Het kind en de zee zijn van zichzelf

Jaren geleden was ik docent Mensenrechten aan een Rotterdamse hogeschool. Bij het begin van een nieuwe lesperiode stelde ik de studenten een reële juridische casus voor. Een man en een vrouw ergens in Noord-Nederland konden het niet eens worden over (het moment van) de besnijdenis van hun zoontje. De vader wilde dat het jong nu meteen besneden werd, de moeder vond dat het kind zelf moest kunnen beslissen wanneer het de leeftijd des oordeels had bereikt. De ouders kwamen er niet uit, en zij wendden zich tot de rechter om de knoop door te hakken. Beetje raar, vind ik, maar het is echt zo gegaan.

Ik schetste de situatie, noemde de casus ‘Moet besnijdenis mogen?’ en gaf aan dat onder meer zaken als godsdienstvrijheid en het recht op lichamelijke integriteit aan de orde zouden komen. De studenten kregen om te beginnen de volgende opdracht: ‘Vorm groepjes met vier of vijf medestudenten die je vertrouwt en met wie je over serieuze dingen kan praten. Beantwoord de vragen die ik je zo dadelijk stel, en rapporteer over zo’n twintig minuten aan de hele groep. De eerste vraag is: van wie is het kind?’. En ik suggereerde enkele mogelijkheden: het kind is van de ouders, het kind is van zichzelf, het kind is van de staat (die zorgt namelijk voor kinderopvang, school en gezondheidszorg), het kind is van God, …

In deze etnisch zeer gemengde klas viel al meteen één groepje op: een zestal Turkse en zwarte Antilliaanse meiden – geen meteen voor de hand liggende combinatie in een klas met nog meer Turkse en Antilliaanse studenten en verder meisjes en enkele jongens met o.m. Marokkaanse, Eritrese, Joegoslavische, Koerdische, Palestijnse, Surinaamse en Kaapverdiaanse achtergrond. In een ander groepje zaten alle (vijf of zes) witte Rotterdammers bij elkaar. Na een half uurtje vroeg ik wie verslag wilde uitbrengen van de discussie in zijn of haar groepje. Uit het eerste groepje stond een Turks meisje met hoofddoek op, die zei: “Wij hebben het over je eerste vraag gehad, en wij vinden allen dat het kind van God is. God heeft het kind het leven gegeven, en na zijn dood zal het kind aan God verantwoording moeten afleggen over zijn leven.” De andere groepjes kwamen aan het woord over hun discussies, en uiteindelijk was het de beurt aan het groepje witte Rotterdammers. Hun antwoord op de eerste vraag was kort en bondig: “Het kind is van ze eigen.”

Deze week ontving ik een e-mail met daarin de mededeling: “de zee en het leven in de zee is van zichzelf.” De afzender is de Ambassade van de Noordzee. Ik heb het al eerder over het Parlement der dingen gehad en de Ambassade van de Noordzee is een aanzet tot concrete uitwerking van dat parlement. Op haar website lees je:

‘De zee en het leven in de zee is van zichzelf. Vanuit dit uitgangspunt is de Ambassade van de Noordzee opgericht. Hier krijgen de dingen, planten, dieren en mensen in en rond de Noordzee een stem. We hebben een route tot 2030 uitgestippeld. Eerst gaan we leren luisteren naar de zee, vervolgens leren spreken met om ten slotte te kunnen onderhandelen namens de zee en het leven in de zee.’

‘Maar, hoe dan?’

‘Nou, we hebben een route tot 2030. En ja zeker, er is een hoop verbeeldings- en onderzoekswerk aan de winkel. Daarom gaan we 11, 12 en 13 juli naar Den Haag en Scheveningen: de zee en de stad in, de Pier en het strand op.’

 

Het programma van de driedaagse omvat onder meer:

  • Sound of the North Sea. Expeditie met componist Stef Veldhuis

Sound of the North Sea is een compositie van Stef Veldhuis voor strijkkwartet, piano en orgel geschreven op basis van data die de kabeljauwpopulatie en de temperatuur van de Noordzee weergeven. Onder water kun je deze compositie beluisteren en zo ontdekken wat het effect van de veranderingen in de Noordzee zijn op de beleving van muziek. Neem je zwemkleding en snorkel mee.

  • Kleuren van de Noordzee. Expeditie met Valerie van Leersum

Kunstenaar Valerie van Leersum bestudeert de kleuren van de Noordzee. Al vanaf de 19e eeuw worden de kleuren van water vastgelegd met behulp van kleurindexen zoals de Forel-Ule-schaal. De concentratie algen en andere zwevende deeltjes veroorzaakt namelijk steeds veranderende kleurschakeringen. Tijdens de expeditie proberen we gezamenlijk tot een nieuwe kleurbepaling te komen, specifiek voor de Noordzee.

  • Luisteren naar de zee als Artonauten

Hoe kunnen kunst en wetenschap samen luisteren naar de zee? Cultuursocioloog Ruben Jacobs geeft tips en suggesties aan de hand van zijn pamflet Artonauten, kunst voorbij de mens (2016). Aansluitend is de workshop Luisteren naar de zee als antropoloog. Hoe ontwikkelen we nieuwe luistermethoden in het Antropoceen? door Anne van Leeuwen, Ester Heiman en Ruben Jacobs.

  • Wie heeft recht op zee?

Een ochtend over zeerecht met lezingen van jurist en onderzoeker Laura Burgers: Van mensenrechten naar zeerechten; Anne van Leeuwen: De zee is van zichzelf; mensenrechtenjurist Jan van de Venis: Zeerechten voor toekomstige generaties. Na afloop neemt kunstenaar Carlijn Kingma ons mee op een tijdreis door haar tekening waarin zij het menselijk samenleven verbeeldt.

  • Alternatieve zeegezichten

Maak tijdens een interactief college in het Mauritshuis kennis met het zeegezicht. Na een rondleiding van museumdocenten langs zeegezichten in het museum geeft Harpo ’t Hart een lezing over hoe de relatie tussen mens en zee tot uiting komt in de beeldende kunst. Vervolgens gaan we zelf nieuwe zeegezichten maken met verf op doek.

 

Volledige informatie met alle praktische details op https://www.ambassadevandenoordzee.nl/agenda/.

 

Zelf slachten

Terwijl iedereen al jaren wordt aangeraden minder vlees te eten vanwege de nefaste ecologische gevolgen van grootschalige veeteelt, zegt een prof aan de faculteit Diergeneeskunde van de ULiège: “Herkauwers zijn een meevaller voor onze planeet. Zij eten plantaardige eiwitten van lage kwaliteit en zetten die om in melk, vlees, wol, leer … en in mest. Die helpt om de bodem vruchtbaarder te maken, grondwatervoorraden in stand te houden en erosie en overstromingen tegen te gaan.” Het moet gezegd: de man is wel bestuurder van de nieuwe veehouderscoöperatie En direct de mon élévage.

Als je de Luikse gemeente Trois-Ponts uitrijdt richting Basse-Bodeux, zie je bijna aan het eind van het dorp aan de linkerkant van de baan een bakstenen pand, niet veel groter dan een doorsnee woonhuis, met het verweerde opschrift Abattoir. Dat was het gemeentelijke slachthuis, zoals wel meer gemeenten dat vroeger hadden. De toename aan richtlijnen en verplichte voorzorgen, samen met de drang naar schaalvergroting en goedkopere prijzen in de vleesindustrie hebben de laatste jaren veel van die kleine slachthuizen doen sluiten. Ook de kleine rundveehouders kunnen niet optornen tegen de giganten van het goedkope vlees. Niet dat overigens de gezondheidsvoorschriften en de industrialisering van de vleesproductie per definitie tot veiliger en beter voedsel hebben geleid. De vleesschandalen van de afgelopen jaren tonen aan dat er soms behoorlijk geknoeid wordt in de sector.

Nu heeft in het zuiden van België weer een aantal boeren een coöperatie opgericht om zoveel mogelijk de controle over hun werk te behouden en om de keten tussen producent en consument zo kort mogelijk te maken. (De eigenlijke producent van het vlees is de koe natuurlijk, maar goed.) En direct de mon élévage (‘rechtstreeks vanuit mijn veehouderij’) is de niet erg swingende naam van de vereniging – maar hij dekt wel de lading. Een negentigtal rundveehouders hebben zich verenigd om samen in Perwez (Brabant wallon) een hal uit te baten voor het versnijden van hun dieren. Het vlees leveren zij dan zelf aan slagers en enkele supermarkten, en steeds meer gaat op de boerderij zelf in de rechtstreekse verkoop aan de consument. Het doden van de dieren vindt voorlopig nog plaats in vijf lokale slachthuizen, maar de coöperatie hoopt op korte termijn een eigen abattoir te vinden.

Bij de betrokken boeren zijn er die bio Limousin telen of kwaliteitsrassen als Salers, Angus en Blonde de Gallice, maar ook veehouders met het meestal kapotgefokte blanc bleu belge (BBB). Het aardige is wel dat alle coöperanten dezelfde voedselrichtlijnen moeten volgen: gebruik van lokale voedergewassen (gras, maïs, …), bietenpulp of lijnzaadkoeken, aangevuld met vitamine E en selenium (als antioxidant).

Interessant is dat, naast het streven van En direct de mon élévage om een eigen slachthuis te hebben, men in Wallonië ook serieus overweegt groot vee op de boerderij te laten slachten, of zelfs te laten afschieten in de wei. Op 27 februari 2019 nam het Waalse parlement unaniem een resolutie aan waarin de Waalse regering gevraagd wordt uit te zoeken wat een mobiele slachteenheid zou kosten en stappen te zetten bij de nationale regering om een wettelijk kader voor thuisslacht uit te werken. Daarnaast kijken boeren en natuurorganisaties nog steeds met veel belangstelling naar experimenten in bijvoorbeeld Zwitserland en Duitsland, waarbij runderen in de wei afgeschoten worden.

Ik weet nog steeds niet goed wat ik moet denken van de manier waarop Nature et Progrès Belgique drie jaar geleden het thema onder woorden bracht: “Pour procurer une mort dénuée de stress à leurs animaux et produire une viande de très haute qualité nutritionnelle et gustative, des éleveurs choisissent d’abattre leurs animaux dans leur environnement familier, en prairie et au milieu de leurs congénères.” Misschien heeft de koe in kwestie inderdaad niet te lijden onder stress, omdat zij bij verrassing gepakt wordt, maar het lijkt mij dat Bella of Mieke plots afgeschoten zien worden toch wel enige stress zal veroorzaken bij hun collega’s in de wei.

In België is thuisslacht niet toegelaten, behalve in noodgevallen of voor eigen consumptie (en dan nog alleen voor varkens, schapen en geiten), of voor ‘gekweekt wild’; runderen moeten altijd naar een erkend slachthuis. Tot het gekweekt wild behoren o.m. hertachtigen (reeën), loopvogels (struisvogels) en bizons. Die kunnen op hun verblijfplaats geslacht worden, met name indien men ze niet kan vervoeren vanwege de risico’s voor de behandelaars of vanwege het welzijn van de dieren zelf.

In Zwitserland en in Duitsland werden aan enkele boeren vergunningen verleend om hun runderen in de wei neer te schieten, mits zij – de koeien – onmiddellijk (binnen de minuut) verbloeden en vervolgens meteen naar een slachthuis worden gebracht voor de versnijding. Men schiet de dieren vanuit een soort jagersuitkijkpost neer en voert ze af met een speciale takelwagen. Met name voor bijvoorbeeld Highland en Salers, prachtige runderen met grote horens, die het hele jaar door in de wei staan, zou dit een oplossing kunnen zijn. Voor hen is de stress van vervoer naar het slachthuis uiteraard enorm. Bovendien worden zij meestal gedood op de parking, aangezien de gangen naar de slachtplek binnen niet breed genoeg voor ze zijn.

 

Eerder schreef ik over hetzelfde thema goed vlees.

 

Hoe (een) intellectueel zijn?

“…

Traditioneel verwijst de term intellectueel dan weer naar het verstand, of meer specifiek naar het gebruik van de rede om vast te stellen wat je kan kennen en wat je moet doen, en dat liefst zonder enige onderwerping aan een extern gezag. Ian Buruma zegt ergens in een interview: als intellectueel moet je gewoon opstaan, je inlezen, onafhankelijk nadenken, en dat opschrijven. Dat lijkt net het tegendeel van (onder)buikgevoelens, en wie zich op een of andere manier affirmeert als intellectueel behoort dus vermoedelijk tot de alom uitgespuugde ‘culturele elite’ die graag moeilijk doet (moeilijke boeken, hedendaagse klassieke muziek, hermetisch theater, onbegrijpelijke kunst, spellingsregels, …).

Maar dan, is het werkelijk deze aandacht voor wat niet banaal is, die de essentie vormt van wat het betekent (een) intellectueel te zijn?

In de Franse traditie van hoogdravend debat en commentaar werden – en worden – soms intellectuelen opgevoerd als maîtres à penser, meesterdenkers, meesters in het denken. Meestal …”

 

“…

Misschien is het dus slimmer om je niet meer de vraag te stellen wie nou juist intellectuele of hoofdarbeid verricht, maar wel wie een intellectuele functie vervult door zijn of haar kritische en creatieve activiteiten. En dat betekent dat je moet kijken naar de materiële en subjectieve omstandigheden van productie en arbeid. Interessant is dat sinds kort in de discussies rond klimaatverandering weer het begrip intelligence collective of intellettualità di massa opduikt. Algemeen intellect? …”

 

De integrale tekst van het essay Hoe (een) intellectueel zijn? vind je op http://durieux.eu/content/hoe-een-intellectueel-zijn of op http://durieux.eu/sites/default/files/intellectuelen_20190610_webversie.pdf.

Un monde sans frontières

Un des thèmes sur lesquels est construit ce site s’appelle a better life – une meilleure vie. Mais, comme tient à le préciser le philosophe africain Achille Mbembe, nous avons hérité d’une histoire dans laquelle il paraît normal que la meilleure vie des uns soit le fruit du sacrifice constant de celle d’autres. Un instrument crucial dans ce mécanisme de bénéfices et pertes, de mieux et pire, est la redistribution de la terre – non seulement dans un sens concret, mais aussi comme concept : l’attribution et la reconnaissance de la terre où l’on pourra vivre sa vie.

En effet, si les uns croient pouvoir rendre leur monde plus sûr et sauf en éliminant tout risque, ambiguïté ou incertitude et en s’enfermant une bonne fois pour toutes dans une identité fixe, leurs politiques envers les autres n’envisagent pas seulement le contrôle des corps de ceux-ci, mais aussi bien de leurs mouvements, leur mobilité.  Les politiques actuelles de libre échange et de contrôle des migrations acceptent bien le principe de libre circulation. Libre circulation de capital, libre circulation de marchandises ou de services … oh oui ! mais la libre circulation de personnes est restreinte à celles originaires des états économiquement riches.  

La production d’images et de récits catastrophiques sur des futurs apocalyptiques tourne à plein régime, que ce soit sur les terrains de la migration ou du climat – pour autant que les deux ne soient pas liés. Dans ce contexte le principe de libre circulation est considéré simultanément comme une manifestation de liberté et comme une menace à l’ordre – l’ordre étant l’organisation de rapports de propriété inégaux et la manifestation de suprématie culturelle. Ce n’est d’ailleurs même pas le principe en-soi de la libre circulation des personnes qui est conçu comme une menace à l’ordre public, mais plutôt la circulation incontrôlable de personnes présumées inassimilables. Et c’est exactement là que l’aspect « racial » et la situation économique et sociale se renforcent. (Rappelez-vous comment le Japon, qui fut dès le début en 1920 membre permanent du conseil de la Société des Nations, après quelques années devint de plus en plus agressif dans la région et enfin se retira de l’organisation en 1933 par frustration de ne pas être reconnu parmi les pouvoirs coloniaux « blancs » comme la France ou la Grande Bretagne.)

Une part de la circulation est donc perçue comme manifestation de liberté (la circulation de capital, de marchandises, de services, et de personnes issues de l’ordre établi), une autre part est considérée comme dangereuse (la circulation des personnes extérieures à cet ordre). Ce que l’on essaie de faire alors, est gérer et contrôler la mobilité et la circulation des personnes étrangères en renforçant les frontières – géographiques, politiques, physiques, mais également celles imaginaires, narratives, mentales – qui sont érigées pour défendre la meilleure vie des uns en sacrifiant celle des autres.

Pourtant, le concept même de frontière implique qu’elle puisse être franchie. Une frontière que l’on ne pourrait pas franchir serait une limite ou une fin ou un terminus. En paraphrasant une farceuse que l’on préférerait oublier : Une frontière a toujours pour fonction d’être traversée. A tel point même que l’idée d’un monde sans frontières est de tous les temps. Utopique ? Certainement, l’idée même d’utopie fait référence à un lieu sans frontières, sans localisation exacte, sans détermination précise. L’imagination peut avoir ses limites, mais elle est sans frontières.

En tout cas, s’il y a un facteur qui a contribué au changement et à la transformation du monde, c’est bien la mobilité, la circulation de gens et la traversée de frontières. Historiquement l’échange à longue distance de contacts, de récits et de personnes a toujours été crucial à la production d’ expressions culturelles, de modèles politiques, de développements sociaux ou économiques. La mobilité, peut-être plus encore que la lutte des classes, a toujours été le moteur de l’histoire. (Negri et Hardt ont, dans Empire, magistralement combiné les deux dans leur analyse politique du monde contemporain.)

Réseaux et carrefours. Vous me direz que de nos jours il n’est plus nécessaire que les gens communiquent et se rencontrent physiquement. Tout le monde peut rester à sa place et capter ou informer le reste du monde. Oui, mais le monde est plus qu’un conglomérat de lignes et de points virtuels. C’est la mobilité qui produit la conscience d’espace-temps, nécessaire pour tout développement social.  Une meilleure vie ne peut être basé sur l’accumulation de biens et la peur de l’autre. La panique qui semble dominer aujourd’hui les attitudes politiques et sociales de beaucoup de gens engendre des politiques agoraphobes. Toute politique qui multiplie l’austéritaire par le sécuritaire et l’identitaire creuse en peu plus le fossé entre les démunis et ceux qui croient avoir sauvé leur petit bout de terre. Mais plus tard, quand la distinction sera devenue celle entre victimes et bourreaux, une bonne part de ceux qui se croient saufs maintenant, risquent de se retrouver du côté des perdants.

Ceux et celles qui ne cessent de manifester leur angoisse concernant l’évolution du climat savent déjà que leur problème outrepasse les frontières. Mais il en va de même pour la peur des effets de la mondialisation. Ce dont on a besoin est un imaginaire sans frontières, qui englobe une vision sur la vie humaine et non-humaine, sur le sol et la nature, sur la technologie, l’art et la distribution de richesses matérielles et immatérielles. Oui, le fascisme et le national-socialisme ont été l’expression de la volonté du peuple triomphant, sûr de sa souveraineté et de sa supériorité. Mais dire que ces philosophies du mépris ont apporté un brin de bonheur ou une meilleure vie ?

 

Boerenbedrog?

Soms is er ook goed nieuws – lijkt het. Wanneer het op voedsel aankomt, neemt de tendens om lokale, duurzame of biologische producten te kopen nog steeds toe. De Belgische coöperatie Faircoop verwijst naar die trend als verklaring voor haar succes. In heel wat Belgische supermarkten (maar vooral in het Franstalige landsgedeelte, lijkt mij) zie je sinds ruime tijd haar melkproducten – melk, boter, ijs – onder de naam Fairebel. Het logo is een zwart-geel-rode koe. Advertenties in de kranten tonen steevast een glunderende boer of boerin naast zijn of haar koeien, gezellig samen in de wei naar de camera kijkend. Een duurzame en kleinschalige melkproductie, dat is waar Fairebel voor staat.

De coöperatie verkocht in 2018 zo’n 9,5 miljoen liter melk(producten), tegen nog 8,3 miljoen in 2017. En ik moet zeggen: wanneer het kon, kocht ik ook Fairebel. Om twee belangrijke redenen: de belofte dat de boeren een eerlijke prijs voor hun melk krijgen, en het lokale karakter van de productie (de Belgische koe op de verpakking).

Boeren hebben het moeilijk vandaag, dat lees je overal – en niet alleen de melkboeren. Tien jaar geleden was een dieptepunt: de prijs die de boeren kregen voor een liter melk daalde tot onder de 20 cent. Een paar jaar later, in 2015, hief de Europese Unie het systeem van de melkquota op. Familiale bedrijven konden steeds moeilijker concurreren met de grootschalige goedkope melkproductie van multinationals. Vandaag liggen de marktprijzen voor de boer tussen 33 en 35 cent de liter, genoeg om de productiekosten te dekken, maar niet voldoende om van te leven. Faircoop, dat na de crisis van 2009 werd opgericht, telt nu zo’n vijfhonderd melkveeboeren, aan wie de coöperatie 45 cent per liter garandeert voor een deel van hun productie. Dat kan, omdat de Fairebelproducten iets duurder zijn in de supermarkt dan de grote fabrieksmerken. Tot daar het argument van de eerlijke prijs.

Maar hoe gaat dat in zijn werk dan? Hier begon ik mij plots wat bedrogen te voelen met het verhaal van duurzaamheid en lokale productie. Want de melk die je bij Faircoop aan een eerlijke prijs koopt, is helemaal niet de melk die de koeien produceren die op de foto gezellig met de boer in de wei staan. Op de website klinkt het: “Voor elke liter melk verkocht onder de naam Fairebel, gaat een eerlijk inkomen naar de Faircoop coöperatie. Het ingezamelde bedrag wordt vervolgens elk jaar eerlijk herverdeeld tussen de deelnemende leden, ongeacht de omvang van hun exploitatie.” Maar de melk die je in de supermarkt koopt onder het merk Fairebel wordt gefabriceerd en verpakt door Luxlait in Luxemburg; de melk van de koeien op de advertenties gaat gewoon naar de traditionele melkfabrieken (Inza, Campina, …), aan de heersende lage marktprijzen. Met andere woorden, de iets hogere prijs voor Fairebel komt wel de boeren ten goede, maar betekent niet dat die boeren voor elke liter die hun koeien produceren ook correct betaald worden; het volume waarvoor zij een prijs van 45 cent ontvangen hangt af van hoeveel er van het merk Fairebel het afgelopen jaar verkocht is. En die Fairebelmelk komt dus helemaal niet van die boeren hun koeien. De prijs die je als consument betaalt heeft dus ook niets te maken met het feit dat je melk op een duurzame manier dicht bij huis is geproduceerd. Pas in 2020 zou Faircoop beginnen met het inzamelen van melk van een aantal coöperanten om die dan verder door Luxlait te laten verpakken.

Ik begrijp het probleem wel. Als alle coöperanten van Faircoop samen meer melk produceren dan de consumenten bereid zijn te kopen aan een correcte prijs, dan blijven zij zitten met een onverkoopbaar overschot. Dus zit er voor hen niets anders op dan een deel van hun melk te verkopen tegen de wisselende dumpingprijzen die de grote afnemers (melkfabrieken, supermarktketens) er voor willen betalen. Opdat boeren al hun melk zouden kunnen verkopen aan een prijs die hen in staat stelt ervan te leven, kan men in twee richtingen denken. Ofwel moeten boeren niet meer produceren dan wat zij aan 45 cent kunnen verkopen, ofwel moeten voldoende consumenten bereid zijn om die eerlijke prijs te betalen. Uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid dus toch bij de consument, want als de boer maar weinig melk verkocht krijgt aan een correcte prijs, kan hij of zij er natuurlijk ook niet van leven.

Dat brengt mij bij een ander recent bericht, over de productie en verkoop van biologisch voedsel in België. Natuurlijk, biologisch staat niet noodzakelijk voor lokale productie en korte keten, maar in ieder geval wel voor duurzaamheid en kwaliteit. Wat blijkt nu? Volgens cijfers van de sectororganisatie Biowallonie – die daarbij ook gebruik maakt van materiaal van VLAM, Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing – zijn de Belgische consumentenuitgaven voor verse bioproducten in 2018 met 18% gestegen ten opzichte van 2017. In Wallonië gaat het om een toename van veertig procent, in Brussel om vijf procent. In het Vlaamse gewest is de consumptie gelijk gebleven. In heel België werd vorig jaar ongeveer 522 miljoen euro uitgegeven aan verse bio. De sector doet het trouwens helemaal goed in Wallonië, ook op het gebied van de productie. Volgens recente statistieken is elf procent van de Waalse landbouwoppervlakte in gebruik voor biologische teelten, in Vlaanderen is dat 1,3%.

Dat roept bij mij de vraag op of er een relatie is tussen voedselvoorkeuren en het stemgedrag tijdens de afgelopen Europese, Belgische en gewestelijke verkiezingen. Kan de kwaliteit van de voedselconsumptie in Vlaanderen een rol gespeeld hebben bij de keuze van bijna de helft van de lokale bevolking om voor fascisten te stemmen? Of omgekeerd, geven die Vlamingen niet om duurzame voedselproductie en lekker en gezond eten, juist omdat zij fascisten zijn? En kan de aandacht voor duurzaam en gezond voedsel meegespeeld hebben bij de Waalse keuze voor rode en groene partijen? Of zijn socialisten en ecolo’s meer geïnteresseerd in goed en lekker eten, dat duurzaam geproduceerd is? Dat laatste lijkt evident, maar is daarmee ook de vraag over Vlamingen, fascisten en hùn voeding beantwoord?

 

« Het klimaat redden »

Version française sur http://durieux.eu/content/sauver-le-climat

Dit essay gaat over klimaatacties en taal, over transitie en de woorden die daarvoor gebruikt worden. Het gaat over wat klimaatmanifestanten zeggen, en wat dat betekent. En het gaat over noodzaak van een rechtvaardig klimaatbeleid.

Ik herinner mij een interview van niet zo lang geleden met een Canadees of een Brit, dat ben ik kwijt, die de lof zong van Milaan. Geweldige stad, vond hij, er was maar één groot nadeel aan: dat je niet altijd en overal in het Engels terecht kon. Nee, dan Amsterdam; daar had hij meer dan tien jaar gewoond en gewerkt, zonder dat hij ooit één woord Nederlands had hoeven leren.

Vreemd vind ik dat, iemand die er prat op gaat dat hij ergens meer dan tien jaar geleefd heeft, zonder zelfs maar de moeite te doen om enigszins in de lokale taal te communiceren. Anderzijds, Amsterdam – of voor mijn part, Brussel – is een stad waar mensen van over de hele wereld samen komen: inwoners en nieuwkomers, studenten, internationale ambtenaren, arbeiders en zakenmensen, kortom de menselijke vertegenwoordigers van de globaliseringsprocessen van de afgelopen decennia. Daar is geen evidente band meer tussen de stad en de taal die er gesproken wordt. Sommige steden krijgen bijna in hun geheel het karakter van een non-lieu, een plek zonder kenmerken, een neutraal en smaakloos oord, zoals een luchthaven, een treinstation of een winkelcentrum. Het Engels dat blijkbaar bij die plekken hoort is dan ook geen echt Engels; het is een code voor alle niet-Engelstaligen. Ik herinner mij Erasmus-uitwisselingen waarbij Nederlandse, Duitse, Italiaanse en Spaanse studenten en docenten met elkaar konden communiceren in een soort approximatief Engels dat de Britse deelnemers amper begrepen, terwijl zij zelf voor de anderen vrijwel niet te volgen waren in de radde lokale versie van hun native language.

Ik vraag mij af of het bewuste gebruik van dit soort steenkoolengels een daad is van onbeholpenheid of van zelfbewustzijn. Elke dag, wanneer ik mijn tablet open, word ik geconfronteerd met de slogan In search of incredible. In de krant zag ik dagenlang een auto-advertentie van een halve pagina met de ongetwijfeld wervende tekst We are all made of wild. Is dit geklungel, of juist een uitdrukking van ‘het maakt niet uit dat het alleen maar wat lijkt op Engels, het publiek snapt best wat er bedoeld wordt’? Maar hoe dan ook betekent het dat de lezers van de verder geheel Franstalige krant toegeschreeuwd worden in nep-Engels. (Nou ja, geheel Franstalig? Je vindt er ook koppen als ‘Ces labels qui boostent les produits du terroir’.) Vroeger had je dit een uiting van Angelsaksisch cultuurimperialisme genoemd. Vandaag hoor je vaker dat dit luchthaven- en winkelcentra-Engels de lingua franca is van de geglobaliseerde, kapitalistische wereld. (Ik ben benieuwd wat er op dat vlak gaat gebeuren als binnenkort het wereldwijde kapitalisme niet meer aangestuurd wordt vanuit de VS, maar vanuit China.)

De vraag die je je stelt als je je wil verzetten tegen het vanuit de VS aangestuurde cultuurimperialisme is dan: moet je die voertaal van het wereldwijde kapitalisme afwijzen (zoals Le monde diplomatique probeert te doen), of is het juist subversief om – binnen zekere marges van begrijpelijkheid – een  geheel eigen variant van het Engels te ontwikkelen? De aloude kwestie: bepaalt het medium wat je kan zeggen, of kan je bestaande taal zo plooien en breken dat ze je hoogstpersoonlijke eigen medium wordt? De creolisering van straattalen in de West-Europese steden lijkt op het laatste te wijzen.

Ik moest denken aan dit alles, toen ik weer een serie foto’s zag van scholieren die in België demonstreerden om ‘het klimaat te redden’. In wat voor (meng)taal dan ook, slogans getuigen vaak van een creativiteit waarin moedertaal en wereld-Engels door elkaar gehusseld worden: Arrête de niquer ta merEat pussy, not cows en Eat dick, not microplastic – Phoque le réchauffement climatique  (met tekening van zeehond) – There is no planète B – Change the politics, not the climate – 15 mars 2019 Global Strike for Future. Voor jongeren, die dit soort mengtaal evident vinden, is het begrip cultuurimperialisme waarschijnlijk compleet irrelevant, indien niet totaal onbekend.

In de media die ik zie, kunnen de spijbelende scholieren op veel begrip en sympathie rekenen. De président-directeur général van Walt Disney Company France verklaart zonder een merkbaar spoor van ironie: ‘Et puis, les enfants qui descendent en ce moment dans la rue, j’ai presque envie de les appeler la génération Disneynature‘ (Le Soir, 19 maart 2019). Zelfs een overwegend kritische commentator als Paul Goossens kan het niet laten zijn zaterdagse column in De Standaard zo te besluiten: “De klimaatmarsen en het engagement van zoveel assertief jong volk voor de toekomst van de aarde is het mooiste geschenk dat dit land zich kon dromen. Een unieke hefboom bovendien om een duurzame samenleving voor het nieuwe millennium op te tuigen. Niet alleen in Vlaanderen, België of Europa, maar op de hele planeet. Eindelijk treedt er een generatie aan die ver in de toekomst kan durft te kijken. Die blik moeten we koesteren, omarmen en delen.”

OK, ik wil geen cynische ouwe zeur zijn: het is geweldig dat pubers zich inzetten voor het goede doel. En de kick van het spijbelen, de lol van het samen actie voeren, het genoegen om met je grappige slogans de media te halen, … wat is er mooier dan de combinatie van engagement en plezier? Strijden voor een betere wereld maakt dat je jezelf ook beter voelt.

Maar hoezo, het goede doel, een betere wereld, de planeet redden? Hoe dan? De meeste jongeren die in de media aan het woord komen blijven herhalen dat de hele klimaatbeweging niet politiek is, maar tegelijk willen zij wel dat ‘de politiek’ actie onderneemt en dat er een krachtdadiger klimaatpolitiek komt. Dit ‘apolitieke’ beroep op ‘de politiek’ opent natuurlijk wagenwijd de deuren voor recuperatie door het bedrijfsleven. Als de Belgische regeringen (de politiek) oor hebben voor één groep in de samenleving, dan is het wel voor het bedrijfsleven (apolitiek, naar eigen zeggen). En zij die de regels maken hebben er alle belang bij elk mogelijk conflict te minimaliseren, sterker nog, ondenkbaar te maken. Wil je niet dat je belangen aangevochten worden, ontken dan gewoon dat strijd of conflict een optie is. Het is dus niet te verwonderen dat plots de bedrijfsleiders van een aantal grote ondernemingen (Unilever, Delhaize, Umicore, Proximus, Colruyt, …), samen met mediaholdings en reclamebureaus een eigen ‘apolitiek’ initiatief lanceerden: Sign for my future. Apolitiek, want zij eisen wel steun van de staat voor hun ‘transitie’, maar tegelijk worden de belangen of de rol van hun bedrijven in de productie van vervuiling niet in vraag gesteld. De Standaard kondigde meteen een drie pagina’s lang interview met de ceo van Unilever Belux aan met het kopje ‘Hoe Unilever de planeet wil redden’. Greenwashing heet dat: je een groen imago aanmeten, zonder wat te doen aan je eigen vervuilende activiteiten of investeringen. Hoe serieus kan je het engagement nemen van de bedrijfsleiding van BNP Paribas Fortis en KBC (met gigantische investeringen in de ontginning van fossiele energiebronnen), JCDecaux (wereldwijde publiciteit voor nog meer consumptie), EDF Luminus (verwoesting van wouden voor de constructie van windturbineterreinen), KPMG (mondiaal adviseur inzake belastingontduiking)?

Hoewel de klimaatmanifestaties dus als niet-politiek worden voorgesteld verwacht men wel dat ‘de overheid’ (en dat zijn er alleen al in België nogal wat) of ‘de politiek’ oplossingen aandraagt. « En attendant que la classe politique se bouge … Nous sortirons de nos classes » . De politieke klasse moet in beweging komen – om wat te doen? Wat altijd terugkeert in de media-optredens van de jonge demonstranten is: ze zijn bang. Bang van wat? Bang voor wat? Dat is niet altijd duidelijk. Bang dat bij een stijgende zeespiegel het water over de dijken slaat? Bang dat door de toenemende en langdurige droogte de bossen en hun biodiversiteit verdwijnen? Bang dat orkanen, verwoestijning en hongersnood nog meer mensen op de vlucht zullen drijven naar Europa?

Als dat het is wat angst oproept, dan gaat het niet om ‘natuurlijke’ fenomenen, maar om het resultaat van politiek handelen. De keuzes die je moet maken (als individu, burger of overheid), zowel om de uitstoot van broeikasgassen radicaal te verminderen, als om de impact van klimaatverandering onder controle te houden, zijn politieke beslissingen. Een benadering die de politieke aspecten van het probleem verdoezelt, versterkt de positie van zij die het nu voor het zeggen hebben en verhult de mogelijkheid om systeemveranderingen door te drukken. Neem het voorbeeld van de klimaatvluchtelingen, zij voor wie de gevolgen van klimaatverandering het leven onmogelijk maken. Niet alleen zijn hongersnoden vaak het product van politiek-economische beslissingen (de zwaar gesubsidieerde invoer van Europese voedseloverschotten, die de lokale landbouw onrendabel maakt; de verdrijving van boeren en herders om op hun gronden gigantische zonnepaneelvelden aan te leggen; het afleiden van bronnen en watervoorraden naar afgesloten enclaves van kolonisten; enorme trawlers die op industriële wijze de visbestanden voor de kust leegroven ten nadele van de plaatselijke vissers), een apolitieke benadering verhult ook dat de wereld wel voldoende voedsel produceert voor iedereen, maar dat het zo ongelijk verdeeld wordt dat honderden miljoenen honger lijden. Zelfs de gevolgen van overstromingen of orkanen zijn in belangrijke mate het resultaat van politieke beslissingen (zie de gevolgen van de aardbeving en de  tsunami bij Fukushima, maart 2011; zie de verschillende gevolgen van orkaan Irma in Cuba of in de VS, 2017). De aard en de intensiteit van klimaatverandering wordt weliswaar bepaald door het niveau van CO2 in de atmosfeer, maar de gevolgen daarvan voor de aarde en haar menselijke en niet-menselijke bewoners zijn in belangrijke mate afhankelijk van machtsstructuren en politieke beslissingen. De Europese keuze om vluchtelingen voor de klimaatverandering op te vangen door van de hele Méditerranée een gigantische dodenakker te maken, is daarvan slechts een extreme uiting.

Wat betreft de aanpak van de oorzaken van klimaatverandering, zijn de overheid of ‘de politiek’ slechts de instrumenten, de uitvoerders en facilitators van de verlangens van het bedrijfsleven en zijn aandeelhouders. Dat geldt overigens niet alleen wanneer het gaat om vervuilende sectoren als de autonijverheid, de luchtvaart of de logistieke sector. Een mooi voorbeeld uit Nederland. Een lobby van vastgoedondernemers en autosportfanaten is erin geslaagd het circuit van Zandvoort weer open te stellen voor Formule 1 races. De gemeente wil zelf vier miljoen euro investeren, en verwacht van de provincie en het rijk een zelfde bedrag. Over de verkeersoverlast die de toestroom van toeschouwers zou veroorzaken, zegt de burgemeester: “Ze kunnen ook met de fiets komen.” En net zo goed wanneer het gaat om de industrieën van de hernieuwbare energie, of het nu in Frankrijk, Nederland, Wallonië of Vlaanderen is, rollen overheden overal de rode loper uit voor de promotoren van windenergie – bedrijven als Engie Electrabel of EDF Luminus, dezelfde dus die belangrijke winsten halen in de zo vermaledijde nucleaire sector. Ruime overheidssubsidies, betaald met belastinggeld; vernietiging van natuur, bossen en landschappen (wat had zo’n neergemaaid bos niet kunnen betekenen voor de verwerking van CO2-uitstoot?); administratieve beroepsprocedures die herschreven worden zodat burgers zich amper nog kunnen verzetten tegen de plannen van de energiebedrijven. Natuurlijk is het aan overheden of de politiek om regels vast te leggen en te handhaven tegen de verdere verontreiniging en afbraak van het leefmilieu – zolang het maar geen afbreuk doet aan de winst van de bedrijven en hun aandeelhouders. Die eisen zelfs dat de overheid, dus de belastingbetaler, hun ‘transitie’ financieel ondersteunt (zie de windenergiepromotoren, zie Sign for my future). Met andere woorden, verwachten dat de overheid (‘de politiek’) met concrete en effectieve klimaatplannen komt, betekent niet anders dan vragen of je je belastinggeld mag dragen naar de bedrijven die de ‘transitie’ zien als een winstkans voor hun aandeelhouders, die eerst volop profijt gehaald hebben uit de vernietiging van het leefmilieu.

Bedrijven zouden niet zo’n nefaste invloed kunnen hebben op het klimaat, als er niet consumenten waren die op grote schaal gebruik maken van de vervuilende en vervuilde diensten en goederen die zij aanbieden. Met vervuilend bedoel ik dat de productie van die goederen en diensten, inclusief de afvalverwerking, schadelijke gevolgen heeft voor het leefmilieu, zowel voor mensen, als voor dieren, planten, aarde, zeeën en lucht. Maar consumenten zijn ook verantwoordelijk voor de aanschaf van vervuilde goederen en diensten, producten die de vrucht zijn van de uitbuiting van kinderen, mannen, vrouwen, de vernieling van land en water en habitat in min of meer verre landen. Het recente WWF-rapport over de Belgische bijdrage aan de internationale ontbossing wijst erop dat de Belgische consumptie van vlees, leer, cacao, palmolie, papier en papierpulp, natuurlijk rubber en hout jaarlijks verantwoordelijk is voor de vernietiging van 3,8 miljoen hectare bos, oftewel 1,2 maal de oppervlakte van het land of vijf keer de oppervlakte van de Belgische wouden. Je kan je afvragen wiens toekomst de manifestanten voor het klimaat hopen te vrijwaren: die van de miljoenenbevolking op de oevers van de Mekongrivier die bedreigd wordt door de aanleg van waterkrachtcentrales, of die van een met overstroming bedreigd Polynesisch eiland, of hun eigen toekomst, nu het er op lijkt dat die misschien minder overvloedig en comfortabel zal zijn?

In Nederland, België en Frankrijk zijn er groenen die zeggen dat zij ‘de tegenstelling tussen links en rechts voorbij’ zijn. De bezorgdheid voor ‘het milieu’ moet tegenstellingen tussen arm en rijk, tussen uitbuiter en uitgebuite, kortom sociale strijd, overstijgen. Maar helaas voor hen, al jaren tonen talloze studies aan dat de uitbuiting en verdrijving van lokale bevolkingen, en de vernietiging van hun lokale productiemiddelen directe en indirecte gevolgen hebben voor het wereldwijde leefmilieu. Je hoeft maar te denken aan vissers in Afrika, de sojateelt in Zuid-Amerika, de slums waarin de verpauperde bevolking leeft die in Azië, Afrika, maar ook Oost-Europa de kleding, het speelgoed, de elektronica assembleert waarvoor de westerse consumenten staan te dringen, en niet alleen bij Primark en Action. Kortom, in plaats van alle heil te verwachten van de overheid, zouden klimaatmanifestanten ook eens hun eigen consumptiegedrag bij Ryanair, Albert Heijn of de goedkoopste aanbieder van wat dan ook onder de loep kunnen nemen.

Want de klimaatactivist heeft zeker wel macht – en verantwoordelijkheid – als consument. In die zin ben ik het niet helemaal eens met de Franse journalist Jean-Baptiste Malet. In Solidair zegt hij: “We moeten onszelf geen schuldgevoel aanpraten omdat we een gsm hebben of omdat we kleren dragen die gemaakt zijn door uitgebuite werkkrachten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik voor cynisme pleit of dat ik onverschillig sta tegenover die uitbuiting, integendeel. Maar ik verwerp de burgerlijke houding die ons vertelt dat we “ethisch” moeten kopen om de wereld te veranderen, dat we allemaal individueel correct moeten handelen.

Wanneer een interimarbeider zijn voedingsmiddelen koopt bij een discounter en de goedkoopste kleren draagt, of als jij en ik een gsm of een pc gebruiken om te communiceren of om te werken, dan vind ik niet dat we ons daar schuldig moeten over voelen. Wij moeten ons niet schuldig voelen over de productieverhoudingen van het kapitalisme.

En de reden is eenvoudig: wij hebben niet gekozen voor dat systeem. Het wordt ons opgelegd door de kapitalisten en de politieke klasse die hun belangen dient. Wij hebben geen schuld aan hun wandaden. (…) Deze drang naar deugdzaam consumeren is de eerste stap naar depolitisering van de maatschappij via consumptie.”

Wat niet wil zeggen dat Malet zich zomaar neerlegt bij de situatie. In hetzelfde interview verklaart hij ook: “We moeten ons er niet voor schamen dat we in een verwerpelijke wereld leven. We moeten de macht veroveren en verandering brengen. We moeten eerder diegenen die zich schuldig maken aan uitbuiting met de vinger wijzen, hen aanwijzen, hen benoemen, en zo onze maatschappij en haar geschiedenis verklaren, en de klassenverschillen.”

Maar de macht veroveren en verandering brengen, wat betekent dat? Wat houdt dat in? De macht, dat is niet (meer?) een monolithisch systeem, geconcentreerd op één plek, in één instantie. Het mondiale kapitalisme van vandaag wordt gekenmerkt door de inkapseling van contingentie (onvoorspelbaarheid), diversiteit, mobiliteit en flexibiliteit. Beheersing van dit systeem gebeurt niet noodzakelijk door brute machtsuitoefening en geweld, maar door alomtegenwoordige controle en ideologische beïnvloeding. In een neoliberaal maatschappijsysteem dat de economie depolitiseert, wordt de burger allereerst beschouwd als producent-en-consument, die in die hoedanigheid voortdurend – op school, door levenslang leren, door sociaal beleid, in de media, bij justitie – afgericht moet worden voor zijn/haar rol op de vrije markt.

Als de macht niet meer lokaliseerbaar is, maar diffuus, hoe dan die macht veroveren? Het is een illusie dat via alleen maar de weg van de parlementaire democratie duurzame omkering van sociale machtsverhoudingen of het einde van uitbuiting tot stand kan komen. Revoluties – voor zover al denkbaar in West-Europa – hebben, zo leert de geschiedenis, ook zelden of nooit tot duurzame rechtvaardigheid geleid. En ironisch genoeg, de houding van de hippies uit de jaren 1960 en ‘70, die je tegenwoordig min of meer herkent in ‘alternatieve’ leef- en productievormen aan of in de marge van het kapitalistische systeem biedt al evenmin een toevlucht. Patti Smiths rock ‘n’ roll nigger die zich terugtrekt “outside of society” staat al lang op de T-shirts voor toeristen in Christiania; jaren geleden al hebben we ontdekt dat elke subcultuur, elke identitaire minderheid tot een product kan worden gemaakt dat je op de markt kan brengen. Eenheidsworst verkoopt, maar diversiteit ook.

Als je de culturele hegemonie wil doorbreken (of tenminste doen barsten) van een denksysteem dat er van uitgaat dat ieder voor zichzelf naar maximale winst moet streven, dan moet je in ieder geval al het heersende vertoog op de korrel nemen en proberen te veranderen. De taal – de woorden – die je gebruikt onthult of verhult wat je werkelijk wil zeggen. Wanneer het zich in West-Europa afspeelt, is het bij de gevestigde media van “de politie moest tussenkomen om de rust te herstellen”. Maar wanneer het over Venezuela gaat, “slaan de ordetroepen een demonstratie van burgers neer”. Parler n’est jamais neutre, wist Luce Irigaray al.

Iedereen wil nu ‘het klimaat redden’. Maar het klimaat is niet iets wat gered kan worden. Het klimaat is wat het is, de gemiddelde weerstoestand in een bepaald gebied en over een langere periode (dertig jaar). Dat klimaat kan overwegend koud of warm zijn, droog of vochtig, of desnoods wisselvallig; het klimaat is de beschrijving van een toestand. Wie beweert dat hij of zij het klimaat wil redden, zegt zo maar wat zonder iets duidelijk te maken over verantwoordelijkheden, doelstellingen, strategieën of middelen.

Wie je wel zou kunnen redden, zijn de slachtoffers van het klimaat. Alle elementen voor wie ten gevolge van klimaatveranderingen gevaar dreigt, die zou je ter hulp kunnen komen. Desnoods noem je die elementen ‘klimaatslachtoffers’; het gaat dan zowel om mensen, als om dieren, zeeën, wouden, eilanden. Als je duidelijk maakt wie je wil ‘redden’, dan maak je meteen ook duidelijk wie verantwoordelijk is voor de situatie, wat er gebeurd is en wat er moet gebeuren om die gevaarlijke toestand te verhelpen, en wie de verantwoordelijkheid daarvoor moet opnemen. ‘Het klimaat redden’, daar kan iedereen zich in vinden: scholieren en hun ouders, EDF Luminus en Unilever, alle mogelijke regeringen en eigenaren die hun gronden te gelde willen maken bij promotoren van zonne- of windenergie. Maar als je aangeeft wie je wil redden, en van wat, dan komen er namen in beeld, en verantwoordelijkheden, en praktijken van uitbuiting en vernietiging. Dan moeten zowel bedrijven, als consumenten, burgers en overheden naar zichzelf kijken – en de consequenties dragen. Het is dan dat een ‘rechtvaardige transitie’ ter sprake komt, een sociaal rechtvaardige benadering waarin de bezorgdheid voor het milieu (de overgang naar een klimaatneutrale economie) samengaat met betere levensomstandigheden, op de eerste plaats voor de meest kwetsbare groepen in de samenleving. Of, zoals het in sommige media heet: het einde van de maand en het einde van de wereld met elkaar in evenwicht brengen.

LUnion_10nov2018 web klein

Bovendien, het zijn niet alleen zij die in precaire omstandigheden leven, die de ‘transitie’ dreigen te moeten ondergaan; het wordt tegenwoordig voor de gemakkelijkheid wel eens vergeten, maar de productie van hernieuwbare energie als kern van de mars naar een groene toekomst maakt ook zo zijn eigen nieuwe ‘klimaatslachtoffers’. En dan gaat het niet alleen om de slachtoffers die vallen bij en in de buurt van de ontginning van de grondstoffen – de openluchtmijnen voor de winning van zeldzame aardmetalen – die nodig zijn voor de productie van die ‘schone’ energiebronnen. Met enig cynisme zou je kunnen zeggen dat de Chinese milieuslachtoffers bij de ontginning van neodymium voor windturbines niet anders zijn dan de slachtoffers die in Congo vallen bij de winning van coltan voor de productie van mobiele telefoons. De redders van het klimaat weten best dat de acties die zij voorstaan slachtoffers maken – maar dat zijn zorgen voor later. Over de schade die windturbines op zee veroorzaken (aan fauna en flora, maar ook voor de vissers) zegt Jan Vande Putte van Greenpeace in Médor: « On va trop vite, c’est clair. Mais on ne peut plus attendre pour faire des études car le réchauffement climatique aura, lui, des conséquences bien plus dommageables. On doit avancer et minimiser ensuite ces effets. » Ook iemand uit een totaal andere hoek, fondsenbeheerder Etienne de Callataÿ, vindt in een moment van bezinning toch dat het voorkomen van nieuwe slachtoffers geen prioriteit is: “Comment aider les perdants de la transition? Mais cette réflexion ne doit pas freiner l’adoption des mesures. » (Le Soir, 8/9 december 2018) Waar gehakt wordt, vallen spaanders – zeg dat de redders van het klimaat het gezegd hebben.

Maar goed, alles wat je nu kan doen om klimaatverandering te beheersen, kan helpen om de gevolgen ervan voor de aarde en haar bewoners te minimaliseren. Jean-Baptiste Malet zegt in het interview in Solidair: “Een boycot kan zeker een doeltreffend wapen zijn in een politieke strijd. En uiteraard moet iedereen zijn verantwoordelijkheid opnemen, niet zomaar wat doen, maar gewetensvol handelen. Persoonlijk boycot ik bepaalde bedrijven, maar ik weet uiteraard dat dat niets zal veranderen zonder een gestructureerde politieke strijd, zonder gezamenlijk verzet, zonder conflict.” Je hoeft de boycot dus zeker niet te laten. Sabotage, het bewuste ondermijnen van het industriële rendement, is van oudsher een actiemiddel van de arbeider. Het sabotagemiddel van de consument is de boycot. Natuurlijk kan je in onze westerse samenleving niet zonder elektriciteit, telecommunicatie, vervoer, voedsel of culturele voeding. Maar dat betekent niet dat je niet zonder digitale meters, Google, Facebook, twee auto’s, Carrefour of Studio 100 kan. Bijna altijd zijn ruim alternatieven voorhanden die kleiner, dichterbij, gezonder, autonomer, democratischer, … kortom minder vervuilend zijn en dus beter voor het klimaat. In de krant van 9 en 10 februari 2019 besteedt Le Soir  twee volle pagina’s aan een interview met Anuna De Wever, het boegbeeld van Youth for Climate. Plaats van afspraak is de Starbucks in het Centraal Station van Brussel. Was dat een bewuste keuze? Starbucks is in ieder geval een voorbeeld van hoe consumentenboycot het bedrijf op een aantal vlakken gedwongen heeft tot een rechtvaardiger, milieubewuster en fiscaal eerlijker beleid.

Natuurlijk zal je de wereld niet veranderen door voortaan je worteltjes op de Buurderij te kopen in plaats van in de supermarkt. En als je dat wel doet, betekent dat nog niet dat je je overgeeft aan de neoliberale indoctrinatie, die iedereen individueel verantwoordelijk maakt voor de eigen welvaart, en de samenleving beschouwt als een marktplaats voor de efficiënte handel in individuele – materiële en immateriële – rijkdom. Als het kapitalisme zijn eigen doodgravers produceert (Marx en Engels), of als macht haar eigen verzet creëert (Foucault), dan biedt het actuele kapitalisme nog wel ruimte voor de klassieke vormen van weerstand (vakbonden, stakingen, ruimte bezetten); in een systeem echter dat nu vooral gebaseerd is op controle van de individuele burger als producent/consument, is ook deze positie zeker een locus van verzet. En als politiek geworden is tot een opeenvolging van mediagebeurtenissen, dan heeft het weinig zin een monumentaal tegenspektakel te organiseren; dan resten slechts tactieken van subversie.

Kleine beekjes vormen grote rivieren (en meren). En al wat je nu al kan bijdragen aan een rechtvaardige transitie is gewoon meegenomen. Het moet gezegd: nu al zijn er volop mensen die min of meer consequent en in de mate van het mogelijke proberen een leven te leiden met respect voor de planeet en al zijn menselijke en niet-menselijke bewoners. Er zijn zoveel mensen – en niet alleen in West-Europa, maar juist ook op plekken waar je van hieruit niet meteen aan denkt, zoals Benin bijvoorbeeld – die nu al, ieder op hun niveau, doen wat zij kunnen voor een betere, gezondere en meer rechtvaardige wereld.

Een werkelijke rechtvaardige transitie op wereldniveau vereist echter een radicale agenda, niet alleen om op een juiste manier om te gaan met de klimaatverandering die nu aan de gang is, maar ook om te komen tot een samenleving die bereid is te luisteren naar de noden en verlangens van alle wezens, menselijk en niet-menselijk, en tot een herverdeling van de rijkdom en de middelen die nodig zijn voor een klimaatneutrale economie. Dat betekent dat je niet kan rekenen op de grote bedrijven, van wie de bestaansreden juist ligt in het maken van winst, of op de overheid, die er is om in onzekere tijden met alle kracht eigendom en bestaande machtsstructuren te verdedigen. Neen, je zal er zelf wat moeten aan doen – in je dagelijks leven. Niet alleen druk zetten op overheden of instellingen die uitbuiting en vervuiling in stand houden, maar ook zelf kiezen voor een leven dat staat in het teken van respect voor je omgeving, levend of niet levend, menselijk of niet menselijk.

Niemand heeft om het leven gevraagd. Het is een geschenk dat je niet kan weigeren; je kan er hoogstens afstand van doen. Zij die kunnen spijbelen en demonstreren ‘voor het klimaat’ mogen zich gelukkig prijzen, niet alleen dat zij daar materieel toe in staat zijn, maar ook dat zij niet in de gevangenis terechtkomen, waar marteling en honderd zweepslagen hen wachten. Wat maken van je leven en er zorg voor dragen dat anderen dat ook kunnen, en dat alles zonder jezelf of anderen te schaden. Dat is nogal een opdracht – en voor de een al makkelijker dan voor de ander, afhankelijk van de energie die je moet besteden om simpelweg te overleven. Maar “het klimaat redden” zal niet lukken zonder jezelf in vraag te stellen, en bewust wat te doen aan je eigen omgang met de wereld en aan een systeem dat gebaseerd is op meedogenloze groei en exploitatie. Geen rechtvaardig klimaatbeleid zonder sociale rechtvaardigheid.

1984

Technology and control – the future revisited.

A Note on Production

… there were 21 papers presented at the conference. [-] I typed all the edited papers onto a main frame computer (a VAX 780) with the intention of transferring the files on-line to a computer at Oxford capable of laser typesetting (Lasercomp). However, time ran out, and an alternative plan had to be activated. The main frame computer did not have a word processing facility, so the files were transferred to floppy disc and word processed on a micro-computer (a Gemini Galaxy 1); each floppy has an amazing 800K capacity. Finally, the files were printed out on a daisy wheel printer, pasted down on lay-out sheets and presented to the printer photo-ready.

I would like to thank a number of people for their help in this process. Mike Tomlinson had the hassle of dealing with the printer and the binder, and of organising the manual collation of the printed sheets. Had we been able to use Lasercomp he would have had the main hassle there also. [-] And Alistair Gilmore in the Faculty of Social and health Science at the University of Ulster at Jordanstown was more than pleased to drop everything else in order to introduce me to the mysteries of transferring files from the main frame to the micro computer.

A final point: it is perhaps a minor example, but the very process whereby these Working Papers have been produced shows that new technology is not totally oppressive. The papers that follow consider some of the many ways in which it is oppressive, but they also contain the hopeful message that “we” can master the machinery in some ways ourselves, that we do not have to leave it all in “their” hands.”

From: Bill Rolston, ‘Introduction’, in The State of Information in 1984 – Conflict, Social Control and New Technology. Working Papers in European Criminology N° 6, European Group for the Study of Deviance and Social Control, Cardiff, September 1984

EG 1984