Narodni dom

On 13 July, 1920 Italian fascists burned down Narodni dom in Trieste. Narodni dom is Slovenian for ‘National House’; it was a large building, situated at the central Piazza Oberdan and containing besides the seats of many triestine Slovenian organisations, a theatre and the Hotel Balkan. After the end of the first World War and the collapse of the Austro-Hungarian empire, the massive migration of Slavic people gave Trieste and its suburbs a large number of Slovenian inhabitants, more even than in the Slovene capital Ljubljana itself. Another war later, the city was integrated into Yugoslavia in 1945, before returning back to Italy in 1954. Just to say Trieste has always been a melting pot of Italian-Austro-Hungarian-Slavic urban, maritime and agrarian influences.

Barely a year after the foundation by Mussolini of the Fasci italiani di combattimento, in 1920 the Partito Nazionale Fascista of Trieste had acquired hegemony in local political life. At that time, any incident involving not-Italian citizens could lead to calls for vendetta, hate and revenge, establishing the law of retaliation, taking up the arms and the ‘liberation of Italy’. That night of 13 July 1920, after some probably pre-arranged incidents, a mob incited and led by the local leader of the fascist party ran amok through town, looted shops, banks, schools, osterie run by Slovenes, attacked the offices of Slavic and socialist organisations and of professionals of Slovenian descent, and finally set fire to Narodni dom. Some Triestini refer to the events as their own local Kristallnacht. Anyway, the fire would become one of the major myths in the fascist reconstruction of the Nuova Italia, and a year later the fascist leader who had led the mob inaugurated his electoral campaign with the words: “For me the electoral programme starts with the blaze of the Balkan.”

From that moment things got totally out of hand when it comes to anti-Slovenian violence. The story of some of the victims has never been forgotten. There are for instance the four boys from Basovizza (see below), or the fate of Lojze Bratuž (Luigi Bertossi). The man was killed the day before his 35th birthday, forced to drink not castor oil, but machine oil and benzol – and just because he had directed choirs in Slovenian during Christmas mass 1937.  (The forced drinking of castor oil was a well-known torture inflicted by the fascist squads. Political opponents were forced to drink large quantities of castor oil, which caused a vehement diarrhoea; la purga del sovversivo, the fascists called it. The victim was shackled and his trouser legs tied close. Then, when his pants and clothes were filled with faeces, he was sent out again in public space.)

Today, a hundred years later, 13 July 2020, Narodni dom is rebuilt, and would be given back officially to the Slovene community of Trieste in a ceremony of which the presence of the Italian and the Slovenian presidents would emphasize the importance. But matters concerning national pride and honour, historical fascism and neofascism or national-populism are not simple these days. Slovenia, as well as the region Friuli-Venezia Giulia (in which Trieste is located) are governed nowadays by national-populists, who consider ‘national honour’ sacrosanct, and for whom anti-fascism equals terrorism.

Originally the two presidents, Matarella and Pahor, would simply sign an official declaration on the restitution of Narodni dom to the Slovene community of Trieste. Alas – quid pro quo, some Italians thought, and so the two presidents were obliged to include into the ceremony an official visit to the foiba of Basovizza, a village near Trieste. This foiba is in reality an old abandoned mineshaft. In May 1945 Yugoslavian partisans, who were then  occupying Trieste, dropped into the shaft bodies of Italian fascists and German nazi’s, killed or executed during the turmoil at the end of the war. How many corpses there were in the mineshaft, and who they were, has never really been investigated. A combination of all available knowledge leads to believe that a still  unknown number of corpses of Italian fascists, of SS, Gestapo and Gebirgsjäger, and the cadavers of some forty horses were thrown in the deep. At the end the partisans also threw in a large amount of ammunition and explosives, which finally filled the more than 200 meter deep shaft with detritus.

So, in this game of balances the Slovene president would on the one hand receive from the Italians his symbolic house on Italian soil, but on the other hand acknowledge the death of Italian ‘martyrs’ killed by Slavic communists. However, now that they are there anyway, the presidents would also visit another monument in Basovizza, barely a kilometre away from the foiba. There they find a memorial for four boys, three Slovenes from Trieste and a Croatian, who were executed in 1930 after a conviction for terrorism by the Tribunale speciale fascista. But then again, also this extra ceremony is not unequivocal. On the one hand there is this commemoration of very early victims of fascist violence, on the other hand their conviction for ‘terrorism’ has never been cancelled. It all supports the propaganda in some (social) media that ‘fascists and anti-fascists are all the same’.

And no, fascists and anti-fascists are not all the same, but indeed, it may be not so much about national honour and the conflicts between Slovenian and Italian history. What the napo’s really focus on is internationalism. Italian and Slovenian fascists are no political adversaries; what they want to fight in the first place is the commemoration of historical  collaborations, such as those of the partisans of the IX Korpus and the garibaldini of Friuli, or of the Tito battalion of Slovenes who escaped from Spoleto prison and the Italian resistance in Umbria.

Nee

Liefst wil ik niet materiaal van anderen gewoon overnemen op deze site, maar soms zijn stukken zo sterk, dat ik denk: dit moet ik ook laten zien, omdat het mij raakt.

Dat is dus het geval met de rede van Arnon Grunberg ter gelegenheid van de nationale Dodenherdenking in Amsterdam, 4 mei 2020.

Ontroerend is niet alleen de enscenering, met Grunberg pratend in een vrijwel lege Nieuwe Kerk, voor ceremonieel opgestelde rijen onbezette stoelen, maar vooral zijn tekst, scherp, geëngageerd, persoonlijk en eigenlijk ook diep treurig.

Hieronder te zien vanaf minuut 23:50.

De integrale tekst van Grunberg, getiteld Nee, vind je hier.

Allez, circulez!

In zijn analyse van de relaties tussen de twee extreemrechtse partijen Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA) en Vlaams Belang (VB) stelt Loonis Logghe in Lava 11 (‘De pikzwarte tweekoppige leeuw’): “Het grootste verschil tussen N-VA en Vlaams Belang ligt in de mogelijkheden die ze open laten voor wie tot ‘de natie’ kan behoren. N-VA noemt zichzelf ‘civiele nationalisten’, die toelaten dat mensen van over de hele wereld deel kunnen uitmaken van de gemeenschap, zo lang ze zich volledig assimileren met de identiteit van het ‘oorspronkelijke volk’. Het Vlaams Belang laat die mogelijkheid niet toe: voor hen bepalen achtergrond en ras de cultuur, wat niet te omzeilen valt.”

Nu blijkt dat onderscheid misschien wel uit teksten van beide partijen, maar beleidsmatig streeft ook de N-VA er naar integratie, laat staan assimilatie, van nieuwkomers zoveel mogelijk te belemmeren. Na uitgebreid en langdurig overleg tussen de beide nationaal-populistische partijen legde immers de N-VA in oktober 2019 aan haar coalitiepartners een regeerakkoord voor dat stipuleert: “Nieuwkomers die succesvol inburgeren, krijgen alle kansen in onze samenleving.” En vervolgens worden maatregelen aangekondigd om ‘succesvol inburgeren’ zo veel mogelijk te verhinderen. Zo vermeldt hetzelfde regeerakkoord onder meer: “We stappen af van het gratis inburgeringsbeleid. Inburgeraars zullen een financiële vergoeding moeten betalen van twee keer 90 euro wanneer ze een inburgeringscontract tekenen. (…) Bij het afleggen van de toetsen NT2 en maatschappelijke oriëntatie betalen ze voor elk van deze twee toetsen 90 euro. (…) Indien de inburgeraar niet slaagt, dient men opnieuw te betalen voor een nieuwe test. Onkosten die de inburgeraar maakt in het kader van zijn inburgeringstraject (bv. vervoersonkosten) kunnen niet langer worden terugbetaald door de Agentschappen.” En dat gaat dan nog alleen om verplichte cursussen en opleidingen; ook fundamentele zaken als wonen, werk en financiële ondersteuning in nood worden steeds minder bereikbaar gemaakt voor nieuwkomers. In die zin is er steeds meer sprake van één blok N-VA/VB.

Waarin de napo’s van N-VA/VB ook vrij eenstemmig zijn, is hun afkeer van Europa, althans van de Europese Unie en de Europese instellingen. Dat is niet onlogisch. De formele grondslag van de Europese Unie ligt in het bevorderen van het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal (in die volgorde, en althans voor zover die personen enzovoort zich toch al binnen de grenzen van de Unie bevinden). Circuleren, daar gaat het bij de EU om, niet om integreren. Integratie is in wezen een nationalistische doelstelling: wie op een bepaald ogenblik ophoudt te circuleren, moet zich integreren in de natie. Alleen, als je geen ‘integratie’ van vreemd gespuis in je zuivere ‘natie’ wil, moet je dus ook dat circuleren tegengaan. Europa, allemaal goed & wel, maar dan wel als een vrije samenwerking van blanke organische naties, die zelf hun grenzen beschermen. Niet voor niets beschreef in DS weekblad een vriend de ideoloog van N-VA, Joachim Pohlmann, in deze woorden: “Joachim is een van de weinige mensen in Vlaanderen met wie je kan doordiscussiëren over de Duitse idealisten. Denkers die de waarden van de klassieke oudheid verbinden met die van de verlichting, de romantiek en het christendom. Het zijn échte Europeanen.” Tot daar de omschrijving van echte Europeanen.

Maar wat moet je dan met personen die uitgecirculeerd zijn? Is het ‘succesvol inburgeren’ van N-VA hetzelfde als ‘integratie’? De partij stuurt een Vlaams Agentschap Integratie en Inburgering aan, dus blijkbaar gaat het om twee verschillende zaken. Ik weet het, tien jaar geleden nog bestond inburgering uit het leren van de taal, van de ‘normen en waarden’ van de Vlaamse samenleving (voortaan de Vlaamse Canon), en van wat praktische zaken zoals het gebruik van de 10-rittenkaart van De Lijn. Integratie was dan weer een wederzijds proces waarin nieuwkomers en autochtonen leerden samenleven met elkaar. Integratie betekende letterlijk opgenomen worden in de ontvangende  gemeenschap.

Sinds de erkenning van het begrip superdiversiteit zijn die simpele vormen van integratie en inburgering een stuk complexer geworden. De decennia lange circulatie naar en binnen Europa heeft overal neerslagen en sporen nagelaten, die maken dat er niet meer zo maar één gemeenschap is waarin je kan inburgeren en integreren. Zelfs de officiële ‘ontvangende’ gemeenschap heeft al lang niet meer één eenduidig kader van normen, waarden en cultuur. Het erkennen van superdiversiteit komt er eigenlijk op neer dat je per context kan uitmaken welke integratie je wil. Traditioneel maak je om te beginnen een simpel onderscheid tussen liberale integratie of burgerschap (het recht om rechten te hebben) en republikeinse integratie of burgerschap (politieke deelname). Wil je gewoon het recht hebben om aanspraak te maken op een tegemoetkoming, of wil je zelf mee kunnen bepalen wie dat recht kan hebben, wanneer en hoe?

Uit alles blijkt dat de napo’s het moeilijk hebben met zowel de liberale als de republikeinse vorm van burgerschap of integratie (de enkele vrouwelijke N-VA-boegbeelden met Marokkaanse of Koerdische achtergrond doen daar niet aan af). Van oudsher was nationaliteit (het behoren tot de formele natie) het criterium en het bewijs van volwaardige integratie en burgerschap, tegelijk liberaal en republikeins.  De napo’s zagen het gevaar: als al wie circuleert na verloop van tijd en onder bepaalde omstandigheden de nationaliteit kan verwerven, dan zijn wij nog even ver van huis. Naturalisering (de toekenning van de Belgische nationaliteit) is moeilijker geworden, daarover kon men al een tijd geleden een brede nationale consensus creëren – al goed dat er (voorlopig) niet ook een Vlaamse nationaliteit is. Wat er nu, ironisch genoeg, voor de N-VA/VB overblijft om te voorkomen dat de volksgemeenschap blijvend geïnfiltreerd wordt door nieuwkomers, is een perverse interpretatie van het motto van de Europese Unie: Allez, circulez!