Angst

Hieronder enkele citaten uit de Belgisch pers, anno 2019. De fragmenten uit Le Soir komen uit berichtgeving rond de klimaatacties in het voorjaar. De citaten uit De Standaard (weekblad) hadden te maken met de verdere groei van extreemrechts in Vlaanderen bij de verkiezingen van 26 mei 2019. Het citaat van Bart De Wever staat ertussen voor de vrolijke noot; die man is bevreesd voor niet minder dan drie rampen tegelijkertijd: een Waals volksfront, een belastingtsunami en Kristof Calvo als premier. Dit is nog net niet het einde van de Westerse beschaving.

‘Anuna De Wever: « La peur du climat me guide » – Mais moi je pensais : « Comment est-il possible qu’une jeune de 17 ans doive affronter un futur aussi effrayant ? »’
Le Soir, 9 et 10 février 2019

‘Pourquoi les jeunes ont-ils déboulé dans l’arène ? « La peur », résume un manifestant.’
Le Soir, 15 mars 2019

‘Les plus lucides osent un brin de mea-culpa : « On a tous jubilé à raison devant l’énorme mobilisation climatique en Belgique. Mais on n’a pas vu la montée de l’extrême droite. Cela me rappelle l’engouement pour le Front populaire en 1936 alors qu’en Italie et en Allemagne le fascisme et le nazisme parvenaient au pouvoir par des voies démocratiques. »’
Le Soir, 29 et 30 mai 2019

‘Avec le sentiment d’urgence, c’est l’angoisse qui monte. (…) Cette thérapie de l’action, beaucoup en parlent spontanément. Et trouvent dans Extinction Rebellion une réponse très littérale à une angoisse existentielle.’
Le Soir, 26 juin 2019

“Bart De Wever: ‘Ik vrees een Waals volksfront dat een belastingtsunami op Vlaanderen afstuurt, met Kristof Calvo als premier.’”
De Standaard, 24 april 2019

“Waarvan ligt de Vlaming wakker? We trokken drie weken op pad, van Heuvelland tot Riemst. Langs kleine steden en gemeenten, waar de telelens van de nationale politiek en media vaak niet reikt. Door een regio die niet uit de comfortzone wil. ‘Wat u hoort, is angst. Angst dat we alles gaan verliezen wat we hebben.’”
dS weekblad, 25 mei 2019

“Nagenoeg overal in Vlaanderen tekende Vlaams Belang voor een forse vooruitgang. Maar de zege was het meest opvallend in West-Vlaanderen, een provincie waar de partij nooit echt grond aan de voet kreeg maar nu plots 15 procent winst boekt en de grootste wordt in verschillende gemeenten. Met dank aan een goeie ‘casting’, de angst voor een migratiegolf én … de andere partijen.”
Het Nieuwsblad, 28 mei 2019

“Fakenieuws of niet: de angst dat taferelen die ze elders zien, zouden kunnen overwaaien naar hun rustige Kempen, baart deze inwoners grote zorgen.”
De Standaard, 28 mei 2019

 

Angst overal. Verschillende commentatoren hebben erop gewezen, zowel in verband met de klimaatacties als met de gestage groei van extreem rechts of radicaal rechts of welke andere eufemismen je er verder voor gebruikt: als je groot wil worden, moet je populistisch zijn, werken op de emoties. De beste emotie is angst. Angst creëren, uitspreken en verspreiden. Werkt altijd.

Eind mei publiceerden onderzoekers aan de UCLouvain een nota: Crise migratoire: le discours médiatique augmente-t-il la peur des migrants ? Hun analyse is gebaseerd op een onderzoek dat werd uitgevoerd aan de KULeuven, waarbij tweeduizend mediabijdragen uit 2015 tot 2017 over migratie werden bekeken. De onderzoekers van de UCL schreven een zeer evenwichtig rapportje, waarvan hier de samenvatting:

De “migratiecrisis” van 2015 heeft de aandacht voor migranten in Europa sterk aangescherpt. Landsgrenzen sluiten en militariseren, een tanende ontvankelijkheid van asielaanvragen: het zijn slechts enkele van de antwoorden op de angst van de Europese burger voor deze “crisis”. Zoals uit mens- en sociaalwetenschappelijk onderzoek blijkt, versterkt het discours in politiek en media zo negatieve stereotypen, accentueert het afwijzend gedrag en werpt het gaandeweg een valkuil op voor migranten. En de opkomst van een humanitaire logica, die de migrant-als-bedreiging inruilt voor een slachtoffer-migrant, maakt het niet mogelijk om de impasse te doorbreken.

Kortom, media en politici blijven angst creëren en oproepen – of het nu trouwens over migratie of over klimaat gaat –, en de media brengen bij voorkeur dat soort politici in beeld aangezien hun verhalen kijkers en lezers trekken. Daarmee verspreiden zij clichés en vooroordelen, die de denkwereld van bepaalde groepen mensen gaan aansturen. Ook al hebben die clichés geen objectieve basis, tegengestelde informatie kan bijna nooit krachtig genoeg zijn om de sterke emotie die angst is te temperen of te neutraliseren. Kassa!

 

Ik moest plots denken aan een boek dat ik pas herlezen heb: Ruth L. Ozeki, Mijn jaar van het vlees, Amsterdam, 1998 (My Year of Meats, New York, 1998, vertaling Ruud Rook). Aan het einde (p. 350-351) schrijft de hoofdpersoon (de schrijfster):

“Kennis die op die manier op ons afkomt – in golven, alles in één keer, onafwendbaar – wordt symbolisch voor onze machteloosheid: het wordt onaangename kennis – en dus ontkennen we hem, rijden op de top van de golf mee tot hij uit ons bewustzijn verdwijnt. ‘Ik wist het niet!’ heb ik mezelf horen tegenwerpen, maar het is niet waar. [-] ‘Onwetendheid.’ In wezen ben je bewust onwetend, is het een keuze die je telkens opnieuw maakt, vooral wanneer je met informatie wordt overstelpt, en kennis is synoniem geworden met machteloosheid.

Ik wou dat ik mijn ‘onwetendheid’ niet zozeer als persoonlijk falen maar als een gigantische culturele trend kon zien, een voorbeeld van dissociatie, van psychische verdoving, van de manier waarop we aan het eind van het millennium psychisch zijn lamgeslagen. Dwingt onze kennis ons niet tot handelen, dan kunnen we ons alleen handhaven bij de gratie van onze onwetendheid. Dus cultiveren we die en doen we er zelfs alles aan om onwetendheid te verheerlijken. De esthetiek van de opzettelijke domheid die de dienst uitmaakt op tv en in Hollywood móét hiermee te maken hebben. Gevoed door een mediadieet van rampzalig nieuws leven we in een aanhoudende toestand van onderdrukte paniek. We worden verlamd door rampzalige kennis waar we alleen aan kunnen ontsnappen door ons van de domme te houden. Onwetendheid wordt macht, omdat het mensen in staat stelt om te leven. Domheid wordt proactief, een politiek statement. Onze collectieve norm.”

 

Paralipse

(Nederlandse versie op http://durieux.eu/blog/paralipsis)

Ce dont je ne veux pas parler ici est la longue durée d’inactivité sur mes sites web. Sur durieux.eu la dernière contribution, le long essai hoe (een) intellectueel zijn? date déjà du 10 juin. Et sur rivieren & meren – rivières & lacs – rivers & lakes le dernier article a exactement trois mois, mais en fait Het kind en de zee zijn van zichzelf n’était rien de plus qu’une annonce à peine agrémentée d’un événement organisé par des tiers.

Peu importe comment on en est venu là. Je ne m’interroge pas sur le pourquoi. Demander le pourquoi est comme aller à la recherche d’une raison, et une raison implique une intention ou un objectif. Souvent les intentions et les objectifs ne sont point à découvrir ; ce que l’on peut détecter au contraire est comment les choses ou les situations sont devenues telles qu’elles se présentent aujourd’hui. Mais sur ce sujet, je ne veux pas m’étendre, c’est-à-dire sur l’impact des déménagements de l’année passée. Je ne gaspillerai pas de l’espace pour décrire toute l’énergie investie dans le ménage d’une archive de décennies, dans la recherche d’instances qui veulent reprendre les parties précieuses, dans la réduction nécessaire de ma bibliothèque jusque presque la moitié. Tôt ou tard, tout cela aurait dû arriver, et maintenant que je pouvais encore l’organiser moi-même, je pouvais ainsi éviter qu’un jour mes proches s’en débarrassent sans scrupules.

Cela n’a pas de sens non plus d’aborder la déprime causée par le déménagement des Ardennes belges, de la maison au petit parc où j’ai vécu avec plaisir pendant presque dix ans. Ni le fait que je venais de me retrouver en Flandre, la région que je voulais quitter il y a dix ans à cause du nationalisme, de la xénophobie et des tendances fascistoïdes dans la politique et les média – une autre circonstance qui ne contribuait pas à reprendre l’écriture avec beaucoup d’énergie. Dorénavant j’habite un bel et agréable appartement avec vue et au bord de l’eau, mais cela non plus, je veux l’aborder ici.

Il ne faut pas sous-estimer la situation de se trouver pendant plus d’un an dans un mode de déménagement. Et constater que tout ce qui se présentait il y a dix ans comme une menace politique est devenu entretemps la réalité dominante à l’endroit où tu vis, cela ne te rend pas vraiment joyeux non plus. Il m’a fallu donc quelque temps pour me convaincre que je devais reprendre le fil de mes sites, que cela pourrait avoir du sens d’écrire – de préférence régulièrement – si ce n’est parce qu’il pourrait y avoir des gens qui sont intéressées, du moins pour me stimuler moi-même à formuler mes idées et à les exprimer avec plus ou moins de cohérence.

Mais en réalité ce petit article-ci ne s’agit surtout pas de tout cela. Ce dont je voulais parler vraiment est de la paralipse. La paralipse est cette figure rhétorique qui consiste à dire que l’on ne va pas parler de tout ce que l’on va dire par après. « Je ne voudrais pas dire que tout cela soient des conneries, mais quand-même, si vous vous souvenez de … »

En fin de compte ce petit texte ne traite pas non plus de paralipse. Ce n’est qu’un exercice et une tentative à reprendre la routine de l’écriture.

Het kind en de zee zijn van zichzelf

Jaren geleden was ik docent Mensenrechten aan een Rotterdamse hogeschool. Bij het begin van een nieuwe lesperiode stelde ik de studenten een reële juridische casus voor. Een man en een vrouw ergens in Noord-Nederland konden het niet eens worden over (het moment van) de besnijdenis van hun zoontje. De vader wilde dat het jong nu meteen besneden werd, de moeder vond dat het kind zelf moest kunnen beslissen wanneer het de leeftijd des oordeels had bereikt. De ouders kwamen er niet uit, en zij wendden zich tot de rechter om de knoop door te hakken. Beetje raar, vind ik, maar het is echt zo gegaan.

Ik schetste de situatie, noemde de casus ‘Moet besnijdenis mogen?’ en gaf aan dat onder meer zaken als godsdienstvrijheid en het recht op lichamelijke integriteit aan de orde zouden komen. De studenten kregen om te beginnen de volgende opdracht: ‘Vorm groepjes met vier of vijf medestudenten die je vertrouwt en met wie je over serieuze dingen kan praten. Beantwoord de vragen die ik je zo dadelijk stel, en rapporteer over zo’n twintig minuten aan de hele groep. De eerste vraag is: van wie is het kind?’. En ik suggereerde enkele mogelijkheden: het kind is van de ouders, het kind is van zichzelf, het kind is van de staat (die zorgt namelijk voor kinderopvang, school en gezondheidszorg), het kind is van God, …

In deze etnisch zeer gemengde klas viel al meteen één groepje op: een zestal Turkse en zwarte Antilliaanse meiden – geen meteen voor de hand liggende combinatie in een klas met nog meer Turkse en Antilliaanse studenten en verder meisjes en enkele jongens met o.m. Marokkaanse, Eritrese, Joegoslavische, Koerdische, Palestijnse, Surinaamse en Kaapverdiaanse achtergrond. In een ander groepje zaten alle (vijf of zes) witte Rotterdammers bij elkaar. Na een half uurtje vroeg ik wie verslag wilde uitbrengen van de discussie in zijn of haar groepje. Uit het eerste groepje stond een Turks meisje met hoofddoek op, die zei: “Wij hebben het over je eerste vraag gehad, en wij vinden allen dat het kind van God is. God heeft het kind het leven gegeven, en na zijn dood zal het kind aan God verantwoording moeten afleggen over zijn leven.” De andere groepjes kwamen aan het woord over hun discussies, en uiteindelijk was het de beurt aan het groepje witte Rotterdammers. Hun antwoord op de eerste vraag was kort en bondig: “Het kind is van ze eigen.”

Deze week ontving ik een e-mail met daarin de mededeling: “de zee en het leven in de zee is van zichzelf.” De afzender is de Ambassade van de Noordzee. Ik heb het al eerder over het Parlement der dingen gehad en de Ambassade van de Noordzee is een aanzet tot concrete uitwerking van dat parlement. Op haar website lees je:

‘De zee en het leven in de zee is van zichzelf. Vanuit dit uitgangspunt is de Ambassade van de Noordzee opgericht. Hier krijgen de dingen, planten, dieren en mensen in en rond de Noordzee een stem. We hebben een route tot 2030 uitgestippeld. Eerst gaan we leren luisteren naar de zee, vervolgens leren spreken met om ten slotte te kunnen onderhandelen namens de zee en het leven in de zee.’

‘Maar, hoe dan?’

‘Nou, we hebben een route tot 2030. En ja zeker, er is een hoop verbeeldings- en onderzoekswerk aan de winkel. Daarom gaan we 11, 12 en 13 juli naar Den Haag en Scheveningen: de zee en de stad in, de Pier en het strand op.’

 

Het programma van de driedaagse omvat onder meer:

  • Sound of the North Sea. Expeditie met componist Stef Veldhuis

Sound of the North Sea is een compositie van Stef Veldhuis voor strijkkwartet, piano en orgel geschreven op basis van data die de kabeljauwpopulatie en de temperatuur van de Noordzee weergeven. Onder water kun je deze compositie beluisteren en zo ontdekken wat het effect van de veranderingen in de Noordzee zijn op de beleving van muziek. Neem je zwemkleding en snorkel mee.

  • Kleuren van de Noordzee. Expeditie met Valerie van Leersum

Kunstenaar Valerie van Leersum bestudeert de kleuren van de Noordzee. Al vanaf de 19e eeuw worden de kleuren van water vastgelegd met behulp van kleurindexen zoals de Forel-Ule-schaal. De concentratie algen en andere zwevende deeltjes veroorzaakt namelijk steeds veranderende kleurschakeringen. Tijdens de expeditie proberen we gezamenlijk tot een nieuwe kleurbepaling te komen, specifiek voor de Noordzee.

  • Luisteren naar de zee als Artonauten

Hoe kunnen kunst en wetenschap samen luisteren naar de zee? Cultuursocioloog Ruben Jacobs geeft tips en suggesties aan de hand van zijn pamflet Artonauten, kunst voorbij de mens (2016). Aansluitend is de workshop Luisteren naar de zee als antropoloog. Hoe ontwikkelen we nieuwe luistermethoden in het Antropoceen? door Anne van Leeuwen, Ester Heiman en Ruben Jacobs.

  • Wie heeft recht op zee?

Een ochtend over zeerecht met lezingen van jurist en onderzoeker Laura Burgers: Van mensenrechten naar zeerechten; Anne van Leeuwen: De zee is van zichzelf; mensenrechtenjurist Jan van de Venis: Zeerechten voor toekomstige generaties. Na afloop neemt kunstenaar Carlijn Kingma ons mee op een tijdreis door haar tekening waarin zij het menselijk samenleven verbeeldt.

  • Alternatieve zeegezichten

Maak tijdens een interactief college in het Mauritshuis kennis met het zeegezicht. Na een rondleiding van museumdocenten langs zeegezichten in het museum geeft Harpo ’t Hart een lezing over hoe de relatie tussen mens en zee tot uiting komt in de beeldende kunst. Vervolgens gaan we zelf nieuwe zeegezichten maken met verf op doek.

 

Volledige informatie met alle praktische details op https://www.ambassadevandenoordzee.nl/agenda/.

 

Zelf slachten

Terwijl iedereen al jaren wordt aangeraden minder vlees te eten vanwege de nefaste ecologische gevolgen van grootschalige veeteelt, zegt een prof aan de faculteit Diergeneeskunde van de ULiège: “Herkauwers zijn een meevaller voor onze planeet. Zij eten plantaardige eiwitten van lage kwaliteit en zetten die om in melk, vlees, wol, leer … en in mest. Die helpt om de bodem vruchtbaarder te maken, grondwatervoorraden in stand te houden en erosie en overstromingen tegen te gaan.” Het moet gezegd: de man is wel bestuurder van de nieuwe veehouderscoöperatie En direct de mon élévage.

Als je de Luikse gemeente Trois-Ponts uitrijdt richting Basse-Bodeux, zie je bijna aan het eind van het dorp aan de linkerkant van de baan een bakstenen pand, niet veel groter dan een doorsnee woonhuis, met het verweerde opschrift Abattoir. Dat was het gemeentelijke slachthuis, zoals wel meer gemeenten dat vroeger hadden. De toename aan richtlijnen en verplichte voorzorgen, samen met de drang naar schaalvergroting en goedkopere prijzen in de vleesindustrie hebben de laatste jaren veel van die kleine slachthuizen doen sluiten. Ook de kleine rundveehouders kunnen niet optornen tegen de giganten van het goedkope vlees. Niet dat overigens de gezondheidsvoorschriften en de industrialisering van de vleesproductie per definitie tot veiliger en beter voedsel hebben geleid. De vleesschandalen van de afgelopen jaren tonen aan dat er soms behoorlijk geknoeid wordt in de sector.

Nu heeft in het zuiden van België weer een aantal boeren een coöperatie opgericht om zoveel mogelijk de controle over hun werk te behouden en om de keten tussen producent en consument zo kort mogelijk te maken. (De eigenlijke producent van het vlees is de koe natuurlijk, maar goed.) En direct de mon élévage (‘rechtstreeks vanuit mijn veehouderij’) is de niet erg swingende naam van de vereniging – maar hij dekt wel de lading. Een negentigtal rundveehouders hebben zich verenigd om samen in Perwez (Brabant wallon) een hal uit te baten voor het versnijden van hun dieren. Het vlees leveren zij dan zelf aan slagers en enkele supermarkten, en steeds meer gaat op de boerderij zelf in de rechtstreekse verkoop aan de consument. Het doden van de dieren vindt voorlopig nog plaats in vijf lokale slachthuizen, maar de coöperatie hoopt op korte termijn een eigen abattoir te vinden.

Bij de betrokken boeren zijn er die bio Limousin telen of kwaliteitsrassen als Salers, Angus en Blonde de Gallice, maar ook veehouders met het meestal kapotgefokte blanc bleu belge (BBB). Het aardige is wel dat alle coöperanten dezelfde voedselrichtlijnen moeten volgen: gebruik van lokale voedergewassen (gras, maïs, …), bietenpulp of lijnzaadkoeken, aangevuld met vitamine E en selenium (als antioxidant).

Interessant is dat, naast het streven van En direct de mon élévage om een eigen slachthuis te hebben, men in Wallonië ook serieus overweegt groot vee op de boerderij te laten slachten, of zelfs te laten afschieten in de wei. Op 27 februari 2019 nam het Waalse parlement unaniem een resolutie aan waarin de Waalse regering gevraagd wordt uit te zoeken wat een mobiele slachteenheid zou kosten en stappen te zetten bij de nationale regering om een wettelijk kader voor thuisslacht uit te werken. Daarnaast kijken boeren en natuurorganisaties nog steeds met veel belangstelling naar experimenten in bijvoorbeeld Zwitserland en Duitsland, waarbij runderen in de wei afgeschoten worden.

Ik weet nog steeds niet goed wat ik moet denken van de manier waarop Nature et Progrès Belgique drie jaar geleden het thema onder woorden bracht: “Pour procurer une mort dénuée de stress à leurs animaux et produire une viande de très haute qualité nutritionnelle et gustative, des éleveurs choisissent d’abattre leurs animaux dans leur environnement familier, en prairie et au milieu de leurs congénères.” Misschien heeft de koe in kwestie inderdaad niet te lijden onder stress, omdat zij bij verrassing gepakt wordt, maar het lijkt mij dat Bella of Mieke plots afgeschoten zien worden toch wel enige stress zal veroorzaken bij hun collega’s in de wei.

In België is thuisslacht niet toegelaten, behalve in noodgevallen of voor eigen consumptie (en dan nog alleen voor varkens, schapen en geiten), of voor ‘gekweekt wild’; runderen moeten altijd naar een erkend slachthuis. Tot het gekweekt wild behoren o.m. hertachtigen (reeën), loopvogels (struisvogels) en bizons. Die kunnen op hun verblijfplaats geslacht worden, met name indien men ze niet kan vervoeren vanwege de risico’s voor de behandelaars of vanwege het welzijn van de dieren zelf.

In Zwitserland en in Duitsland werden aan enkele boeren vergunningen verleend om hun runderen in de wei neer te schieten, mits zij – de koeien – onmiddellijk (binnen de minuut) verbloeden en vervolgens meteen naar een slachthuis worden gebracht voor de versnijding. Men schiet de dieren vanuit een soort jagersuitkijkpost neer en voert ze af met een speciale takelwagen. Met name voor bijvoorbeeld Highland en Salers, prachtige runderen met grote horens, die het hele jaar door in de wei staan, zou dit een oplossing kunnen zijn. Voor hen is de stress van vervoer naar het slachthuis uiteraard enorm. Bovendien worden zij meestal gedood op de parking, aangezien de gangen naar de slachtplek binnen niet breed genoeg voor ze zijn.

 

Eerder schreef ik over hetzelfde thema goed vlees.

 

Hoe (een) intellectueel zijn?

“…

Traditioneel verwijst de term intellectueel dan weer naar het verstand, of meer specifiek naar het gebruik van de rede om vast te stellen wat je kan kennen en wat je moet doen, en dat liefst zonder enige onderwerping aan een extern gezag. Ian Buruma zegt ergens in een interview: als intellectueel moet je gewoon opstaan, je inlezen, onafhankelijk nadenken, en dat opschrijven. Dat lijkt net het tegendeel van (onder)buikgevoelens, en wie zich op een of andere manier affirmeert als intellectueel behoort dus vermoedelijk tot de alom uitgespuugde ‘culturele elite’ die graag moeilijk doet (moeilijke boeken, hedendaagse klassieke muziek, hermetisch theater, onbegrijpelijke kunst, spellingsregels, …).

Maar dan, is het werkelijk deze aandacht voor wat niet banaal is, die de essentie vormt van wat het betekent (een) intellectueel te zijn?

In de Franse traditie van hoogdravend debat en commentaar werden – en worden – soms intellectuelen opgevoerd als maîtres à penser, meesterdenkers, meesters in het denken. Meestal …”

 

“…

Misschien is het dus slimmer om je niet meer de vraag te stellen wie nou juist intellectuele of hoofdarbeid verricht, maar wel wie een intellectuele functie vervult door zijn of haar kritische en creatieve activiteiten. En dat betekent dat je moet kijken naar de materiële en subjectieve omstandigheden van productie en arbeid. Interessant is dat sinds kort in de discussies rond klimaatverandering weer het begrip intelligence collective of intellettualità di massa opduikt. Algemeen intellect? …”

 

De integrale tekst van het essay Hoe (een) intellectueel zijn? vind je op http://durieux.eu/content/hoe-een-intellectueel-zijn of op http://durieux.eu/sites/default/files/intellectuelen_20190610_webversie.pdf.

Un monde sans frontières

Un des thèmes sur lesquels est construit ce site s’appelle a better life – une meilleure vie. Mais, comme tient à le préciser le philosophe africain Achille Mbembe, nous avons hérité d’une histoire dans laquelle il paraît normal que la meilleure vie des uns soit le fruit du sacrifice constant de celle d’autres. Un instrument crucial dans ce mécanisme de bénéfices et pertes, de mieux et pire, est la redistribution de la terre – non seulement dans un sens concret, mais aussi comme concept : l’attribution et la reconnaissance de la terre où l’on pourra vivre sa vie.

En effet, si les uns croient pouvoir rendre leur monde plus sûr et sauf en éliminant tout risque, ambiguïté ou incertitude et en s’enfermant une bonne fois pour toutes dans une identité fixe, leurs politiques envers les autres n’envisagent pas seulement le contrôle des corps de ceux-ci, mais aussi bien de leurs mouvements, leur mobilité.  Les politiques actuelles de libre échange et de contrôle des migrations acceptent bien le principe de libre circulation. Libre circulation de capital, libre circulation de marchandises ou de services … oh oui ! mais la libre circulation de personnes est restreinte à celles originaires des états économiquement riches.  

La production d’images et de récits catastrophiques sur des futurs apocalyptiques tourne à plein régime, que ce soit sur les terrains de la migration ou du climat – pour autant que les deux ne soient pas liés. Dans ce contexte le principe de libre circulation est considéré simultanément comme une manifestation de liberté et comme une menace à l’ordre – l’ordre étant l’organisation de rapports de propriété inégaux et la manifestation de suprématie culturelle. Ce n’est d’ailleurs même pas le principe en-soi de la libre circulation des personnes qui est conçu comme une menace à l’ordre public, mais plutôt la circulation incontrôlable de personnes présumées inassimilables. Et c’est exactement là que l’aspect « racial » et la situation économique et sociale se renforcent. (Rappelez-vous comment le Japon, qui fut dès le début en 1920 membre permanent du conseil de la Société des Nations, après quelques années devint de plus en plus agressif dans la région et enfin se retira de l’organisation en 1933 par frustration de ne pas être reconnu parmi les pouvoirs coloniaux « blancs » comme la France ou la Grande Bretagne.)

Une part de la circulation est donc perçue comme manifestation de liberté (la circulation de capital, de marchandises, de services, et de personnes issues de l’ordre établi), une autre part est considérée comme dangereuse (la circulation des personnes extérieures à cet ordre). Ce que l’on essaie de faire alors, est gérer et contrôler la mobilité et la circulation des personnes étrangères en renforçant les frontières – géographiques, politiques, physiques, mais également celles imaginaires, narratives, mentales – qui sont érigées pour défendre la meilleure vie des uns en sacrifiant celle des autres.

Pourtant, le concept même de frontière implique qu’elle puisse être franchie. Une frontière que l’on ne pourrait pas franchir serait une limite ou une fin ou un terminus. En paraphrasant une farceuse que l’on préférerait oublier : Une frontière a toujours pour fonction d’être traversée. A tel point même que l’idée d’un monde sans frontières est de tous les temps. Utopique ? Certainement, l’idée même d’utopie fait référence à un lieu sans frontières, sans localisation exacte, sans détermination précise. L’imagination peut avoir ses limites, mais elle est sans frontières.

En tout cas, s’il y a un facteur qui a contribué au changement et à la transformation du monde, c’est bien la mobilité, la circulation de gens et la traversée de frontières. Historiquement l’échange à longue distance de contacts, de récits et de personnes a toujours été crucial à la production d’ expressions culturelles, de modèles politiques, de développements sociaux ou économiques. La mobilité, peut-être plus encore que la lutte des classes, a toujours été le moteur de l’histoire. (Negri et Hardt ont, dans Empire, magistralement combiné les deux dans leur analyse politique du monde contemporain.)

Réseaux et carrefours. Vous me direz que de nos jours il n’est plus nécessaire que les gens communiquent et se rencontrent physiquement. Tout le monde peut rester à sa place et capter ou informer le reste du monde. Oui, mais le monde est plus qu’un conglomérat de lignes et de points virtuels. C’est la mobilité qui produit la conscience d’espace-temps, nécessaire pour tout développement social.  Une meilleure vie ne peut être basé sur l’accumulation de biens et la peur de l’autre. La panique qui semble dominer aujourd’hui les attitudes politiques et sociales de beaucoup de gens engendre des politiques agoraphobes. Toute politique qui multiplie l’austéritaire par le sécuritaire et l’identitaire creuse en peu plus le fossé entre les démunis et ceux qui croient avoir sauvé leur petit bout de terre. Mais plus tard, quand la distinction sera devenue celle entre victimes et bourreaux, une bonne part de ceux qui se croient saufs maintenant, risquent de se retrouver du côté des perdants.

Ceux et celles qui ne cessent de manifester leur angoisse concernant l’évolution du climat savent déjà que leur problème outrepasse les frontières. Mais il en va de même pour la peur des effets de la mondialisation. Ce dont on a besoin est un imaginaire sans frontières, qui englobe une vision sur la vie humaine et non-humaine, sur le sol et la nature, sur la technologie, l’art et la distribution de richesses matérielles et immatérielles. Oui, le fascisme et le national-socialisme ont été l’expression de la volonté du peuple triomphant, sûr de sa souveraineté et de sa supériorité. Mais dire que ces philosophies du mépris ont apporté un brin de bonheur ou une meilleure vie ?

 

Boerenbedrog?

Soms is er ook goed nieuws – lijkt het. Wanneer het op voedsel aankomt, neemt de tendens om lokale, duurzame of biologische producten te kopen nog steeds toe. De Belgische coöperatie Faircoop verwijst naar die trend als verklaring voor haar succes. In heel wat Belgische supermarkten (maar vooral in het Franstalige landsgedeelte, lijkt mij) zie je sinds ruime tijd haar melkproducten – melk, boter, ijs – onder de naam Fairebel. Het logo is een zwart-geel-rode koe. Advertenties in de kranten tonen steevast een glunderende boer of boerin naast zijn of haar koeien, gezellig samen in de wei naar de camera kijkend. Een duurzame en kleinschalige melkproductie, dat is waar Fairebel voor staat.

De coöperatie verkocht in 2018 zo’n 9,5 miljoen liter melk(producten), tegen nog 8,3 miljoen in 2017. En ik moet zeggen: wanneer het kon, kocht ik ook Fairebel. Om twee belangrijke redenen: de belofte dat de boeren een eerlijke prijs voor hun melk krijgen, en het lokale karakter van de productie (de Belgische koe op de verpakking).

Boeren hebben het moeilijk vandaag, dat lees je overal – en niet alleen de melkboeren. Tien jaar geleden was een dieptepunt: de prijs die de boeren kregen voor een liter melk daalde tot onder de 20 cent. Een paar jaar later, in 2015, hief de Europese Unie het systeem van de melkquota op. Familiale bedrijven konden steeds moeilijker concurreren met de grootschalige goedkope melkproductie van multinationals. Vandaag liggen de marktprijzen voor de boer tussen 33 en 35 cent de liter, genoeg om de productiekosten te dekken, maar niet voldoende om van te leven. Faircoop, dat na de crisis van 2009 werd opgericht, telt nu zo’n vijfhonderd melkveeboeren, aan wie de coöperatie 45 cent per liter garandeert voor een deel van hun productie. Dat kan, omdat de Fairebelproducten iets duurder zijn in de supermarkt dan de grote fabrieksmerken. Tot daar het argument van de eerlijke prijs.

Maar hoe gaat dat in zijn werk dan? Hier begon ik mij plots wat bedrogen te voelen met het verhaal van duurzaamheid en lokale productie. Want de melk die je bij Faircoop aan een eerlijke prijs koopt, is helemaal niet de melk die de koeien produceren die op de foto gezellig met de boer in de wei staan. Op de website klinkt het: “Voor elke liter melk verkocht onder de naam Fairebel, gaat een eerlijk inkomen naar de Faircoop coöperatie. Het ingezamelde bedrag wordt vervolgens elk jaar eerlijk herverdeeld tussen de deelnemende leden, ongeacht de omvang van hun exploitatie.” Maar de melk die je in de supermarkt koopt onder het merk Fairebel wordt gefabriceerd en verpakt door Luxlait in Luxemburg; de melk van de koeien op de advertenties gaat gewoon naar de traditionele melkfabrieken (Inza, Campina, …), aan de heersende lage marktprijzen. Met andere woorden, de iets hogere prijs voor Fairebel komt wel de boeren ten goede, maar betekent niet dat die boeren voor elke liter die hun koeien produceren ook correct betaald worden; het volume waarvoor zij een prijs van 45 cent ontvangen hangt af van hoeveel er van het merk Fairebel het afgelopen jaar verkocht is. En die Fairebelmelk komt dus helemaal niet van die boeren hun koeien. De prijs die je als consument betaalt heeft dus ook niets te maken met het feit dat je melk op een duurzame manier dicht bij huis is geproduceerd. Pas in 2020 zou Faircoop beginnen met het inzamelen van melk van een aantal coöperanten om die dan verder door Luxlait te laten verpakken.

Ik begrijp het probleem wel. Als alle coöperanten van Faircoop samen meer melk produceren dan de consumenten bereid zijn te kopen aan een correcte prijs, dan blijven zij zitten met een onverkoopbaar overschot. Dus zit er voor hen niets anders op dan een deel van hun melk te verkopen tegen de wisselende dumpingprijzen die de grote afnemers (melkfabrieken, supermarktketens) er voor willen betalen. Opdat boeren al hun melk zouden kunnen verkopen aan een prijs die hen in staat stelt ervan te leven, kan men in twee richtingen denken. Ofwel moeten boeren niet meer produceren dan wat zij aan 45 cent kunnen verkopen, ofwel moeten voldoende consumenten bereid zijn om die eerlijke prijs te betalen. Uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid dus toch bij de consument, want als de boer maar weinig melk verkocht krijgt aan een correcte prijs, kan hij of zij er natuurlijk ook niet van leven.

Dat brengt mij bij een ander recent bericht, over de productie en verkoop van biologisch voedsel in België. Natuurlijk, biologisch staat niet noodzakelijk voor lokale productie en korte keten, maar in ieder geval wel voor duurzaamheid en kwaliteit. Wat blijkt nu? Volgens cijfers van de sectororganisatie Biowallonie – die daarbij ook gebruik maakt van materiaal van VLAM, Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing – zijn de Belgische consumentenuitgaven voor verse bioproducten in 2018 met 18% gestegen ten opzichte van 2017. In Wallonië gaat het om een toename van veertig procent, in Brussel om vijf procent. In het Vlaamse gewest is de consumptie gelijk gebleven. In heel België werd vorig jaar ongeveer 522 miljoen euro uitgegeven aan verse bio. De sector doet het trouwens helemaal goed in Wallonië, ook op het gebied van de productie. Volgens recente statistieken is elf procent van de Waalse landbouwoppervlakte in gebruik voor biologische teelten, in Vlaanderen is dat 1,3%.

Dat roept bij mij de vraag op of er een relatie is tussen voedselvoorkeuren en het stemgedrag tijdens de afgelopen Europese, Belgische en gewestelijke verkiezingen. Kan de kwaliteit van de voedselconsumptie in Vlaanderen een rol gespeeld hebben bij de keuze van bijna de helft van de lokale bevolking om voor fascisten te stemmen? Of omgekeerd, geven die Vlamingen niet om duurzame voedselproductie en lekker en gezond eten, juist omdat zij fascisten zijn? En kan de aandacht voor duurzaam en gezond voedsel meegespeeld hebben bij de Waalse keuze voor rode en groene partijen? Of zijn socialisten en ecolo’s meer geïnteresseerd in goed en lekker eten, dat duurzaam geproduceerd is? Dat laatste lijkt evident, maar is daarmee ook de vraag over Vlamingen, fascisten en hùn voeding beantwoord?