De crisis voorbij

In de (nieuws)media die ik gewoonlijk volg, word je al maanden bestookt met berichtgeving, analyses, commentaren, essays over hoe de wereld-post-covid19 anders zal zijn – nou ja, toch eigenlijk anders zou behoren te zijn – dan degene die je voor de pandemie gekend hebt.

Neem bijvoorbeeld het thema mobiliteit, leuk onderwerp wanneer het gaat om hoe het anders moet/zal om ‘het milieu’ of ‘het klimaat’ te ‘redden’. Sinds het begin der tijden zijn alle soorten levende wezens mobiel: op de vlucht of op zoek naar het groenere gras voorbij de heuvel of gewoon op ontdekkingstocht. Niks mis met mobiliteit. Anders wordt het wanneer grote mobiliteit grote randschade veroorzaakt, en dat alleen maar om grote ondernemers toe te laten zo goedkoop mogelijk te produceren voor consumenten op relatief rijke plaatsen door in verre landen arme mensen uit te buiten. Grote winsten voor enkelen, grote schade bij velen. Ergens moeten er dus grenzen zijn aan mobiliteit. Maar waar? Hoe?

In De groene Amsterdammer van 4 juni heeft Floor Milikowski het terloops over “steeds meer buitenlandse studenten en expats, die zich probleemloos voortbewegen tussen Singapore en New York, Eindhoven en Shenzen.” Ja, leuk dat dat kan, maar dat weet je nu, en je weet inmiddels ook wat het reëel kost, dus hoeft het nou nog echt? Hmm, zou je dan ook willen dat je niet meer puur voor het plezier een lang weekend kan doorbrengen in, ja waar? Marseille en Keulen, dat kan nog – maar Rome of Oslo? Dan moet je vliegen, en dat is wel heel smerig – zeker voor zo’n korte afstand. Vakantie in Japan of Zuid-Afrika dan, is dat wel te verantwoorden? Is het nodig dat alle elektronica uit China komt, of al je kleding uit Cambodja, Vietnam of Maleisië? Of wat met de mobiliteit van citroenen en bananen en cacao? Je kan wel de voorkeur geven aan lokaal fruit uit de korte keten, en voor mij persoonlijk hoeven frambozen niet in januari, maar een leven zonder citroen of bananen? Chocola is ook echt niet te vervangen door carob. (Hoe) kan het anders?

Neem nu alleen al De groene Amsterdammer van de afgelopen weken. Op 28 mei schrijft Dirk Bezemer in zijn column: “Het virus als sociaal-economische katalysator: hoe meer je erop gaat letten, hoe meer je het ziet. (…) Het fietsvriendelijke vrijmaken van binnensteden: altijd al sympathiek idee, nu bittere noodzaak om je überhaupt nog te kunnen verplaatsen. En nu ook de versneld slinkende maatschappelijke tolerantie voor wangedrag van grote bedrijven. Er lijkt een kantelpunt bereikt.” Van hetzelfde in De Groene van 4 juni bij Floor Milikowski: “Vanzelfsprekendheden verdwijnen en onze kijk op de samenleving als geheel en op de invulling van ons leven verandert”; zij wil begrijpen “waarom de urgentie om juist nu te veranderen zo groot is”. En in het nummer van 11 juni wordt politiek-econoom Mark Blyth geciteerd: “Dat betekent dat we domweg niet terug kunnen naar het oude normaal. Dat creëert een enorme kans om kapitaal te herinvesteren op een manier die slimmer en eerlijker is, om structurele fouten aan te pakken. En we zijn al op weg.”

Zelf wil ik daar ook wel in geloven. Maar de auteurs die ik net noemde, komen er toch niet onder uit om tegenvoorbeelden aan te halen van hoe niets lijkt te veranderen. Zowel Milikowski als Bezemer vermelden de Nederlandse luchtvaartmaatschappij KLM, die twee tot vier miljard staatssteun ontvangt, maar intussen wel een lange traditie heeft van belastingontwijking in Ierland (wanneer het om vermogende belastingplichtigen gaat, is er sprake van ontwijking, niet van belastingontduiking). Milikowski schrijft: “Iedereen voelt dat dit misschien wel het moment is waarop er definitief een streep wordt gehaald door de gedachte dat de luchtvaart almaar moet blijven groeien. Hoewel het kabinet een paar weken geleden stoïcijns de nieuwe Luchtvaartnota presenteerde met daarin de ambitie om de grens van het aantal vliegbewegingen te laten groeien van 540.000 nu tot 800.000 in 2050 is er steeds minder draagvlak voor dergelijke toekomstscenario’s.”

Steeds minder draagvlak? Het besef dat het anders moet, en misschien zelfs kàn, leeft in ieder geval niet zo sterk bij iedereen. En al helemaal niet bij diegenen die het vandaag voor het zeggen hebben. Neem nu zo’n Pierre Wunsch, gouverneur van de Nationale Bank van België, en in die hoedanigheid vermoedelijk iemand met wie rekening wordt gehouden. In Le Soir van 13/14 juni krijgt hij een volle pagina om te beweren dat het ergste van de crisis voorbij is, en aan te geven wat dat bijgevolg inhoudt voor de Belgische economische politiek. “… [M]aar de schok is over, en daarom kan ik beweren dat het ergste van de crisis, qua gezondheid maar ook economisch, effectief achter ons ligt. De schok, voor de mensen die hun baan niet verloren hebben, ligt in het feit dat zij twee maanden opgesloten hebben gezeten en niet meer konden consumeren.” Zo, die man zijn mensbeeld is min of meer duidelijk.

Zijn wereldbeeld ook. “Ons scenario is dat van een vierkantswortel: een heftige schok, gevolgd door een progressieve terugkeer naar de groei. (…) In verhouding tot de omvang van de schok is de schade op sociaal gebied en inzake tewerkstelling relatief beperkt. Wij schatten dat wij over 2020-2021 zo’n 160.000 tot 170.000 banen gaan verliezen, maar de afgelopen jaren hebben wij er 300 à 400.000 gecreëerd. Wij gaan dus drie jaar terug; wij verliezen drie jaar groei. (…) Het is inderdaad mogelijk dat jonge afgestudeerden niet meteen hun job naar keuze zullen vinden, maar dat is het einde van de wereld niet.” Nee, zij kunnen altijd nog pizzakoerier worden of hopen dat er nog een ander van die 300 à 400.000 precaire baantjes beschikbaar is.

Ook over meer ecologisch bewustzijn of een Green New Deal of een ‘vergroening’ van de economie hoef je je wat betreft Pierre Wunsch geen illusies te maken. Wat hem zorgen baart, is het idee dat « après avoir dépensé beaucoup pour la crise, on pourrait dépenser beaucoup pour le vert ». Volgens Wunsch is dat een beetje zoals iemand die geen geld heeft, naar de bank gaat voor de financiering van zijn dringende hospitaalkosten, maar dan achteraf bedenkt dat hij net zo goed op krediet zijn badkamer kan renoveren.

Inderdaad, wat milieu en klimaat en dat soort bekommernissen betreft, lijkt de tendens eerder business as usual. Het is dat ik publiciteit zoveel mogelijk probeer te negeren, dus de inhoud ervan ontgaat mij meestal, maar ook in Le Soir (12 juni) trekt redacteur Michel De Muelenaere enkele conclusies uit de reclame die hij om zich heen ziet voor auto’s, smartphones, voedsel aan knalprijzen, … Hij verwijst naar een universitaire studie uit Luik, die vaststelt dat bijna negen op tien auto-advertenties modellen aanprijzen die meer CO2 uitstoten dan het gemiddelde van de verkochte auto’s in 2019 (121,2 gr/km). Drie vierde zou zelfs meer dan 140 gr/km de lucht in blazen. OK, maar dan denk ik: je moet je wel realiseren dat de autonijverheid het blijkbaar moeilijk heeft. Zo pleitten enkele weken geleden nogal wat Duitse politici voor meer staatssteun voor BMW en consorten – maar dan wel zonder ökologischer Purismus. Dat wil zeggen: het helpt deze bedrijven in de huidige crisissituatie niet verder als die subsidies “overbelast worden met de eis aan de autobouwers geen bonussen of dividenden uit te keren” (Winfried Kretschmann, minister-president van Baden-Württemberg en prominent lid van Bündnis 90/Die Grünen, geciteerd in Kontext: Wochenzeitung, 30 mei). Zo’n instelling getuigt van realiteitszin; in 2020 nam de staat (de belastingbetaler) de kosten van de technische werkloosheid van tienduizenden arbeiders in de auto-industrie op zich, maar dat belette de families Quandt en Klatten niet als grootaandeelhouders van BMW voor 800 miljoen euro dividenden op te strijken (dat is bijna de helft van de 1,646 miljard die over 2019 verdeeld werden onder de aandeelhouders).

Klein bier, vergeleken met de wensen van de familie Agnelli, de eigenaren van Fiat en Juventus. Eind mei vroeg de holding FCA (Fiat, Chrysler, Alfa Romeo, Jeep) garanties van de Italiaanse staat voor een lening van 6,3 miljard euro. Tegelijk maakte het management bekend dat het niet van plan was af te zien van de uitkering van 5,5 miljard aan dividenden die voorzien was in het overnameakkoord met het Franse PSA (Peugeot, Citroën, Opel). Dat overnameakkoord ligt inmiddels onder vuur vanwege de Europese Commissie, maar de uitkering aan de aandeelhouders staat volgens ceo John Elkann “in steen gebeiteld en gekluisterd” (il manifesto, 21  mei).

Trouwens, om het nog even verder over mobiliteit te hebben, kan het eens afgelopen zijn met die vliegschaamte? Economische groei kan niet zonder transport, dus waarom zou je dan als politica het vliegen niet promoten? Dat is in ieder geval wat (liberaal) Vlaams minister van mobiliteit Lydia Peeters deed. Op uitnodiging van het kleine luchtvaartbedrijf ASL maakte zij een vluchtje van nog geen 40 km tussen Antwerpen en Brussel. Met goede redenen, zo blijkt uit haar persbericht:

Lydia Peeters werd in de hoedanigheid van Vlaams minister van Mobiliteit, bevoegd voor de regionale luchthavens, uitgenodigd om deel te nemen aan de persvlucht van afgelopen dinsdag. De minister is op die uitnodiging ingegaan:

1) Omdat zakenvluchten een essentiële pijler zijn van onze regionale luchthavens.

2) Om de nodige media-aandacht te krijgen voor de heropstart van onze regionale luchthavens.

3) Om het engagement van ASL, om hun CO2 uitstoot te compenseren, onder de aandacht te brengen, wat een belangrijke voorbeeldfunctie heeft op de gehele sector van de zakenvluchten.

4) Omdat onze regionale luchthavens nood hebben aan nieuwe initiatieven, binnen de contouren van milieuvergunningen, zoals deze van ASL, om hun financieel model robuust te maken.

Kortom, Vlaanderens regionale luchthavens zijn weer open, èn er is een vliegtuigmaatschappij die haar CO2-uitstoot op een of andere manier wil compenseren. Met Vlaanderen gaat het de goede richting uit.

Duizenden (web)pagina’s zijn er inmiddels geschreven over wat er nu echt moet veranderen. Bruno Latour houdt het procedureel, door een denkoefening te suggereren die moet helpen om uit te maken wat hoe anders moet. Een mooi inhoudelijk overzicht biedt bijvoorbeeld Transnational Institute (TNI) met o.m. een lijstje van Immediate priorities [to] protect those made vulnerable by the global economic order.

De vraag is alleen: hoe ga je zaken als zeg maar de eerste suggestie van TNI,  Bailing out those losing jobs and income rather than bailing out industry, concreet bereiken of afdwingen? De voorbeelden hoger in dit stuk geven aan dat hier en daar nogal de neiging bestaat de prioriteiten om te keren: eerst de industrie, en dan de baanlozen. In het gesprek met Mark Blyth in De groene Amsterdammer van 11 juni zegt deze: “Nu de bestaande regels niet automatisch meer gelden, is dit het moment waarop democratisch bestuur technocratisch bestuur moet ondervragen, op een niet-populistische manier. Wij als burgers moeten dit moment gebruiken om van onze leiders antwoord te eisen op de vraag: wat doen we eigenlijk, en waarom doen we het?”

Je kan dat antwoord wel eisen, maar hoe ga je afdwingen dat je het ook krijgt? In Duitsland, Frankrijk, Italië zijn er volksmanifestaties en media die pertinente vragen stellen, kritisch het beleid volgen, druk proberen uit te oefenen op de richting die gekozen wordt voor toekomstig beleid. In België niets van dit alles; daar hebben de media het erover wat de mama’s vinden van het feit dat de kindjes al dan niet weer naar school kunnen, dat de bevolking bevrijd is nu zij weer mag knuffelen en op café gaan, of dat voetballers behoefte hebben aan psychologische coronabegeleiding. ‘De politiek’ komt helemaal nergens aan toe vanwege de patstelling in de strijd om het opheffen of het voorbestaan van het hele land. Qua actie en discussie om de toekomst ‘anders’ vorm te geven, heerst hier complete lethargie.

Er zit voor burgers maar één ding op: er zelf aan beginnen. Alleen al het idee van Blyth dat “onze leiders” een antwoord moeten geven op de vragen naar de toekomst, geeft aan dat van zijn visie geen ‘anders’ te verwachten is. ‘Leiders’ zijn zij die op een bepaald ogenblik als zodanig aanvaard worden, omdat zij vallen binnen een categorie of een definitie van leiderschap, die op dat moment dominant is. Die leiders zijn kortom het product of de uitdrukking van de machtsrelaties en de structuren, die je juist zou willen veranderen.

Het is dan belangrijk macht niet te zien als een vorm van dominantie of eenrichtingsverkeer van machtigen tegenover onmachtigen. Als je ervan uitgaat dat individuele acties ingebed zijn in sociale structuren, maar dat structurele fenomenen ook beïnvloed worden door het herhaald ingrijpen van actoren, dan heeft elk individu de macht om weerstand te bieden, zaken anders te denken en daar naar te handelen. Als je dat met een groep doet, kan je – zelfs al is het maar op beperkte schaal – een alternatief vormgeven. Je hoeft dan nog niet eens te denken in termen van ‘de macht grijpen’. Gedeelde of collectieve kennis en belangen zijn misschien veel belangrijker om concrete zaken te veranderen, dan ideologische eensgezindheid; je eigen macht versterk je op de eerste plaats door ze uit te oefenen.

Aan die ingrepen in kleine situaties  hoeft niet noodzakelijk een alomvattend plan ten grondslag te liggen – hoewel een breed denkkader helpt. Een historisch voorbeeld is dat van de (mondiale) anti-apartheidsbeweging uit de laatste decennia van de twintigste eeuw. De massale boycot door individuen en groepen van niet alleen Zuid-Afrikaanse producten, maar ook van evenementen, academische samenwerking, sportieve en culturele manifestaties en dergelijke heeft zeker een belangrijke rol gespeeld bij het ondermijnen van het apartheidsregime. Het voorbeeld van Zuid-Afrika is ook de reden waarom in verschillende landen (Frankrijk, Duitsland, de VS) de huidige BDS-beweging tegen Israël gecriminaliseerd wordt (Boycot, Desinvesteringen, Sancties). Die beweging van burgers doet pijn (zie bv. hier en hier en hier), niet alleen aan Israël zelf, maar ook aan zijn Westerse bondgenoten, die de bezetting van Palestina en het apartheidssysteem ten opzichte van de Palestijnen liever door de vingers zien om hun centrale bolwerk in het Midden-Oosten te vrijwaren.

Hoe dit alles uitpakt op het terrein van mobiliteit, is mij nu en hier niet duidelijk; wanneer het over mobiliteitsbeleid gaat, verlaat ik mij graag op het advies van anderen die daar meer van weten, beter over nagedacht hebben, en een in mijn ogen verstandige visie ontwikkeld. Wel is het duidelijk, denk ik, dat het niet meer evident is dat iedereen een ongelimiteerd recht op mobiliteit bezit. Iedereen kan voor een goed deel voor zichzelf beslissen waar zij of hij de grenzen legt aan acceptabele mobiliteit: op het gebied van buitenlandse studies, van vervoermiddel, van vakanties, van aangeschafte producten, …

Moet je ook mensen aanspreken op hun gedrag, wanneer je denkt dat het voor iedereen schadelijk is? Kan je altijd alle mensen aanspreken op wat in jouw ogen asociaal gedrag is? Met één ding kan je in ieder geval individueel al beginnen, en je kan makkelijk anderen aansporen om dat ook te doen: zo veel als mogelijk alle publiciteit, die je toch alleen maar aanzet om nog meer maatschappelijke rotzooi en schade te veroorzaken, blokkeren, doorspoelen, weggooien, negeren … Je macht vergroot je door ze te gebruiken.

Rinks en lechts

lichting

velen menen

lechts en rinks

kan men niet

velwisseren.

wat een dwaring!”

tumblr_m9gh32lmk51qaruxco1_500

Ernst Jandl, lichtung, 1966

De Duitse krant Die Tageszeitung (taz) werd in 1978 opgericht als een alternatief, links en onafhankelijk dagblad dat op de eerste plaats weerwerk wilde bieden aan de loden repressie die de Bondsrepubliek over zich heen kreeg sinds de Deutscher Herbst van 1977. Vandaag stelt de redactie: het politieke links-rechts denken is geen goed onderscheid meer voor de beslissende vragen over de toekomst – we zoeken wat beters. Cultuursocioloog Andreas Reckwitz zoekt mee, in het voorjaarsnummer van taz futurzwei – Magazin für Zukunft und Politik.

Niet alleen de toekomst, maar ook het politieke handelen van de afgelopen decennia is volgens Reckwitz veel beter te begrijpen vanuit paradigmata als regulering en dynamisering. Een politiek paradigma is een raamwerk, dat een denkkader biedt om de politieke vormgeving van een samenleving te begrijpen. Het reguleringsparadigma is dan één variant om met maatschappelijke veranderingen om te gaan. Wanneer de maatschappelijke dynamiek te hevig wordt, en anomie en grove ongelijkheid dreigen, kan de politiek proberen in te grijpen en sterkere ordeningsmechanismen in te voeren. Daar tegenover staat het dynamiseringsparadigma. Daarin moedigt de politiek juist de maatschappelijke dynamiek aan, door de marktwerking, de wensen en belangen van de individuen en de ontwikkeling van techniek te stimuleren, omdat zij vindt dat die te zeer door regels beperkt worden. Beide paradigma’s reageren op elkaar: op crises van overdynamisering komt het reguleringsparadigma naar voren, op perioden van overregulering het dynamiseringsparadigma. Geen van die twee denkwijzen is in se goed of fout, schrijft Reckwitz; het komt er op aan op tijd te beseffen dat je moet overschakelen.

Van het reguleringsparadigma bestaan zowel progressieve als conservatieve uitwerkingen. Het nationaalsocialisme was een duidelijk reguleringsantwoord op de gigantische Überdynamisierungskrise van na de Eerste Wereldoorlog (beurskrach, massale werkloosheid, sociale onrust in de steden, …), maar ook de Scandinavisch-sociaaldemocratische welvaartsstaat met haar volkshuisvestingsbeleid was een reguleringsantwoord op het ontketende kapitalisme. Vanaf de jaren 1980 echter beheerste het liberalisme weer de politieke agenda, en dook opnieuw het paradigma van de dynamisering op. Het neoliberalisme, met zijn nadruk op concurrentie, globalisering van de markt en de afbraak van de welvaartsstaat is hierin de rechtse variant; het linksliberalisme is de andere vleugel van de dynamisering (versterking van individuele rechten, lof van migratie en culturele diversiteit, slechten van gender-hiërarchieën, …).

Volgens Reckwitz is het duidelijk dat het dynamiseringsparadigma vanaf 2010 weer op zijn grenzen stoot. Sociaal-economisch zijn de ontketening van de markten, de afbraak van de openbare infrastructuur en de verscherping van de sociale ongelijkheid niet meer te ontkennen. Op socio-cultureel niveau heeft de wildgroei aan wensen en aspiraties van individuen en groepen de consensus in de samenleving meer dan fragiel gemaakt (kijk even naar je sociale media). En ecologisch gezien heeft de wereldwijde groei van consumptie desastreuze gevolgen. Die drie aspecten van de overdynamisering, het neoliberalisme, de maatschappelijk-culturele crisis en de ecologische ramp, moeten nu gezamenlijk aangepakt worden. En dat kan alleen door de verhouding tussen ordening en dynamiek opnieuw af te stellen, en wel door opnieuw in de richting van een reguleringsparadigma te bewegen.

Wat je dus nodig hebt, zegt Reckwitz, is een politiek die de grenzeloze dynamiek van de markten en van de individuele wensen en identiteiten, en de ecologisch belastende consumptie in één sociaal en cultureel, statelijk en maatschappelijk raamwerk inbedt en opnieuw reguleert. Zo’n paradigma moet tegelijk zowel op de economische, de culturele als de ecologische overdynamiseringscrisis een antwoord bieden. Hoe dat antwoord er concreet uit moet zien, daar kan het onderscheid tussen links/progressief en rechts/conservatief nog zeer zeker een rol spelen, meent de auteur.

Wat mij opvalt in het stuk van Andreas Reckwitz, dat ‘Weder rechts noch links’ heet, is dat links en rechts blijkbaar voor hem toch nog steeds bruikbare termen zijn, en dat die bovendien zonder verdere toelichting gekoppeld worden aan het begrippenpaar progressief en conservatief. Zelf heb ik lange tijd geworsteld met deze begrippen, ook omdat in de Noord-Belgische media Groen en sp.a blijkbaar zonder scrupules ‘links’ worden genoemd. Welke inhoud heeft zo’n begrip dan nog? Maar goed, zelf probeer ik de termen zo veel mogelijk te mijden, en als ik ze voor de gemakkelijkheid toch maar even gebruik, weet ik nu wat ik er zelf min of meer mee bedoel.

Zo’n drie jaar geleden schreef ik op http://durieux.eu/blog/progressief-conservatief: “Als links en rechts staan voor verschillende opvattingen over de eerlijke verdeling van maatschappelijke rijkdom, staan conservatief en progressief misschien eerder voor culturele waarden, voor opvattingen over wat belangrijk is als kader om het bestaan en de wereld zin en betekenis te geven.” Maar ook: “Wil je dat iedereen een kans heeft zich ten volle te realiseren, en ben je bereid daarvoor solidair te zijn, en diegenen die vanuit een moeilijke positie vertrekken een extra steuntje te geven? Dan ben je links. Ga je ervan uit dat iedereen gelijke kansen heeft om zich te realiseren, en dat dus individuele verdienste het enige criterium is of je al dan niet maatschappelijk slaagt, dan ben je rechts. Tiens, zo vallen rechts en behoud van de status quo toch weer samen. En ook links en streven naar maatschappelijke verandering.” En ik besloot toen: “Misschien is het onderscheid ook helemaal niet zo belangrijk; kan je progressief zijn op bepaalde terreinen (kunst, gender, mobiliteit) en conservatief op andere (privacy, sociale media, onderwijs). Belangrijker lijkt mij de individuele keuze voor solidariteit of eigenbelang, voor links of rechts dus.”

Los van mijn bedenkingen over de mixage van links/progressief en rechts/conservatief die dus zonder verdere duiding weer opduikt bij Reckwitz, lijkt mij het belangrijkste discussiepunt in zijn benadering de keuze voor procedurele paradigmata en niet voor inhoudelijke. Reckwitz’ paradigma’s gaan namelijk over twee manieren om de samenleving te sturen, een regulerende en een dynamiserende. Hij maakt een onderscheid tussen twee benaderingen, twee types van aanpak, twee denkrichtingen over de te volgen methode. Maar welk soort samenleving je daarmee wil bereiken, welke waarden en opvattingen over rechtvaardigheid en het goede leven je wil realiseren, daar spreekt hij zich niet over uit. Veel verder dan de noodzaak van een meerdimensionale aanpak van tegelijk economie, samenleving en ecologie komt hij niet.

Nu is er in zeer veel gevallen zeer veel te zeggen voor een procedurele benadering van wat je behoort te doen of als toets voor juist handelen. Dat kan gelden voor het componeren van muziek, in rechtszaken, ook in de politiek (in principe hebben democratisch genomen besluiten de voorkeur boven maatregelen van een totalitair systeem). Maar die procedurele benadering sluit natuurlijk problemen niet uit. Het klassieke voorbeeld: Hitler is via democratische weg aan de macht gekomen, de nazi-wetgeving kwam voor een belangrijk deel via de formele wetgevende procedures tot stand. Met andere woorden, kiezen voor de consequente toepassing van een bepaalde methode of procedure mag in zaken waar het er toe doet, niet leiden tot uitkomsten die onacceptabel zijn. En dat is dus een morele of politieke keuze die je voor jezelf of als samenleving moet maken. Op zich is dat zelf ook al een conflict tussen de paradigmata van dynamiek en regulering, dat je tegenwoordig bijna dagelijks terugvindt in de discussies over vrijheid van meningsuiting (in ieder geval in Frankrijk en Duitsland). Uitgerekend Angela Merkel verwoordt hier kort en krachtig wat er op het spel staat.

Maar goed, mij lijkt het dus veel logischer eerst te bepalen welke maatschappelijke, economische en ecologische toekomst je wil, en dan pas te beslissen of werken in een regulerings- of een dynamiseringsparadigma daartoe de meest geschikte weg is. Het is niet omdat de overdynamisering teruggeschroefd wordt door meer ordening, dat die regulering vanzelf leidt tot een meer rechtvaardige en duurzame maatschappelijke, economische en ecologische toekomst. Zo is het bijvoorbeeld pas op het nippertje geweest dat de Duitse regering, tegen de zeer machtige autolobby (VW, Daimler, BMW en hun politici uit alle partijen, inclusief Die Grüne) in, op 3 juni 2020 besloot geen individuele subsidies ter beschikking te stellen voor de aankoop van nieuwe voertuigen met een verbrandingsmotor. Als het aan die autolobby had gelegen, was een systeem van aankooppremies juist hèt middel geweest om hun slabakkende industrie weer op peil te brengen.

Natagora et l’éolien

« Mais, plus récentes et totalement inacceptables, sont les installations d’éoliennes en forêt. Car, oui, aujourd’hui, on grignote des forêts en Région wallonne pour installer des éoliennes ! » C’est Natagora qui l’écrit sur son portail, caractères gras et point d’exclamation inclus. Auraient-ils vu la lumière en 2020, ces protecteurs (f/m) de la nature autoproclamés wallons et bruxellois ? L’implantation de zonings éoliens en forêt n’est pourtant pas un phénomène récent. Mais quand EDF Luminus et la commune de Lierneux décidèrent en 2015 de déboiser six hectares pour l’implantation de six éoliennes, on ne les a pas entendus.

Selon Natagora il est essentiel que les luttes contre le réchauffement climatique et contre l’érosion de la biodiversité soient menées conjointement. « Et c’est là où le bât blesse. » Pour ce qui est des ambitions climatiques (= énergétiques) de la Région wallonne, l’organisation constate : « De nombreux projets éoliens émergent un peu partout sur le territoire. Le Plan air climat énergie wallon (PACE) 2030 prévoit d’atteindre une production d’électricité éolienne de 4 600 GWh/an à l’horizon 2030. Aujourd’hui, la production atteint 3 115 GWh/an. Si tous les projets soumis venaient à se réaliser, on atteindrait un total de 7 270 GWh/an. Tous ne verront bien sûr pas le jour, mais on a largement de quoi atteindre les objectifs 2030. »

Or, la construction de zonings éoliens a, toujours selon Natagora, un impact certain non seulement en ce qui concerne des questions paysagères, de bruit ou d’effets stroboscopiques, mais également en matière de protection de la biodiversité. Et de s’étendre un peu sur les menaces pour les oiseaux des plaines, pour le milan (en Haute Ardenne – où d’ailleurs Lierneux est situé), pour les chauves-souris, … Mais aussi sur le sol l’implantation de zonings éoliens a une emprise non négligeable : « Au-delà de la nécessaire préservation d’un cortège d’espèces fragilisées par la présence d’éoliennes, il est important de prendre également en compte l’emprise des parcs éoliens sur le sol. Au-delà des quelques mètres carrés nécessaire à l’implantation d’un mât, il faut imaginer les zones de sécurité et le charroi généré par le montage, l’utilisation et l’entretien des infrastructures. [-] Mais, plus récentes et totalement inacceptables, sont les installations d’éoliennes en forêt. Car, oui, aujourd’hui, on grignote des forêts en Région wallonne pour installer des éoliennes ! Cette artificialisation a des impacts sur la forêt en tant que paysage et espace naturel : création de route et de zones techniques rompant la tranquillité et l’unité des massifs, installation permanente de grandes infrastructures affectant les paysages, compaction des sols forestiers, risque d’apport d’espèces invasives, mortalité directe de certaines espèces, perte d’habitats pour d’autres. »

Il y a quoi de neuf là ? Si l’on avait écouté un peu les riverains et les populations touchées, l’organisation aurait pu savoir tout cela depuis des années. Pour la commodité les auteurs oublient d’ailleurs de mentionner les effets dévastateurs sur la qualité de vie des riverains.

Le texte conclut : « Bref, ce qui pourrait ressembler ici à un réquisitoire contre les éoliennes n’est en fait qu’une objectivation de leurs impacts. Natagora ne s’oppose pas à l’éolien, loin de là. À l’heure actuelle, nous n’avons d’ailleurs intenté de procédure juridique que dans trois dossiers sur les trente-deux projets en recours comptabilisés au 31 décembre 2019. Par contre, nous réclamons ardemment un cadre de référence réglementaire. Au-delà des questions de biodiversité, la situation est aujourd’hui tout à fait chaotique. Chaque situation fait s’opposer, au cas par cas, spéculateurs (belges ou étrangers), coopératives citoyennes, voisins, communes et associations de protection de la biodiversité.

Pour minimiser les impacts sur la biodiversité, il est impératif de s’éloigner des sites sensibles. Et une planification à l’échelle régionale est indispensable pour prendre en compte les effets cumulés des projets. Mais dès qu’une tentative de cartographie positive voit le jour, des pressions énormes montent des pouvoirs locaux pour ne pas voir s’implanter des parcs sur les territoires qu’ils gèrent. D’autres communes, moins regardantes, empochent donc des sommes rondelettes pour l’implantation anarchique de parcs en mauvaise situation. Il est plus qu’urgent que le politique remette sur le métier la planification du développement éolien, comme commencé en 2013. C’est pour Natagora la seule façon de concilier l’atteinte des objectifs énergétiques et des objectifs biodiversité. Tant que cela ne sera pas fait, il ne sera plus possible, à qui que ce soit, de motiver adéquatement un projet éolien. »

Un cadre de référence, il y en a un, datant de 2013 et déterminant les critères à respecter pour l’implantation d’éoliennes ; mais comme les auteurs le formulent eux-mêmes, ses dispositions sont assez souvent « allègrement outrepassées ». Et en ce qui concerne les procédures juridiques dans lesquelles Natagora a rejoint les adversaires des zonings éoliens : le petit nombre (trois sur trente-deux) démontre déjà le peu d’engagement de l’organisation.

Dans une note, le texte mentionne qu’une de ces procédures est dirigé contre « des collectifs citoyens qui tentent de faire leur part en terme de lutte contre le réchauffement climatique ». Assez triste, dit-on, parce qu’ainsi certaines parties de la société civile sont amenées à s’opposer à d’autres. Bof, ce n’est pas parce que certains groupements se présentent en tant que collectifs citoyens ou coopératives, qu’ils ne soient pas conduits par la soif de profit à court terme, ou qu’ils ne fonctionnent comme couverture pour des entreprises énergétiques – et tout cela sur le dos des riverains et en méprisant la biodiversité et l’environnement que Natagora est censé défendre. On pourrait penser p.e. à la coopérative Courant d’Air. Dans son rapport annuel 2016 elle mentionne, à propos de sa collaboration avec Electrabel dans la construction d’un zoning éolien en forêt à Trois-Ponts, qu’elle s’engage « à faire le travail de communication nécessaire pour rallier les citoyens et les administrations au projet ». Le collectif citoyen comme alibi.

Je ne sais pas très bien quoi penser de ce texte de Natagora. Si l’on veut croire à sa sincérité, il me semble un exemple typique du trop peu, trop tard ; les humains et la biodiversité mériteraient une meilleure protection que celle qu’offre l’organisation. D’autre part, le moment de parution me fait douter de ses intentions. En novembre 2017 le Conseil d’Etat annula un arrêté wallon de 2014 qui fixait les conditions sectorielles pour l’éolien, en maintenant toutefois ses effets pour une durée de trois ans. Cette période vient à échéance cet automne, et il est donc devenu urgent pour le gouvernement wallon et les promoteurs éoliens d’établir une nouvelle réglementation des constructions éoliennes –valide cette fois-ci. L’enquête publique, qui était une conditio sine qua non pour la légalité du nouvel arrêté vient d’être close ce mi-mai. Natagora, qui ne cesse d’insister sur l’urgence d’une planification réglementaire du secteur éolien, devrait donc soutenir de tout cœur l’initiative récente du gouvernement wallon pour ce qui s’appellera dorénavant « Arrêté du Gouvernement wallon portant conditions sectorielles relatives aux parcs d’éoliennes d’une puissance totale supérieure ou égale à 0,5 MW » et « Arrêté ministériel relatif aux études acoustiques des parcs éoliens ».

Or, dans l’enquête publique ces deux projets de plan ont fait l’objet d’un commentaire très critique de la part de 49 comités locaux et de 400 personnes, qui ont contribué à ou souscrit le texte publié et soumis par l’asbl VentdeRaison – WindmetRedelijkheid. Une critique générale est que – encore une fois – les textes que le gouvernement wallon a soumis à enquête publique et les modalités de celle-ci ne répondent pas aux exigences que posent les normes européennes en matière de consultation publique « relative à l’évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l’environnement ». Ce qui signifie : la soi-disant enquête publique était en large mesure un leurre, et en tant que tel rendra les deux arrêtés projetés légalement non valides. En conclusion pourtant, VdR-WmR est plus généreux :

Le premier document (projet de conditions sectorielles) est à rejeter. Il est notamment incomplet, partial, propose des modifications contraire au principe de standstill.

Le second document (projet d’arrêté ministériel) pourrait être accepté conditionnellement pour autant que les commentaires soient incorporés (voir commentaires détaillés) et l’aspect spécifique du bruit issu des éoliennes spécifiquement adressé.

Que va faire Natagora ? Se taire et se réjouir que le gouvernement wallon décrétera une nouvelle réglementation sur les éoliennes – même si celle-ci se débarrasse de toute participation de la population ? Or appeler à la résistance, afin de réellement contrer les attaques des promoteurs éoliens à la biodiversité et la qualité de vie des riverains ?

 

Meta meta meta meta meta

“… the importance of the communicative context in the negotiation of the conditions through which truth is constructed, …”

A quotation from a fascinating study by Marco Jacquemet, Credibility in court – Communicative practices in the Camorra trials (1996). It’s in a paragraph on ‘Metapragmatics in court’ that the author formulates this sentence on truth.

‘The truth, the whole truth, and nothing but the truth’? That’s the basis of legal oats in about all western judicial systems.

Jacquemet’s study shows how truth is constructed, through conditions, that are being negotiated, in a specific communicative context, which has his own importance.

I like that.

Praktische denkoefening

“De huidige gezondheidscrisis is immers niet ingebed in een crisis – die zijn altijd van voorbijgaande aard – maar in een voortgaande, onomkeerbare ecologische mutatie.” Bruno Latour heeft het gezegd – maar velen zullen het met hem eens zijn. Even verder schrijft hij: “De eerste les van het coronavirus is ook de meest verbazingwekkende: het is in feite bewezen dat het mogelijk is, binnen een paar weken, een economisch systeem op pauze te zetten, overal ter wereld en tegelijkertijd; een systeem waarvan men zei dat het onmogelijk vertraagd of (ge)heroriënteerd kon worden.”

OK, denk ik dan, maar tot welke prijs? Inderdaad, het mondiale kapitalistische systeem is op pauze gezet, en wie draait er voor op? Niet degenen die er voordien al op teerden, die hun vermogen vergaarden door speculatie en de handel in aandelen en obligaties, maar de overgrote meerderheid van de wereldbevolking, die de economie draaiende moest houden om te (over)leven.

Latour besteedt wel aandacht aan die laag van profiteurs, die de “plotselinge pauze van het geglobaliseerde productiesysteem” zien als “een goede gelegenheid om zich te ontdoen van de rest van de verzorgingsstaat, het vangnet voor de armsten, wat er nog over is van regelgeving tegen vervuiling, en, nog cynischer, zich te ontdoen van al die boventalligen die de planeet bevolken.” Deze globalisten weten ook “dat ze verloren hebben, dat hun ontkenning van de ecologische mutatie niet eeuwig door kan gaan, dat er geen enkele mogelijkheid is waarop hun ‘ontwikkeling’ nog verzoend kan worden met de verschillende planetaire begrenzingen waarin de economie op een of andere manier ingepast moet worden. Dit maakt dat zij bereid zullen zijn om alles in het werk te stellen om voor de laatste keer, de omstandigheden te scheppen die hen in staat stellen om het nog iets langer vol te houden en zichzelf en hun kinderen te beschermen.”

Wat stelt Latour daar dan tegenover? Een denkoefening op maat van het nog relatief welvarende deel van de westerse bevolking, en gericht op “het loslaten van productie als het enige principe van onze verhouding tot de wereld. Het is geen kwestie van revolutie, maar van ontbinding, pixel voor pixel. Zoals Pierre Charbonnier laat zien: na honderd jaar socialisme dat zich louter beperkt tot de herverdeling van de opbrengsten van de economie, zal het nu misschien tijd worden om een socialisme uit te vinden dat de productie zelf uitdaagt. Onrechtvaardigheid gaat niet enkel over de herverdeling van de vruchten van de vooruitgang, maar over de manier waarop de planeet zelf vruchtdragend gemaakt kan worden. Dit betekent niet ont-groeien, of het enkel leven van de liefde of schoon water. Het betekent het leren om elk onderdeel van dit zogenaamde onomkeerbare systeem apart te nemen, een vraagteken te zetten bij elk van de vermeende onmisbare verbindingen, en dan steeds gedetailleerder te onderzoeken wat er wenselijk is, en wat er heeft opgehouden wenselijk te zijn.”

Het is een benadering die – terecht – de individuen wijst op hun verantwoordelijkheid, maar, vrees ik, de concrete levensomstandigheden van een overgroot deel van de mensheid nogal negeert. Latour haalt het voorbeeld aan van een Nederlandse bloemenkweker die met tranen in de ogen op de televisie vertelde hoe hij enorme hoeveelheden tulpen had moeten vernietigen omdat hij ze niet meer naar zijn klanten over de hele wereld kon vervoeren. En inderdaad, wat is dit voor flauwekul? Hollandse snijbloemen die naar Zuid-Korea gevlogen worden? En omgekeerd, boontjes uit Kenia, die hier in de supermarkt liggen?

Anderzijds, die bloemenkweker is in een tredmolen terecht gekomen (heeft die waarschijnlijk zelf opgezocht), waarin het op een bepaald ogenblik evident werd om gigantisch te investeren voor de productie van zeer vergankelijke luxeproducten. In Aartselaar kan je op de Bloemenplukweide zelf voor een bescheiden bedrag je bloemen en klein fruit komen plukken/rapen. Zou die tuinder daarvan kunnen leven? De wantoestanden waarop het financiële kapitalisme van vandaag drijft, ga je niet veranderen door in je eentje geen snijbloemen meer te kopen of die boontjes te laten liggen en alleen nog voor seizoensgroenten te gaan in de min of meer korte keten bij de min of meer lokale boer. De rijen voor de Primark in Antwerpen op de eerste winkeldag na de isolatie gaven aan dat mijn individuele inzet er niet zo veel zal toe doen – het is immers niet dat die honderden pubers niet (kunnen) weten dat zij teren op de ellende van naaisters en stiksters in verwegge landen.

De twee moeten dus noodzakelijk samengaan: niet alleen een socialisme dat de productie zelf uitdaagt, maar zeker ook een socialisme dat werkt aan een rechtvaardige herverdeling van de opbrengsten van de economie – en dat is pure harde politiek. Het neemt niet weg dat de denkoefening die Latour voorstelt niet onzinnig is. Aan het eind van zijn tekst roept hij op tot een soort “zelfbeschrijving”, een begin van inventarisatie van “waar we aan gehecht zijn; waar we klaar zijn om ons van te bevrijden; de kettingen die we willen herconstrueren en welke we, door middel van ons eigen gedrag, vastbesloten zijn te onderbreken.”

De volledige tekst, met de vragen die Latour suggereert, vind je op Vrij Links; version originale sur AOC (Analyse Opinion Critique).

Jew Flu

There are so many forms of racism. Take for instance the history of swimming pools in the United States. As long as there was primarily a segregation between the sexes in public swimming pools, that is men and women bathing separately, in the big cities black and white people could swim together.  This was a logical consequence of the idea that public swimming pools were to be a contribution to fostering public health and hygiene within working-class families. But as soon as cities permitted men and women to swim together, racial segregation superseded the one on the basis of gender – mainly because black men shouldn’t be allowed to approach white women in this rather intimate context of public bathing. Race, class and gender meet her in a mix of discriminations. Jeff Wiltse has written a book about it: Contested Waters: A Social History of Swimming Pools in America.

All over history this racism based on the idea of the superiority of one ‘race’ above all others has produced vehement forms of physical violence. Expulsion and displacement, mutilation and rape, persecution and incarceration, (mass) murder … they have always been the fate of ‘indigenous people’, lower castes, ethnic minorities, all groups of people that in one way or another could be constructed and redefined into a category of inferior beings – and that in all continents and all times. Today is in that sense not better than yesterday.

What keeps amazing me is the obstinacy with which Jews (with or without capital letter, and whatever that category might include) over all times and places and for whatever reason are considered as a race to be exterminated. Even today, when protesters in the US carry posters showing drawings of ‘jewish rats’ and the text The Real Plague. White-supremacist circles worldwide spread the idea that Jews control the Chinese labs that created the new coronavirus. Maybe this might have been expected, since anti-Semitic theories have always regarded Jews as poisoners and deliberate carriers of disease and as inveterate economic profiteers. So, though the creation of sars-CoV-2 and the spreading of covid-19 are supposed to originate from Chinese labs, the evil mind behind all this is jewish. Isn’t it true that the Jews are always pulling the strings but using proxies for deniability and to amplify their power? And so an internet cartoon holds this strapline: It’s not Chinese. It’s the JEW FLU! The purpose of all this manipulation? « To consolidate their gains. The red-pill movement is growing, and time is running out for the kikes. (((They))) must cement their power now, while they still have the upper hand. »

(I looked it up, for I guess there are more people not familiar with the idiom of the ones who really understand the mechanisms of world-ruling. The red-pill movement is in this context probably not the promotor of the manosphere, but an allusion to The Matrix, where Keanu Reeves pops a red pill to unplug his mind from a simulated world, freeing him to explore genuine reality; kikes is a derogatory term for Jews; the triple parentheses ((())) is used to identify Jews in written texts.)

Right. But how did the Jews then deserve this kind of seemingly perpetual and universal reaction – at least from a part of your fellow human beings? In The Origins of Totalitarianism (first published 1951) Hannah Arendt formulates a remarkable section on the Eastern-European anti-jewish fanaticism at the beginning of the twentieth century. (Yes, but she’s a jew herself; what does she really hide behind her assertions?) In writing about “one of the most logical and most bitter revenges history has ever taken”, she mentions “the Jews’ concept of chosenness, their identification of religion and nationality, their claim to an absolute position in history and a singled-out relationship with God”. This jewish self-confidence supposedly made it easier for mob leaders to drag God into their discourse about the discrimination against their own people and about the right they had to defend their inalienable rights with all means. Arendt writes:

The hatred of the racists against the Jews sprang from a superstitious apprehension that it actually might be the Jews, and not themselves, whom God had chosen, to whom success was granted by divine providence. There was an element of feeble-minded resentment against a people who, it was feared, had received a rationally incomprehensible guarantee that they would emerge eventually, and in spite of appearances, as the final victors in world history.

Seems all too recognisable today – not only in the US. Arendts seventy years old analysis fits quite well to the actual anti-semitism of the white-supremacists. Fear and hatred, nourished by the fact that the jewish claims about uniqueness and superiority are not so different from the ones expressed in Christianity (and islam).