zo ongelijk verdeeld wordt dat honderden miljoenen honger lijden. Zelfs de gevolgen van overstromingen of orkanen zijn in belangrijke mate het resultaat van politieke beslissingen (zie de gevolgen van de aardbeving en de  tsunami bij Fukushima, maart 2011; zie de verschillende gevolgen van orkaan Irma in Cuba of in de VS, 2017). De aard en de intensiteit van klimaatverandering wordt weliswaar bepaald door het niveau van CO2 in de atmosfeer, maar de gevolgen daarvan voor de aarde en haar menselijke en niet-menselijke bewoners zijn in belangrijke mate afhankelijk van machtsstructuren en politieke beslissingen. De Europese keuze om vluchtelingen voor de klimaatverandering op te vangen door van de hele Méditerranée een gigantische dodenakker te maken, is daarvan slechts een extreme uiting.

Wat betreft de aanpak van de oorzaken van klimaatverandering, zijn de overheid of ‘de politiek’ slechts de instrumenten, de uitvoerders en facilitators van de verlangens van het bedrijfsleven en zijn aandeelhouders. Dat geldt overigens niet alleen wanneer het gaat om vervuilende sectoren als de autonijverheid, de luchtvaart of de logistieke sector. Een mooi voorbeeld uit Nederland. Een lobby van vastgoedondernemers en autosportfanaten is erin geslaagd het circuit van Zandvoort weer open te stellen voor Formule 1 races. De gemeente wil zelf vier miljoen euro investeren, en verwacht van de provincie en het rijk een zelfde bedrag. Over de verkeersoverlast die de toestroom van toeschouwers zou veroorzaken, zegt de burgemeester: “Ze kunnen ook met de fiets komen.” En net zo goed wanneer het gaat om de industrieën van de hernieuwbare energie, of het nu in Frankrijk, Nederland, Wallonië of Vlaanderen is, rollen overheden overal de rode loper uit voor de promotoren van windenergie – bedrijven als Engie Electrabel of EDF Luminus, dezelfde dus die belangrijke winsten halen in de zo vermaledijde nucleaire sector. Ruime overheidssubsidies, betaald met belastinggeld; vernietiging van natuur, bossen en landschappen (wat had zo’n neergemaaid bos niet kunnen betekenen voor de verwerking van CO2-uitstoot?); administratieve beroepsprocedures die herschreven worden zodat burgers zich amper nog kunnen verzetten tegen de plannen van de energiebedrijven. Natuurlijk is het aan overheden of de politiek om regels vast te leggen en te handhaven tegen de verdere verontreiniging en afbraak van het leefmilieu – zolang het maar geen afbreuk doet aan de winst van de bedrijven en hun aandeelhouders. Die eisen zelfs dat de overheid, dus de belastingbetaler, hun ‘transitie’ financieel ondersteunt (zie de windenergiepromotoren, zie Sign for my future). Met andere woorden, verwachten dat de overheid (‘de politiek’) met concrete en effectieve klimaatplannen komt, betekent niet anders dan vragen of je je belastinggeld mag dragen naar de bedrijven die de ‘transitie’ zien als een winstkans voor hun aandeelhouders, die eerst volop profijt gehaald hebben uit de vernietiging van het leefmilieu.

Bedrijven zouden niet zo’n nefaste invloed kunnen hebben op het klimaat, als er niet consumenten waren die op grote schaal gebruik maken van de vervuilende en vervuilde diensten en goederen die zij aanbieden. Met vervuilend bedoel ik dat de productie van die goederen en diensten, inclusief de afvalverwerking, schadelijke gevolgen heeft voor het leefmilieu, zowel voor mensen, als voor dieren, planten, aarde, zeeën en lucht. Maar consumenten zijn ook verantwoordelijk voor de aanschaf van vervuilde goederen en diensten, producten die de vrucht zijn van de uitbuiting van kinderen, mannen, vrouwen, de vernieling van land en water en habitat in min of meer verre landen. Het recente WWF-rapport over de Belgische bijdrage aan de internationale ontbossing wijst erop dat de Belgische consumptie van vlees, leer, cacao, palmolie, papier en papierpulp, natuurlijk rubber en hout jaarlijks verantwoordelijk is voor de vernietiging van 3,8 miljoen hectare bos, oftewel 1,2 maal de oppervlakte van het land of vijf keer de oppervlakte van de Belgische wouden. Je kan je afvragen wiens toekomst de manifestanten voor het klimaat hopen te vrijwaren: die van de miljoenenbevolking op de oevers van de Mekongrivier die bedreigd wordt door de aanleg van waterkrachtcentrales, of die van een met overstroming bedreigd Polynesisch eiland, of hun eigen toekomst, nu het er op lijkt dat die misschien minder overvloedig en comfortabel zal zijn?

In Nederland, België en Frankrijk zijn er groenen die zeggen dat zij ‘de tegenstelling tussen links en rechts voorbij’ zijn. De bezorgdheid voor ‘het milieu’ moet tegenstellingen tussen arm en rijk, tussen uitbuiter en uitgebuite, kortom sociale strijd, overstijgen. Maar helaas voor hen, al jaren tonen talloze studies aan dat de uitbuiting en verdrijving van lokale bevolkingen, en de vernietiging van hun lokale productiemiddelen directe en indirecte gevolgen hebben voor het wereldwijde leefmilieu. Je hoeft maar te denken aan vissers in Afrika, de sojateelt in Zuid-Amerika, de slums waarin de verpauperde bevolking leeft die in Azië, Afrika, maar ook Oost-Europa de kleding, het speelgoed, de elektronica assembleert waarvoor de westerse consumenten staan te dringen, en niet alleen bij Primark en Action. Kortom, in plaats van alle heil te verwachten van de overheid, zouden klimaatmanifestanten ook eens hun eigen consumptiegedrag bij Ryanair, Albert Heijn of de goedkoopste aanbieder van wat dan ook onder de loep kunnen nemen.

Want de klimaatactivist heeft zeker wel macht – en verantwoordelijkheid – als consument. In die zin ben ik het niet helemaal eens met de Franse journalist Jean-Baptiste Malet. In Solidair zegt hij: “We moeten onszelf geen schuldgevoel aanpraten omdat we een gsm hebben of omdat we kleren dragen die gemaakt zijn door uitgebuite werkkrachten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik voor cynisme pleit of dat ik onverschillig sta tegenover die uitbuiting, integendeel. Maar ik verwerp de burgerlijke houding die ons vertelt dat we “ethisch” moeten kopen om de wereld te veranderen, dat we allemaal individueel correct moeten handelen.

Wanneer een interimarbeider zijn voedingsmiddelen koopt bij een discounter en de goedkoopste kleren draagt, of als jij en ik een gsm of een pc gebruiken om te communiceren of om te werken, dan vind ik niet dat we ons daar schuldig moeten over voelen. Wij moeten ons niet schuldig voelen over de productieverhoudingen van het kapitalisme.

En de reden is eenvoudig: wij hebben niet gekozen voor dat systeem. Het wordt ons opgelegd door de kapitalisten en de politieke klasse die hun belangen dient. Wij hebben geen schuld aan hun wandaden. (…) Deze drang naar deugdzaam consumeren is de eerste stap naar depolitisering van de maatschappij via consumptie.”

Wat niet wil zeggen dat Malet zich zomaar neerlegt bij de situatie. In hetzelfde interview verklaart hij ook: “We moeten ons er niet voor schamen dat we in een verwerpelijke wereld leven. We moeten de macht veroveren en verandering brengen. We moeten eerder diegenen die zich schuldig maken aan uitbuiting met de vinger wijzen, hen aanwijzen, hen benoemen, en zo onze maatschappij en haar geschiedenis verklaren, en de klassenverschillen.”

Maar de macht veroveren en verandering brengen, wat betekent dat? Wat houdt dat in? De macht, dat is niet (meer?) een monolithisch systeem, geconcentreerd op één plek, in één instantie. Het mondiale kapitalisme van vandaag wordt gekenmerkt door de inkapseling van contingentie (onvoorspelbaarheid), diversiteit, mobiliteit en flexibiliteit. Beheersing van dit systeem gebeurt niet noodzakelijk door brute machtsuitoefening en geweld, maar door alomtegenwoordige controle en ideologische beïnvloeding. In een neoliberaal maatschappijsysteem dat de economie depolitiseert, wordt de burger allereerst beschouwd als producent-en-consument, die in die hoedanigheid voortdurend – op school, door levenslang leren, door sociaal beleid, in de media, bij justitie – afgericht moet worden voor zijn/haar rol op de vrije markt.

Als de macht niet meer lokaliseerbaar is, maar diffuus, hoe dan die macht veroveren? Het is een illusie dat via alleen maar de weg van de parlementaire democratie duurzame omkering van sociale machtsverhoudingen of het einde van uitbuiting tot stand kan komen. Revoluties – voor zover al denkbaar in West-Europa – hebben, zo leert de geschiedenis, ook zelden of nooit tot duurzame rechtvaardigheid geleid. En ironisch genoeg, de houding van de hippies uit de jaren 1960 en ‘70, die je tegenwoordig min of meer herkent in ‘alternatieve’ leef- en productievormen aan of in de marge van het kapitalistische systeem biedt al evenmin een toevlucht. Patti Smiths rock ‘n’ roll nigger die zich terugtrekt “outside of society” staat al lang op de T-shirts voor toeristen in Christiania; jaren geleden al hebben we ontdekt dat elke subcultuur, elke identitaire minderheid tot een product kan worden gemaakt dat je op de markt kan brengen. Eenheidsworst verkoopt, maar diversiteit ook.

Als je de culturele hegemonie wil doorbreken (of tenminste doen barsten) van een denksysteem dat er van uitgaat dat ieder voor zichzelf naar maximale winst moet streven, dan moet je in ieder geval al het heersende vertoog op de korrel nemen en proberen te veranderen. De taal – de woorden – die je gebruikt onthult of verhult wat je werkelijk wil zeggen. Wanneer het zich in West-Europa afspeelt, is het bij de gevestigde media van “de politie moest tussenkomen om de rust te herstellen”. Maar wanneer het over Venezuela gaat, “slaan de ordetroepen een demonstratie van burgers neer”. Parler n’est jamais neutre, wist Luce Irigaray al.

Iedereen wil nu ‘het klimaat redden’. Maar het klimaat is niet iets wat gered kan worden. Het klimaat is wat het is, de gemiddelde weerstoestand in een bepaald gebied en over een langere periode (dertig jaar). Dat klimaat kan overwegend koud of warm zijn, droog of vochtig, of desnoods wisselvallig; het klimaat is de beschrijving van een toestand. Wie beweert dat hij of zij het klimaat wil redden, zegt zo maar wat zonder iets duidelijk te maken over verantwoordelijkheden, doelstellingen, strategieën of middelen.

Wie je wel zou kunnen redden, zijn de slachtoffers van het klimaat. Alle elementen voor wie ten gevolge van klimaatveranderingen gevaar dreigt, die zou je ter hulp kunnen komen. Desnoods noem je die elementen ‘klimaatslachtoffers’; het gaat dan zowel om mensen, als om dieren, zeeën, wouden, eilanden. Als je duidelijk maakt wie je wil ‘redden’, dan maak je meteen ook duidelijk wie verantwoordelijk is voor de situatie, wat er gebeurd is en wat er moet gebeuren om die gevaarlijke toestand te verhelpen, en wie de verantwoordelijkheid daarvoor moet opnemen. ‘Het klimaat redden’, daar kan iedereen zich in vinden: scholieren en hun ouders, EDF Luminus en Unilever, alle mogelijke regeringen en eigenaren die hun gronden te gelde willen maken bij promotoren van zonne- of windenergie. Maar als je aangeeft wie je wil redden, en van wat, dan komen er namen in beeld, en verantwoordelijkheden, en praktijken van uitbuiting en vernietiging. Dan moeten zowel bedrijven, als consumenten, burgers en overheden naar zichzelf kijken – en de consequenties dragen. Het is dan dat een ‘rechtvaardige transitie’ ter sprake komt, een sociaal rechtvaardige benadering waarin de bezorgdheid voor het milieu (de overgang naar een klimaatneutrale economie) samengaat met betere levensomstandigheden, op de eerste plaats voor de meest kwetsbare groepen in de samenleving. Of, zoals het in sommige media heet: het einde van de maand en het einde van de wereld met elkaar in evenwicht brengen.

LUnion_10nov2018 web klein

Bovendien, het zijn niet alleen zij die in precaire omstandigheden leven, die de ‘transitie’ dreigen te moeten ondergaan; het wordt tegenwoordig voor de gemakkelijkheid wel eens vergeten, maar de productie van hernieuwbare energie als kern van de mars naar een groene toekomst maakt ook zo zijn eigen nieuwe ‘klimaatslachtoffers’. En dan gaat het niet alleen om de slachtoffers die vallen bij en in de buurt van de ontginning van de grondstoffen – de openluchtmijnen voor de winning van zeldzame aardmetalen – die nodig zijn voor de productie van die ‘schone’ energiebronnen. Met enig cynisme zou je kunnen zeggen dat de Chinese milieuslachtoffers bij de ontginning van neodymium voor windturbines niet anders zijn dan de slachtoffers die in Congo vallen bij de winning van coltan voor de productie van mobiele telefoons. De redders van het klimaat weten best dat de acties die zij voorstaan slachtoffers maken – maar dat zijn zorgen voor later. Over de schade die windturbines op zee veroorzaken (aan fauna en flora, maar ook voor de vissers) zegt Jan Vande Putte van Greenpeace in Médor: « On va trop vite, c’est clair. Mais on ne peut plus attendre pour faire des études car le réchauffement climatique aura, lui, des conséquences bien plus dommageables. On doit avancer et minimiser ensuite ces effets. » Ook iemand uit een totaal andere hoek, fondsenbeheerder Etienne de Callataÿ, vindt in een moment van bezinning toch dat het voorkomen van nieuwe slachtoffers geen prioriteit is: “Comment aider les perdants de la transition? Mais cette réflexion ne doit pas freiner l’adoption des mesures. » (Le Soir, 8/9 december 2018) Waar gehakt wordt, vallen spaanders – zeg dat de redders van het klimaat het gezegd hebben.

Maar goed, alles wat je nu kan doen om klimaatverandering te beheersen, kan helpen om de gevolgen ervan voor de aarde en haar bewoners te minimaliseren. Jean-Baptiste Malet zegt in het interview in Solidair: “Een boycot kan zeker een doeltreffend wapen zijn in een politieke strijd. En uiteraard moet iedereen zijn verantwoordelijkheid opnemen, niet zomaar wat doen, maar gewetensvol handelen. Persoonlijk boycot ik bepaalde bedrijven, maar ik weet uiteraard dat dat niets zal veranderen zonder een gestructureerde politieke strijd, zonder gezamenlijk verzet, zonder conflict.” Je hoeft de boycot dus zeker niet te laten. Sabotage, het bewuste ondermijnen van het industriële rendement, is van oudsher een actiemiddel van de arbeider. Het sabotagemiddel van de consument is de boycot. Natuurlijk kan je in onze westerse samenleving niet zonder elektriciteit, telecommunicatie, vervoer, voedsel of culturele voeding. Maar dat betekent niet dat je niet zonder digitale meters, Google, Facebook, twee auto’s, Carrefour of Studio 100 kan. Bijna altijd zijn ruim alternatieven voorhanden die kleiner, dichterbij, gezonder, autonomer, democratischer, … kortom minder vervuilend zijn en dus beter voor het klimaat. In de krant van 9 en 10 februari 2019 besteedt Le Soir  twee volle pagina’s aan een interview met Anuna De Wever, het boegbeeld van Youth for Climate. Plaats van afspraak is de Starbucks in het Centraal Station van Brussel. Was dat een bewuste keuze? Starbucks is in ieder geval een voorbeeld van hoe consumentenboycot het bedrijf op een aantal vlakken gedwongen heeft tot een rechtvaardiger, milieubewuster en fiscaal eerlijker beleid.

Natuurlijk zal je de wereld niet veranderen door voortaan je worteltjes op de Buurderij te kopen in plaats van in de supermarkt. En als je dat wel doet, betekent dat nog niet dat je je overgeeft aan de neoliberale indoctrinatie, die iedereen individueel verantwoordelijk maakt voor de eigen welvaart, en de samenleving beschouwt als een marktplaats voor de efficiënte handel in individuele – materiële en immateriële – rijkdom. Als het kapitalisme zijn eigen doodgravers produceert (Marx en Engels), of als macht haar eigen verzet creëert (Foucault), dan biedt het actuele kapitalisme nog wel ruimte voor de klassieke vormen van weerstand (vakbonden, stakingen, ruimte bezetten); in een systeem echter dat nu vooral gebaseerd is op controle van de individuele burger als producent/consument, is ook deze positie zeker een locus van verzet. En als politiek geworden is tot een opeenvolging van mediagebeurtenissen, dan heeft het weinig zin een monumentaal tegenspektakel te organiseren; dan resten slechts tactieken van subversie.

Kleine beekjes vormen grote rivieren (en meren). En al wat je nu al kan bijdragen aan een rechtvaardige transitie is gewoon meegenomen. Het moet gezegd: nu al zijn er volop mensen die min of meer consequent en in de mate van het mogelijke proberen een leven te leiden met respect voor de planeet en al zijn menselijke en niet-menselijke bewoners. Er zijn zoveel mensen – en niet alleen in West-Europa, maar juist ook op plekken waar je van hieruit niet meteen aan denkt, zoals Benin bijvoorbeeld – die nu al, ieder op hun niveau, doen wat zij kunnen voor een betere, gezondere en meer rechtvaardige wereld.

Een werkelijke rechtvaardige transitie op wereldniveau vereist echter een radicale agenda, niet alleen om op een juiste manier om te gaan met de klimaatverandering die nu aan de gang is, maar ook om te komen tot een samenleving die bereid is te luisteren naar de noden en verlangens van alle wezens, menselijk en niet-menselijk, en tot een herverdeling van de rijkdom en de middelen die nodig zijn voor een klimaatneutrale economie. Dat betekent dat je niet kan rekenen op de grote bedrijven, van wie de bestaansreden juist ligt in het maken van winst, of op de overheid, die er is om in onzekere tijden met alle kracht eigendom en bestaande machtsstructuren te verdedigen. Neen, je zal er zelf wat moeten aan doen – in je dagelijks leven. Niet alleen druk zetten op overheden of instellingen die uitbuiting en vervuiling in stand houden, maar ook zelf kiezen voor een leven dat staat in het teken van respect voor je omgeving, levend of niet levend, menselijk of niet menselijk.

Niemand heeft om het leven gevraagd. Het is een geschenk dat je niet kan weigeren; je kan er hoogstens afstand van doen. Zij die kunnen spijbelen en demonstreren ‘voor het klimaat’ mogen zich gelukkig prijzen, niet alleen dat zij daar materieel toe in staat zijn, maar ook dat zij niet in de gevangenis terechtkomen, waar marteling en honderd zweepslagen hen wachten. Wat maken van je leven en er zorg voor dragen dat anderen dat ook kunnen, en dat alles zonder jezelf of anderen te schaden. Dat is nogal een opdracht – en voor de een al makkelijker dan voor de ander, afhankelijk van de energie die je moet besteden om simpelweg te overleven. Maar “het klimaat redden” zal niet lukken zonder jezelf in vraag te stellen, en bewust wat te doen aan je eigen omgang met de wereld en aan een systeem dat gebaseerd is op meedogenloze groei en exploitatie. Geen rechtvaardig klimaatbeleid zonder sociale rechtvaardigheid.

1984

Technology and control – the future revisited.

A Note on Production

… there were 21 papers presented at the conference. [-] I typed all the edited papers onto a main frame computer (a VAX 780) with the intention of transferring the files on-line to a computer at Oxford capable of laser typesetting (Lasercomp). However, time ran out, and an alternative plan had to be activated. The main frame computer did not have a word processing facility, so the files were transferred to floppy disc and word processed on a micro-computer (a Gemini Galaxy 1); each floppy has an amazing 800K capacity. Finally, the files were printed out on a daisy wheel printer, pasted down on lay-out sheets and presented to the printer photo-ready.

I would like to thank a number of people for their help in this process. Mike Tomlinson had the hassle of dealing with the printer and the binder, and of organising the manual collation of the printed sheets. Had we been able to use Lasercomp he would have had the main hassle there also. [-] And Alistair Gilmore in the Faculty of Social and health Science at the University of Ulster at Jordanstown was more than pleased to drop everything else in order to introduce me to the mysteries of transferring files from the main frame to the micro computer.

A final point: it is perhaps a minor example, but the very process whereby these Working Papers have been produced shows that new technology is not totally oppressive. The papers that follow consider some of the many ways in which it is oppressive, but they also contain the hopeful message that “we” can master the machinery in some ways ourselves, that we do not have to leave it all in “their” hands.”

From: Bill Rolston, ‘Introduction’, in The State of Information in 1984 – Conflict, Social Control and New Technology. Working Papers in European Criminology N° 6, European Group for the Study of Deviance and Social Control, Cardiff, September 1984

EG 1984

 

Carceri d’invenzione as metaphor

In May 2016 I suddenly received a request for a contribution to a book inspired by the No Prison manifesto. This manifesto had been written a few years earlier by Massimo Pavarini, professor in criminal law, and Italian journalist Livio Ferrari. You can find the text in several other languages on the website www.noprison.eu.

Contributors to the volume included among others Johannes Feest, Hedda Giertsen, Thomas Mathiesen, Vincenzo Ruggiero and Sebastian Scheerer, so I was quite flattered. I wrote an article inspired by the eighteenth century etchings by Giovanni Battista Piranesi, Carceri d’invenzione. Publication of the book was expected at the end of 2017.

Later I got an email from editor Johannes Feest, stating that “we all think that your paper is great and should be published asap. At the same time, we feel that it does not really fit in our context, which is strictly abolitionist.”

Based on the English text, I also wrote a Dutch version. That was published in May 2017 by the Belgian monthly magazine Streven – cultureel maatschappelijk maandblad as ‘Carceri d’invenzione, een actuele metafoor’, included here with kind permission of the publisher.

Between 1745 and 1761 Giovanni Battista Piranesi made a series of etchings depicting imaginary prisons. He called them Carceri d’invenzione. Very soon these drawings gave rise to multiple metaphorical, historically or psychologically tinted interpretations. At the end of the twentieth century they inspired British composer Brian Ferneyhough to the writing of a music cycle with the same title. Then again, you can read his interpretation of Piranesi’s work as a metaphor for the complexity of the actual prison system and as an incentive to listen to all the sounds, human and non-human, that still come together in jail.

As far as I know, the ‘No Prison Volume’ has never been published. So here is my article, Carceri d’invenzione as metaphor’, slightly reviewed January 2019.

ferneyhough_-_unity_capsule

 

Brussels en route

Exceptionnellement, et gratis, une publicité

(English version on http://durieux.eu/blog/brussels-en-route)

Bruxelles – et donc pas Renaix – est la seule ville vraiment cosmopolite en Belgique. On peut en faire l’expérience de plusieurs façons. Une d’entre elles serait de parcourir la ville par transports en commun – et ceci pendant une assez longue période. Voilà précisément ce qu’a fait le photographe Bram Penninckx. Pendant un an et demi, il a effectué tous les trajets de bus, tram et métro possibles, de terminus en terminus. Ces trajets lui ont fourni le matériel pour les images et les histoires de Brussels en route.

Comme celle-ci :

Dis papa, pourquoi les poubelles sont cassées? Demande une gamine de quatre ans à son papa étonné de sa question.

—           Parce que le monsieur qui nettoie la station de métro a perdu la clef, répond le papa après une brève hésitation.

—           C’est pour ça qu’ils ont mis une autre à côté de la cassée ?

—           Oui, ma puce.

—           Mais papa, pourquoi…

Le bruit tonitruant du métro entrant en gare couvre sa voix frêle. Main dans la main, père et fille montent à bord du wagon.

Bruxelles est une métropole et en même temps un hameau dans le marais. Dans Brussels en route  il ne faut pas s’attendre à des déclarations sans ambiguïté ou à une définition globale de cette collection urbaine de 19 municipalités. Plutôt à une sorte de recherche photographique sur la question : « Qu’est-ce que ces scènes de la quotidienneté des transports publics nous apprennent-elles sur cette ville et notre société? »

Brussels en route de Bram Penninckx est une expo, un livre photo et aussi le beau et ingénieux site web trilingue Brussels en route.

Ici quelques photos, en format réduit pour ce site :

rit_bus_nacht

3_03_B_Bus

2_03_B_Tram

1_03_B_Tram

 

Energie verte

https://unsplash.com/photos/ZK69PVQj5nc

Ce ne sont pas que des forêts que détruisent les compagnies énergétiques en quête de profits financiers à court terme, grâce aux subventions massives (et donc aux dépens des contribuables) – avec la complicité d’ailleurs d’autorités communales et régionales corrompues. Sur le journal néerlandophone De Standaard deux biologistes de la Katholieke Universiteit Leuven ont publié un commentaire sur les conséquences néfastes d’une énergie « verte » industrielle.

Début octobre commencera à Lommel (au Limbourg), dans la lande-dit Balim, la construction d’une zone de 300.000 panneaux solaires. Le zoning est censé fournir de l’électricité à 24.000 familles – bien que pour l’instant, il n’y ait qu’un seul client, l’entreprise métallurgique Nyrstar, qui aura une connexion directe à la zone. Ce projet solaire, Kristal Solar Park, recevra pendant quinze ans une subvention annuelle de 3,9 millions d’euros.

Les promoteurs du projet se vantent de son caractère « vert ». Mais le prix sociétal de la construction de ce zoning industriel est – outre les subsides financiers – la destruction de cent hectares de landes. Les deux biologistes s’indignent de la disparition imminente de différentes sortes d’animaux et d’insectes rares, mais à la base le problème est plus gros que la seule extinction de ces espèces spécifiques.

Tout d’abord, la disparition de la biodiversité naturelle à cet endroit-là ne peut être compensée par des mesures compensatoires ailleurs – ce serait comme si la destruction de la nature au lieu-dit Lambiester à Lierneux pourrait être compensée par des interventions sur un terrain de nature différente à Bihain ou Joubiéval. Les deux biologistes soulignent que normalement une restauration de la nature nécessite plusieurs décennies, et qu’elle a besoin d’un certain maintien de l’ « ancienne » nature pour « coloniser » les terrains compensatoires. Ils soulignent que « le principe actuel de compensation naturelle, incorporé par exemple dans des mesures politiques comme la compensation forestière, ne sert qu’à se payer la conscience verte ». Toute cette histoire de la lande Balim démontre selon eux clairement les « vérités perverses que la politique actuelle passe sous silence ». On ne peut pas déplacer à court terme un environnement naturel.

Plus généralement, l’énergie solaire n’est pas du tout « verte » lorsqu’il faut démolir des espaces naturels pour la produire, ou lorsqu’elle implique une destruction de la biodiversité locale. Le problème primordial se situe dans le manque de nature, et agrandir ce problème au nom de la production d’énergie verte revient à un « écocide pervers ».

Jusque là les commentaires des biologistes. Plus fondamentalement, je crois qu’il y ait deux tendances destructrices dans la construction de ces « perversités vertes ». L’une est d’économie politique, l’autre concerne les concepts philosophiques. Les crises du pétrole des décennies précédentes, la demande croissante mondiale d’énergie et l’épuisement parallèle des ressources, et les rapports sur un changement climatique ont emmené les grandes multinationales à promouvoir, à l’aide de lobbys forts et de politiciens corrompus, l’implantation de nouvelles technologies – et tout cela au détriment des citoyens et des contribuables. Créer des divisions d’entreprise axées sur le développement de nouvelles technologies et la récolte de fonds publics devenait une tactique évidente pour garantir et maximiser les profits. En fait, il s’agit ici d’une forme de lutte des classes. Les actionnaires des grandes entreprises d’énergie « verte », qu’elle soit éolienne ou solaire, mènent des actions plus ou moins cohérentes contre une partie de la population, qui est sacrifiée sur l’autel de leur soif insatiable pour le profit – la destruction environnementale, on s’en fout, pourvu qu’elle rapporte des sous.

L’autre tendance destructrice est liée aux concepts que défendent les promoteurs naïfs d’énergie durable ou verte. Dans notre société contemporaine, où les forces de la nature (le vent, le soleil, les courants d’eau) sont exploitées à une échelle industrielle, il n’y pas d’ « énergie verte ».  Ce concept suppose un dualisme entre d’une part l’homme (la culture, l’économie, la société) qui serait en train de démolir la terre par son avidité et la nécessité de croissance permanente, et d’autre part la nature (les mers, les forêts, le soleil et le vent), qui fournirait des ressources non-destructrices ou même bénéfiques pour soutenir le développement de l’humanité. Mais un zoning éolien, où dès un certain moment du processus le vent est utilisé pour la production d’énergie, est-ce nature ou industrie ? Un champ de 300.000 panneaux solaires qui s’étend sur cent hectares de lande, est-ce énergie verte ou destruction de la nature ? Il n’y pas de dualisme ici entre culture et nature.  Les défenseurs naïfs de l’énergie verte devraient se rendre compte que ce qu’ils promeuvent au nom de la nature et de l’environnement se réalise aux dépens de cette nature et de cet environnement. La production industrielle d’énergie verte est – au mieux – une hybride, qui est au moins aussi humaine que naturelle. Ce n’est pas la nature, qui vient à notre secours pour sauver la terre et le genre humain. Il ne convient donc pas de dire, comme le fait Greenpeace, qu’il faut avancer et minimiser ensuite les effets. En détruisant la nature afin de produire des ressources naturelles, on ne fait que renforcer l’aspect humain et perpétuer l’idée fatale que le genre humain domine la nature et que celle-ci lui est soumise.

Dieren en marxisme

Onlangs publiceerde ik hier onder de titel ‘Une idée absurde et contre nature’ een lang citaat van Friedrich Engels. Daarin heeft hij het over de relatie tussen mens en ‘natuur’. Enigszins verwant daaraan is nu een bijdrage van Eva Meijer aan het laatste nummer van Krisis – Journal for contemporary philosophy. In ‘Animals’ geeft zij in het kort aan hoe concepten uit het marxisme een licht kunnen werpen op de specifieke positie van dieren in kapitalistische maatschappijen, en hoe aandacht voor dieren de aandacht kan vestigen op dimensies van het kapitalisme die anders verborgen zouden blijven. (Eva Meijer heeft het consequent over nonhuman animals wanneer zij over dieren praat; ik begrijp de redenering, als je zoals zij uitgaat van de brede categorie humans and other animals, maar voor de gemakkelijkheid en de leesbaarheid heb ik het hier verder simpelweg over mensen en dieren.)

Meijer geeft aan dat onze economische, culturele en sociale structuren in belangrijke mate gebouwd zijn op de arbeid en de bijdrage van dieren. Dan gaat het om dierlijk materiaal dat verwerkt wordt in talloze objecten en materialen die deel uitmaken van het dagelijks leven van mensen: niet alleen voeding(sbestanddelen), maar ook onnoemelijk veel andere zaken, “van aspirine over brandstof tot porselein”. Het product van hun arbeid (eieren, melk, …) is dan ook een belangrijke economische factor.

Bovendien is het niet omdat dieren behandeld worden als objecten, dat zij niet zelf over agency beschikken, dat wil zeggen dat zij autonoom een situatie of een toestand kunnen creëren. (Als je de benadering van Bruno Latour zou volgen – en ik wijk hier af van de tekst van Eva Meijer – dan zijn gedomesticeerde, en zeker industrieel gekweekte dieren, eerder hybriden of quasi-objecten: wezens die zowel cultuur als natuur zijn, zowel politiek als wetenschap. Dat betekent echter niet dat zij dan ook meteen actoren zijn; zij ondernemen in het algemeen zelf geen autonome actie, maar zij kunnen wel acties uitvoeren en de acties van actoren beïnvloeden.) Meijer verwijst echter naar de historicus Jason Hribal. Die stelt dat dieren een deel zijn van de arbeidersklasse.  Niet alleen waren zij een belangrijk element in de industriële revolutie en de opkomst van het kapitalisme; hun medewerking of juist verzet heeft mede vorm gegeven aan de menselijke arbeid. In die zin is er vaak een relatie tussen de uitbuiting van kwetsbare menselijke en dierlijke groepen. De afgelopen tijd was ik in Albanië, Griekenland en Marokko, en hoe goed zie je daar nog dat voor arme families de arbeid van dieren (ezels, ossen, …) noodzakelijk is om te overleven. Meijer geeft het voorbeeld van de westerse eetgewoonten die leiden tot dierlijk lijden in de industriële voedselketen, en tegelijk tot de vernietiging van menselijke en dierlijke habitat, die moet wijken voor de productie van soja voor die industriële kweek.

Het andere onderdeel van Meijers betoog gaat over de bijdrage die marxistische concepten kunnen leveren aan een beter begrip van de positie van dieren in de kapitalistische samenleving – waarbij moet aangestipt worden dat de uitbuiting van dieren (en mensen) zeker geen exclusieve is van het kapitalisme. De theorie van gebruikswaarde en ruilwaarde kan echter wel duidelijk maken hoe dieren beschouwd worden als objecten, en vervolgens als goederen, die verhandeld kunnen worden met het oog op maximale winst.

Verder, je kijkt heel anders naar dieren, als je ze beschouwt als wezens die arbeiden. Zij werken niet alleen met en voor mensen, in entertainment, de politie, de gezondheidszorg, het leger, … Ook wat zij voor zichzelf doen, kan je zien als arbeid: nesten bouwen, voedsel zoeken, jagen, dammen aanleggen, … Er zijn diersoorten die andere dieren voor zich aan het werk zetten (al dan niet onder druk). Kortom, het vergelijken van de arbeidsverhoudingen onder dieren en onder mensen, en tussen mensen en dieren, kan leiden tot een beter begrip van de mogelijke eerlijke verhoudingen tussen human and nonhuman animals. Erkenning van de arbeid van dieren zou ertoe kunnen leiden dat mensen een beter inzicht krijgen in hoe mensen en dieren samen gemeenschappen vormen.

 

P.S. Eva Meijer heeft ook een leuke website: http://www.evameijer.nl.

 

Minimiser les effets

« On va trop vite, c’est clair. Mais on ne peut plus attendre pour faire des études car le réchauffement climatique aura, lui, des conséquences bien plus dommageables. On doit avancer et minimiser ensuite ces effets. »

C’est Jan Vande Putte, chargé de mission « Energie » chez Greenpeace, qui dit cela dans Médor N° 10, lorsqu’il parle de l’impact des éoliennes en mer du Nord sur la faune et la flore. Selon lui, il faut encore plus d’études sur les effets désastreux de ces éoliennes, mais ça ne doit pas nous empêcher de continuer déjà la destruction qu’elles causent. Les effets néfastes, on les minimisera plus tard.

Cela me rappelle un peu l’idéologie de la war on drugs . Persister, même si l’on sait que c’est une guerre que l’on ne peut gagner, que les dommages collatéraux sont gigantesques et que les victimes se trouvent partout : les consommateurs mêmes, leurs familles et relations, leur environnement sociétal, la société toute entière qui paye cette « guerre » en dégradation des principes de l’Etat de droit et en augmentation des problèmes de santé secondaires (http://durieux.eu/blog/vehikel). A partir de 1985, un objectif formel de la politique en matière de drogues du ministère de la Santé néerlandais était de « prévenir autant que possible que les consommateurs (de drogues illicites) subissent plus de dommages à cause des effets de la criminalisation que par le seul usage des produits eux-mêmes » (voir http://durieux.eu/sites/default/files/drugsbeleid_1993.pdf, p. 15).

L’impact négatif mentionné dans Médor porte sur les éoliennes offshore, et même sans études supplémentaires, c’est du sérieux. « Un bruit sous-marin assourdissant » causé par le pilonnage de pylônes de cinq mètres de diamètre à l’aide de marteaux hydrauliques ; une fois les éoliennes opérationnelles, des sons subaquatiques, et au-dessus de l’eau les pales qui produisent un son ambiant permanent et menaçant les oiseaux migrateurs ; bref, un vacarme aussi bien subaquatique qu’à haute intensité, qui amène l’océanographe Alain Norro à parler de « poubelles sonores ».

Et puis, il y a la pollution chimique. L’entretien des éoliennes en zone maritime belge nécessiterait 8 000 trajets par an. Un géologue français maintient que l’on pulvérise des produits chimiques sur les pales – et donc dans la mer – pour contrer la grasse et le gel. Et contre la corrosion des mâts, on emploierait des anodes sacrificielles, de petits blocs d’aluminium et de zinc qui sont destinés à s’oxyder et à se dégrader dans l’eau à la place de l’acier sur lequel ils sont posés. Médor fait le compte : « Dans un document confidentiel, le promoteur français Engie prévoit 32 tonnes d’anodes par fondation (éolienne, mât de mesure, poste électrique en mer). Soit plus de 2 000 tonnes pour une ferme de 64 moulins. Même précision en ce qui concerne leur dégradation : 75 tonnes d’aluminium seront rejetées chaque année dans la mer ! Auxquelles il faut ajouter 4 tonnes de zinc, un métal bien plus toxique encore. A l’échelle des parcs belges (500 éoliennes), cela représenterait plus de 600 tonnes de métaux noyés chaque année. »

Avancer et minimiser ensuite ces effets ? Médor se demande plutôt : « Des éoliennes qui polluent, une lubie d’activistes en mal d’activités ? » (Une question pertinente, qui ne perd pas de poids lorsqu’on considère les zonings dont les promoteurs éoliens et leur ministre Carlo Di Antonio parsèment le territoire wallon.)

Alors justement le Parlement des Choses vient d’ouvrir l’ambassade de la mer du Nord. Il s’agit d’une  ambassade réelle et virtuelle, où les choses, les plantes, les animaux et les humains peuvent s’exprimer. On y travaille au nom de la mer du Nord à un plaidoyer qui sera présenté fin juin à Den Haag (La Haye). L’objectif est une recherche en profondeur sur notre relation avec  la mer. « On cohabite avec la mer. Elle nous émerveille et nous nourrit ; c’est d’elle que nous sommes issus. » Tandis que la mer s’agite de mille façons, nous l’avons toujours crainte et domptée. Et les organisateurs de demander : « Quelle est en l’an 2018 notre relation avec notre plus grand espace publique ? Qu’est-ce qu’elle a à nous raconter ? Comment améliorer notre relation avec la mer du Nord, au bénéfice de la vie humaine et non humaine et de la vie des générations futures ? Tout le monde peut contribuer en faisant entendre le maximum de voix, d’idées et d’opinions. Que dirait la mer du Nord elle-même ? Quels sont les intérêts des poissons, des oiseaux, des algues ? Que disent les éoliennes, les pêcheurs et les ports ? »

Chacun.e peut introduire un texte, une motion, une idée, une suggestions ou un appel au nom d’une algue, d’un grain de sel, d’un port, d’une moule, d’un poisson, d’une éolienne, d’un être humain ou de toute autre entité qui fait partie de la mer du Nord et de son environnement. Ces motions peuvent être gaies ou fâchées, poétiques ou scientifiques, pleines d’espérance ou de désarroi, mais surtout elles devront faire avancer la recherche sur notre cohabitation avec (toutes les entités de) la mer.

 

Petite note sur la newspeak.

Aussi Médor ne semble pas échapper à la novlangue que l’on essaie de toute part à imposer lorsqu’il s’agit des zonings éoliens. « Une ferme de 64 moulins » ? Ou plus fréquemment: des « parcs éoliens » ? Ou même des « champs d’éoliennes » ?

Ce que l’on construit ici et là et partout n’a rien à voir avec une ferme ou un parc ou un champ. Il s’agit au contraire de vraies centrales énergétiques, consistant d’énormes machines bruyantes, parfois d’une hauteur de 180 mètres. Au fond, ce sont des fabriques.

Aussi en néerlandais, on parle de windmolens, moulins à vent. Mais ces machines n’ont qu’une vague ressemblance à des moulins à vent. Elles ne moulent ou ne drainent rien ; les ailes ressemblent plutôt à une hélice tripale. Traditionnellement les moulins à vent ou à eau étaient intégrés dans le paysage ; les éoliennes des nouveaux zonings surmontent de cinq à six fois même les plus hauts arbres qui ont eu la chance de ne pas être abattus.

Les promoteurs éoliens et leurs complices dans les médias et les pouvoirs publics cherchent de toutes forces à donner l’impression que, comme il s’agit de vent, l’industrie éolienne est par définition verte, naturelle, écologique, etc. Mais aussi bien en mer que sur terre, les nouvelles centrales éoliennes sont surtout dévastatrices et nuisibles pour tout être vivant dans leur environnement. Ce ne sera pas la première fois que la recherche du profit des puissants est déguisée en intérêt général anodin.