Over duurzaamheid en actie

“Die energietransitie komt er wel. Desnoods plempen we de hele Noordzee vol met windmolens.” Zo citeert De groene Amsterdammer van 11 juli 2019 ene Kees Vendrik, vermoedelijk de GroenLinks-politicus en ‘hoofdeconoom’ bij Triodos Bank. Kan je een nog ethischer of meer milieubewust type vinden? Hoewel. Alleen al de term ‘volplempen’ getuigt van zijn dédain voor de zee, biodiversiteit en het landschap (niet voor niets tegelijk gemeen goed en publiek recht). Bij de Ambassade van de Noordzee zullen zij wel even de wenkbrauwen gefronst hebben.

Uit de context van het artikel blijkt dat Kees Vendrik zich blijkbaar een doel gesteld heeft, namelijk veel elektriciteit opwekken zonder  tegelijk CO2 te produceren. Daarbij wordt ook verwezen naar het Nederlandse Klimaatakkoord, dat hetzelfde nastreeft, en er toe zou leiden dat er in de komende tien jaar in Nederland zevenhonderd windturbines bij komen op zee, vijfhonderd op het land, en ook nog eens 75 miljoen extra zonnepanelen op het land. Vendrik doet mij wat denken aan Carlo Di Antonio, de vorige Waalse minister van Leefmilieu, die à la Jean-Marie Pfaff op de kraag van zijn hemd het logo voerde van Engie Electrabel, en op zijn manchetten dat van EDF Luminus.

Ik ga even kort naar Michel Foucault. Ik vond namelijk onlangs Ervaring en waarheid terug, de vertaling van een aantal gesprekken die hij in 1979 voerde met de Italiaanse publicist Ducio Trombadori. Dertig jaar na de eerste lezing vond ik het nog steeds een alleraardigst boekje. In zijn terugblik op twee decennia intellectuele arbeid zegt Foucault: “Mijn rol bestaat erin de problemen effectief te stellen, met een maximum aan complexiteit en moeilijkheid, zodat een oplossing niet zomaar in het hoofd van een hervormer of zelfs in het brein van een politieke partij opborrelt. De problemen die ik aan de orde stel zijn complex: de misdaad, de waanzin, de sexualiteit, ze raken het dagelijks leven en er is geen gemakkelijke oplossing voor. Jaren, tientallen jaren werken zijn nodig, aan de basis, met de direct betrokkenen, om hun het recht van spreken en het recht op een politieke verbeelding terug te geven. Alleen dan is misschien vernieuwing mogelijk van een toestand, die in de termen waarin ze vandaag wordt gesteld, slechts tot uitzichtloze impasses kan leiden. Ik bedank ervoor wetten te maken. Eerder ben ik erop uit problemen af te bakenen, ze in beweging te zetten en ze in al hun complexiteit te laten zien, zodat profeten en wetgevers de mond wordt gesnoerd: al degenen die voor en boven de anderen spreken. [-] Het doel is dus stukje bij beetje iets uit te werken, wijzigingen in gang te zetten die, al bieden ze geen uitzicht op oplossingen voor een probleem, althans de wijze waarop het gesteld wordt veranderen.” En ook zei Foucault dat hij wilde “de mechanismen begrijpen waardoor heerschappij daadwerkelijk wordt uitgeoefend; dat doe ik opdat zij die in bepaalde machtsrelaties gevangen en verwikkeld zijn, daaraan door hun acties, hun verzet en rebellie kunnen ontsnappen, opdat ze die relaties kunnen omvormen en er niet langer aan onderworpen zijn.”

Het probleem dat zich achter de uitspraak van Vendrik in al zijn complexiteit ontvouwt, is dat van een duurzame toekomst. Maar nadenken over de termen waarin vandaag dat probleem gesteld wordt, lijkt aan hem niet besteed. Blijkbaar is duurzaamheid gewoon een correctie of een aanvulling op de huidige dominante denkpatronen van groei en kortetermijnwinst. Ja, als je zo denkt, kan je inderdaad zevenhonderd windturbines in zee zetten, en daarmee de zakken vullen van de aandeelhouders van Siemens, Vesta, Electrabel, Eneco, EDF, en al die andere bedrijven die ineens ‘groen’ zijn geworden.

Wil je werkelijk duurzaamheid aan de orde stellen met een maximum aan complexiteit en moeilijkheid, dan  vereist dat inzicht in of op zijn minst reflectie over een aantal aartslastige problemen. Ik stip er enkele kort aan.

  1. Er bestaat vandaag grote overeenstemming, lijkt het, over het feit dat vanwege de ideologie van voortdurende groei de aarde in snel tempo onleefbaar wordt. De mensheid is als het ware de tak aan het afzagen waarop zij zelf zit. Het heeft geen zin hierbij verwijtend te kijken naar het verleden, naar het ontstaan van de moderniteit en van het kapitalisme. Dat waren in bepaalde delen van de wereld logische ontwikkelingen, die veel goeds gebracht hebben, en waarbij niemand toen kon denken dat de premissen van die ontwikkelingen ooit ter discussie zouden staan. De mens was simpelweg de heerser van de wereld, de wereld was aan hem ondergeschikt.
    Maar nu: einde aan de groei, terug naar meer soberheid, naar een leven en een samenleving waarin natuur, technologie en mens een harmonisch geheel vormen? Het streven naar harmonie is in de politiek nooit zo’n gelukkig doel geweest. Bovendien, je hebt wel makkelijk praten, hier in het rijke Westen. Die wereldbevolking die maar blijft toenemen, en die zich vooral in de ontwikkelende landen steeds meer concentreert in megasteden, wat is daar allemaal niet voor nodig om die te huisvesten, te voeden, van energie te voorzien? Bijvoorbeeld: wie had er ooit gedacht dat zand, ja zand, een schaarse grondstof zou worden? En dan gaat het in de eerste plaats nog wel om zeezand. Dat wordt namelijk gebruikt om beton te maken. Woestijnzand is veel te rond om zich te binden met het cement in beton.  Zo komt het dat een woestijnstaat als Dubai zand moet importeren om de kunstmatige eilanden en de immense wolkenkrabbers die daarop verschijnen te kunnen bouwen. Dat is overigens nog niets vergeleken met China. Die staat zou in d’r eentje 58% van het wereldwijd gewonnen zand gebruiken voor de bouw van woningen en kantoren. Volgens Le Figaro staan er in China 85 miljoen woningen leeg, maar floreert de bouwnijverheid als nooit tevoren.
    Het schetst het dilemma van de groei zoals die nu georganiseerd is. Ga je miljarden mensen ontzeggen wat je zelf hebt – bijvoorbeeld een woning – omdat zij daarbij de aarde en de zeeën en de lucht vernietigen? En hoe ga je voorkomen dat die vernietiging, als zij toch plaats vindt, zelfs niet ten goede komt van de mensen die een woning nodig hebben? En als je niet wil dat Indonesië, Vietnam en Maleisië hun zeeën uitgraven, met alle ecologische en economische gevolgen voor de kustbewoners, hoe ga je dan voldoende woningen bouwen voor de miljoenenbevolking van de nieuwe megasteden?
    Zou je er dan niet in de eerste plaats moeten over waken dat mensen een goed en zinvol leven kunnen leiden op plekken en in omstandigheden die niet een massale vernietiging van de omliggende wereld vereisen? En dat het kwaliteitsvolle leven dat je hier in het Westen nastreeft, niet ten koste gaat van anderen, die ver weg wonen? Hoe duurzaam zijn de alternatieve technologieën die nu gepromoot worden om ‘het klimaat te redden’ en de wereld zoals je ze kent in stand te houden? (Tussen haakjes, de biodiversiteit, die je nu wil verdedigen, is tot stand gekomen als gevolg van afwisselende ijstijden en perioden van  klimaatopwarming, waarbij fauna en flora iedere keer teloor gingen en als het ware opnieuw van nul begonnen.)
    Mijn vorige woning, op het platteland, was een groot huis van meer dan honderd jaar oud, slecht geïsoleerd, met een verwarmingsketel op stookolie en een houtkachel. Ongetwijfeld niet ideaal vanuit ecologisch oogpunt, maar de vaat deden wij met de hand, de was droogde buiten in de zon en de wind, en als dat nodig was, zette ik het keukenraam op een kier bij het koken. Nu woon ik in een state-of-the-art appartement, de ventilatie moet permanent draaien, de vloerverwarming mag je niet uitschakelen, de vaatwasmachine is standaard ingebouwd, net als de dampkap boven de inductieplaat, en om de was te drogen heb je een droogtrommel. Waar komt al de elektriciteit vandaan die daarvoor nodig is? Die moet toch ergens geproduceerd worden, net als de stroom voor die elektrische steps en andere vervoermiddelen, die de vervuilende auto’s uit het verkeer zouden verdrijven ? Worden er in de Ardennen geen wouden gekapt om windturbinezones aan te leggen? Wat denk je dat het volplempen van de Noordzee met windturbines doet voor de visserij en de biodiversiteit onder water?
    Ecofundamentalisten en klimaatfanatici (en zij die nu meesurfen op de klimaatgolf) weten best dat hun energietransitie slachtoffers maakt, en niet alleen in de landen die volop in ontwikkeling zijn, en waar grote bedrijven goedkoop nieuwe energiebronnen aanboren ten koste van de plaatselijke bevolking. Worden er in Marokko geen landbouwers en herders verdreven om enorme velden zonnepanelen te bouwen? Maar ook in de westerse wereld, waar hogere milieunormen steeds moeilijker haalbaar worden voor wie het niet breed heeft (denk aan de initiële aanleiding voor de opstand van de gilets jaunes op het Franse platteland: de verhoging van de benzineprijs – niet iedereen kan zich een elektrische auto veroorloven), maken de ‘redders van het klimaat’ hun slachtoffers. Klimaatvluchtelingen komen nu net zo goed uit de Drentse Veenkoloniën en de Ardennen. Klimaatverandering is inderdaad een zaak van winnaars en verliezers. Ik heb het al eerder gehad over het dédain waarmee de ‘winnaars’ zeggen: wij moeten nu vooruit, de schade die dat bij anderen veroorzaakt zullen wij later wel eens bekijken. Duurzaamheid is echt wel meer dan CO2-uitstoot beperken. 
  2. Als je dan toch zelf wat wil doen aan het bevorderen van een duurzame samenleving èn het verminderen van de productie van CO2: Think global, act local. Lokale productie, korte keten: goed voor producent, consument en milieu. Wat je hebt meegemaakt de afgelopen decennia is de triomf van de globalisering, de hele wereld binnen handbereik voor de kosmopolitische toerist. Nu pas krijgt die toerist de ware kostprijs van zijn/haar goedkope vlucht onder de neus geduwd. Nu blijkt ook dat de economische voordelen van die globalisering wel heel ongelijk verdeeld zijn. Slavernij is niet verdwenen, zo blijkt nog steeds uit diverse reportages; het (goedkope) comfort van het Westen is de vrucht van de slavenarbeid in de tomatenpluk in Zuid-Italië en Spanje, in de mijnbouw in Brazilië, in de textielindustrie in Bangladesh, Vietnam, Bulgarije en Roemenië (en zeker ook in België en Nederland), in de sexindustrie, en noem maar op.
    Nadat de media en het onderwijs je jarenlang bestookt hebben met de voordelen en kansen van open markten en vrijhandel, is er nu een tegenbeweging van protectionisme. Men beseft dat multinationals en inheemse leiders decennia lang lokale samenlevingen en economische systemen ontwricht hebben ter wille van de goedkope productie van basisgoederen (zoals voedsel) voor de westerse markt, van waar de overschotten van diezelfde goederen dan terug geëxporteerd werden naar de landen van herkomst. Het verzet tegen internationale vrijhandelsakkoorden als CETA en TTIP en nu Mercosur heeft niet alleen te maken met milieu- of gezondheidsoverwegingen, maar ook met bescherming van de eigen lokale economie en levenskwaliteit. Protectionisme is voor velen nog steeds een vies woord, maar tegenover het ongebreidelde economische globalisme is er nood aan een doordacht altermondialisme. Niemand wil tenslotte ook een einde aan de Erasmusuitwisselingen.
    Maar er zit een valstrik onder dat verzet tegen rabiate globalisering. In 2016 zei de Britse ex-premier Theresa May: “If you believe you’re a citizen of the world, you’re a citizen of nowhere”. Niet alleen zijn de economische baten van de globalisering ongelijk verdeeld, zij heeft ook geleid tot een nieuwe, onevenwichtige verdeling van identiteiten. Zowat overal ter wereld zijn plekken waar de reactie op de globalisering niet leidt tot een kosmopolitische cultuur of een vorm van ‘andere mondialisering’, maar tot een puur en simpelweg teruggrijpen naar een primair stamverband op basis van een mythisch verleden. Politici en media creëren beelden van ‘het volk’ en zijn vijanden, en sluiten hele samenlevingen op in nationalisme en xenofobie. Zij schetsen een toekomst van de ineenstorting van sociale systemen door de migratie van miljoenen mensen, zij teren op de onzekerheid en angst die zijzelf creëren. Dat is ook een vorm van protectionisme die slachtoffers maakt, zowel aan de grenzen van de ‘natie’ als daarbinnen.
    Dat oproepen van angst is trouwens niet eigen aan reactionaire populisten. Ook de huidige klimaatbeweging teert op angst voor naderende catastrofes. Het is altijd minstens vijf voor twaalf. De angst waar spijbelende pubers en hun aanhang zich op beroepen wanneer zij het klimaat willen redden, verschilt niet wezenlijk van de angst van andere bevolkingsgroepen voor de ‘omvolking’ die hen wordt voorgehouden. Angst essen Seele auf zei Ali in de film van Rainer Werner Fassbinder, maar de uitdrukking is wereldwijd: la peur dévore l’âme, fear eats the soul.
  3. Al jaren is er sprake van een crisis van de liberale democratie die de uitdrukking is van de belangen van het kapitalisme in zijn actuele vorm. De namen die men aan die crisis geeft –de ‘kloof’ tussen de burger en de politiek, of de teloorgang van de gevestigde partijen, of de opstand tegen de elite en de opkomst van het populisme – dekken eigenlijk allemaal een falen van de politieke representatie van een op hol geslagen kapitalisme, dat de naam ‘neoliberalisme’ heeft gekregen. Verzet tegen die falende representatie van het neoliberalisme zal je niet vinden in pogingen om de sociaal- of christendemocratie nieuw leven in te blazen, en al evenmin bij traditionele ‘groene’ partijen of nationaalpopulisten. Geen van deze varianten stelt de fundamenten van het hedendaagse kapitalisme in vraag: rendementsdenken en macht gebaseerd op eigendom – en dus een economie van uitbuiting (van mensen, van de aarde, van dieren, zeeën, lucht en geest) en de permanente creatie en instandhouding van schrijnende ongelijkheid en onderwerping.
    Neem nu bijvoorbeeld Botswana, een vrij jonge staat (1966) die grenst aan Zuid-Afrika. Op de mooie site Africa is a country staat een bespreking van het boek van antropologe Julie Livingston, Self-Devouring Growth: A Planetary Parable from Southern Africa. Botswana is in zuidelijk Afrika een soort model van een stabiele staat met een redelijke sociale zekerheid en een voortdurende economische groei. Eén klein vlekje op die reputatie: Botswana staat derde in de Afrikaanse gini-index, de statistische maatstaf om de ongelijke verdeling van inkomen en vermogen aan te geven. Livingston beschrijft hoe drie ‘routes’ uit de traditionele lokale Tswana-cultuur een moderne kapitalistische invulling hebben gekregen. Regen maken werd water- en gezondheidsbeleid, vee werd de vleesindustrie, en reizen werd transport. Die nieuwe invulling van traditionele waarden heeft er toe geleid dat rendement en groei belangrijker zijn geworden dan de sociale en morele component van waterbeheer, vee en reizen, en dat de ongelijke verdeling van rijkdommen (resources) is toegenomen, eerder dan afgenomen. ‘Regen maken’ bijvoorbeeld was traditioneel gebaseerd op collectieve afspraken en zorgvuldige omgang met sociale verhoudingen. “Where once there was public healing, in which people attempted to merge rain and social relationships in a dynamic moral economy, now we have public health, in which rain is a necessary calculable element of people management.”
    Livingston ziet ook wel in dat Botswana mee moet in een wereldwijd systeem van groei en rendement, en zij vraagt zich af of je in die context nog zou kunnen kiezen voor een beleid waarin ‘ontwikkeling’ niet noodzakelijk staat voor meer groei en rendement, maar eerder voor duurzame en gedeelde voorspoed, ontwikkeling van het gemeengoed en minder maatschappelijke ongelijkheid.
    Wat kwam dat hele Botswana hier nou doen? Ik vond het een mooi voorbeeld om aan te geven dat de relatie tussen het kapitalistische groei- en rendementsdenken en de toename van maatschappelijke ongelijkheid een probleem is waar men zich ook terdege van bewust is op plaatsen die niet meteen in je opkomen. Je zou wel kunnen denken: dit zijn ideale omstandigheden voor een analyse in termen van Herrschaft en Knechtschaft, een dialectisch proces waarin de heerser afhankelijk is zowel van de materiële productie van de knecht en als van de erkenning door diezelfde knecht van zijn Herrschaft – wat de knecht dan weer de mogelijkheid biedt om op termijn de rollen om te draaien en zelf heerser te worden, enzovoort. Dat dat niet gebeurt heeft misschien te maken met het feit dat zowel de rollen van heerser als van knecht ondefinieerbaar zijn geworden, fluïde, niet te grijpen, dat machtsuitoefening niet meer lokaliseerbaar is, maar permanent in beweging, verspringend, en geïnternaliseerd.
    Ligt het werkelijke verzet dan bij de alternatieve leef- en productievormen? Bij de deeleconomie, de windenergiecoöperatieven, de co-housing, de korte keten van biologische productie en het leven & werken in zelfbeheer? Voor zover dit soort initiatieven niet kan zonder overheidssubsidies, zullen zij het kapitalistische rendementssysteem niet uithollen. Ook staan wij nog zeer ver af van het geïntegreerde federalisme dat oude anarchisten als Mikhail Bakoenin zich voorstelden: een combinatie van territoriale subsidiariteit en functionele decentralisatie. Autonome territoriale gemeenschappen (gemeenten, wijken, …) vormen samen provincies, die zich aaneensluiten in federaties, die samen dan weer steeds uitgebreider verbanden vormen. Tegelijk vormen (groepen) mensen, desnoods over territoriale begrenzingen heen, functionele samenwerkingsverbanden, om collectieve belangen te behartigen die de mogelijkheden van kleinere groepen overstijgen (openbaar vervoer, postbedeling, industrie, onderwijs, gezondheidszorg, …). Zo ontstaan als het ware rasters van verticale en horizontale samenwerkingsverbanden van autonome organisaties, bestuurd door zij die er deel van uitmaken.
    De politieke uitdaging ligt hier bij de groeiende irrelevantie van geografische afstand. In een periode waarin tijd geen vereiste meer is om ruimte te overbruggen, waarin de mobiliteit van mensen, informatie, waren, diensten en kapitaal geografische grenzen vrijwel irrelevant maakt, zeker wanneer het gaat om milieu en klimaat, in die periode komen solidariteit en de eerlijke verdeling van schaarse goederen (wat het wezen is van politiek) zwaar op de helling te staan. De solidariteit gebaseerd op ruimtelijke ordening moet dan vervangen worden door een solidariteit en politiek die uitgaan van (tijdelijke) belangencoalities en -verbanden.
    Dat betekent niet dat die alternatieve leef- en productiewijzen niet zinvol zijn, hoe beperkt en lokaal ze ook mogen wezen. Het is belangrijk om te laten zien dat je ook op een respectvolle wijze om kan gaan met het leven, de natuur, de aarde en andere mensen; niet het politieke of economische resultaat is dan op de eerste plaats belangrijk, maar de kracht van het voorbeeld, het tonen dat ook wat anders mogelijk is dan angstig jammeren of slaan.

volplempen 2

Zowel de uitspraak van Kees Vendrik als de vertogen en praktijken van duurzame alternatieven roepen – elk op hun manier – een klassiek actor-structuur-dilemma op. Dat ga ik nu even toelichten. Het is verstandig om, als je een invloed wil hebben op hoe de wereld eruitziet, ervan uit te gaan dat een samenleving bestaat uit mensen die een wil hebben, sterker nog, uit personen die in staat zijn tot onafhankelijke en vrije keuzen om de realiteit vorm te geven. Vroeger en in een andere context sprak je dan over een soeverein subject. Maar in de tweede helft van de twintigste eeuw is de ontkenning van de mens als soeverein handelend subject een centraal thema geworden in de continentale filosofie. De skepsis tegenover het subject is echter al veel ouder. Vooral Marx, Nietzsche en Freud worden beschouwd als de grondleggers van wat men ‘anti-humanisme’ is gaan noemen. Deze ontwikkeling bereikte vanaf de jaren 1970 misschien wel een hoogtepunt in het werk van Jean Baudrillard. Zijn beschrijving van de wereld schenkt alleen nog aandacht aan de ‘duizelingwekkende’, ‘extatische’ proliferatie van objecten en tekens, die constant mensen verleiden door verlangens bij hen op te wekken. Ook voor zover er sprake zou kunnen zijn van verhoudingen tussen mensen, vallen die volgens Baudrillard in een object-sfeer van verleiding en verlangen. Doet dit niet denken aan de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen die sindsdien algemeen als ‘neoliberalisme’ bekend zijn?

De theorie van Baudrillard heeft de aantrekkingskracht van het onontkoombare (en gaat zijn werk niet zelf juist over die fatale verleiding door het spektakel van de catastrofe?), maar ook het dubieuze van het nihilisme. Inderdaad, wanneer je elke menselijke betrokkenheid in de ontwikkeling van het sociale of de geschiedenis (en overigens ook die begrippen zelf) ontkent, blijft er dan wat anders over dan een serie zinloze of betekenisloze gebeurtenissen? Kunnen mensen dan wat anders dan zich zo blind mogelijk overgeven aan de verleidingen van de objecten? In 1988 noemde cultuurfilosoof René Boomkens de ‘volgelingen’ van Baudrillard nog “de onsamenhangende resten van een uitgesproken teleurgestelde generatie linkse, revolutionaire intellectuelen”. Vandaag lijkt het of diens illusieloze beschrijving van de werkelijkheid in West-Europa haar historische hoogtepunt heeft bereikt.

Anderzijds, je kan niet om de vaststelling heen dat mensen streven naar sociale verandering, dat mensen, tegen welke prijs dan ook, zich inzetten voor wat zij beschouwen als een lotsverbetering van henzelf en hun naasten. Dat betekent niet dat maatschappelijke actie in de brede zin niet ook te maken heeft met de verleiding door pijn, ellende, afzien, opoffering en de fatale catastrofe, maar wel dat voor een aantal mensen de oude Bakoenin gelijk had: ik kan pas vrij zijn als ook de anderen vrij zijn – al was het maar omdat hun erkenning van mijn vrijheid alleen waarde heeft als zij die in vrijheid geven. Maar die menselijke actie kent haar grenzen. Het natuurlijke en maatschappelijke universum waarin mensen zich bewegen wordt getransformeerd door hun acties, en door die acties transformeren zij ook zichzelf. Mensen construeren dagelijks hun samenleving en hun leefwereld (inbegrepen alle levende en niet-levende wezens), maar dat doen zij niet onder voorwaarden en in termen die zij zelf gekozen hebben. Dat zijn de structuren die denken en handelen beperken. De filosofe Kate Soper zei het ooit mooi zo: “People are conscious agents whose political options could be other than they are, and whose actions have real impact upon their conditions of existence. But these conditions are not themselves freely chosen.”

Niet alleen zijn die voorwaarden niet vrij gekozen, wat mogelijk (denkbaar) is wordt bepaald door structuren en processen waar het handelend subject maar heel indirect op inwerkt. Structuren beperken niet alleen, zij maken ook denken en actie mogelijk. Als denken zich uitdrukt in taal, zal dat in eerste instantie toch zijn in de taal die je gegeven is, met alle beperkingen en mogelijkheden die daarin vervat zijn. Menselijke actie schept structuren, en die structuren maken menselijke actie mogelijk. Je hoeft het subject als motor van een geschiedenis niet af te schrijven, maar het is zinnig de begrippen subject, motor en geschiedenis in hun samenhang te zien als processen die elkaar vormen en beïnvloeden, als bundels mogelijkheden, als kruispunten of open ruimten, waar alles kan gebeuren, en zeker datgene wat niet gewenst was.

Als de rol van mensen in het maken van geschiedenis zo moeilijk vatten is, hoe kan je dan nog sociale actie legitimeren? Sterker nog, als geschiedenis niet louter een zaak is van mensen (cultuur), maar ook van natuur, technologie, dingen, hybriden en quasi-objecten – zoals Bruno Latour beweert – hoe kan de mens dan zijn ingrepen rechtvaardigen? Als ook objecten handelingsbekwaamheid (agency) vertonen, en de maatschappij een levend organisme is dat voortdurend van samenstelling en vorm verandert, een voortdurend proces van onbepaalde, fragiele, controversiële en voortdurende wisselende verbindingen, als de waarheid niet meer ligt in het wezen of de orde der dingen, en als ook de mens geen telos meer heeft, maar slechts bestaat uit ‘stromen van verlangens’, hoe ga je dan de juistheid of rechtvaardigheid van sociale actie beoordelen?

Als je deze redenering doorzet, ligt de theoretische legitimering voor het zoeken naar rechtvaardigheid niet meer in een ontologisch gefundeerde waarheid, zelfs niet in een waarheid die het product is van machtspraktijken, maar in het besluit open te staan voor die stromen van potenties die de mens, de natuur, de technologie en alle mogelijke mengvormen samenstellen. Rechtvaardigheid hangt in die zin samen met vrijheid, met de vrijheid om open te staan voor die complexiteit. Vanuit een erkenning van complexiteit is waarheid dan de zekerheid dat er iets zal gebeuren, niet de kennis van wat er zal gebeuren.

In die zin pleit de Italiaanse filosofe Brunella Antomarini  ervoor dat we leren ‘denken met vergissingen’. We kunnen enkel de waarschijnlijkheid bepalen van toekomstige ontwikkelingen. De consequentie is dat men zonder het leggen van lineaire verbanden verliest aan zekerheid. Tegelijkertijd wint men echter aan greep op de complexiteit van de werkelijkheid: “Als wij onszelf onzeker houden, is dat paradoxaal genoeg omdat wij een grotere empirische precisie willen bereiken dan een sterke leidraad ons zou kunnen bieden. Het is waarschijnlijker dat een leidraad ons op de verkeerde weg brengt, omdat die uitgaat van een object dat volkomen beheersbaar is”. Men moet volgens Antomarini daarom altijd de ‘schaduw van de vergissing’ aanwezig houden en er niet vanuit gaan dat men het bij het rechte eind heeft. Juist de onzekerheid over een bepaald probleem heeft ervoor gezorgd dat men over dat probleem nadenkt. Wanneer men vervolgens een oplossing probeert te zoeken, mag men die onzekerheid niet negeren.

En zo ben je weer terug dicht bij Foucault en zijn opvatting over omgaan met problemen in al hun complexiteit. En ver van die Kees Vendrik met zijn volplempen van de Noordzee. Zonde eigenlijk, dat ik zo’n type zoveel aandacht geschonken heb.

(Als dit stuk je aansprak, kan je in de kolom rechts een e-mailadres ingeven en op ‘suivre’ drukken; dan krijg je een bericht wanneer ik wat nieuws post.)

 

 

 

Angst

Hieronder enkele citaten uit de Belgisch pers, anno 2019. De fragmenten uit Le Soir komen uit berichtgeving rond de klimaatacties in het voorjaar. De citaten uit De Standaard (weekblad) hadden te maken met de verdere groei van extreemrechts in Vlaanderen bij de verkiezingen van 26 mei 2019. Het citaat van Bart De Wever staat ertussen voor de vrolijke noot; die man is bevreesd voor niet minder dan drie rampen tegelijkertijd: een Waals volksfront, een belastingtsunami en Kristof Calvo als premier. Dit is nog net niet het einde van de Westerse beschaving.

‘Anuna De Wever: « La peur du climat me guide » – Mais moi je pensais : « Comment est-il possible qu’une jeune de 17 ans doive affronter un futur aussi effrayant ? »’
Le Soir, 9 et 10 février 2019

‘Pourquoi les jeunes ont-ils déboulé dans l’arène ? « La peur », résume un manifestant.’
Le Soir, 15 mars 2019

‘Les plus lucides osent un brin de mea-culpa : « On a tous jubilé à raison devant l’énorme mobilisation climatique en Belgique. Mais on n’a pas vu la montée de l’extrême droite. Cela me rappelle l’engouement pour le Front populaire en 1936 alors qu’en Italie et en Allemagne le fascisme et le nazisme parvenaient au pouvoir par des voies démocratiques. »’
Le Soir, 29 et 30 mai 2019

‘Avec le sentiment d’urgence, c’est l’angoisse qui monte. (…) Cette thérapie de l’action, beaucoup en parlent spontanément. Et trouvent dans Extinction Rebellion une réponse très littérale à une angoisse existentielle.’
Le Soir, 26 juin 2019

“Bart De Wever: ‘Ik vrees een Waals volksfront dat een belastingtsunami op Vlaanderen afstuurt, met Kristof Calvo als premier.’”
De Standaard, 24 april 2019

“Waarvan ligt de Vlaming wakker? We trokken drie weken op pad, van Heuvelland tot Riemst. Langs kleine steden en gemeenten, waar de telelens van de nationale politiek en media vaak niet reikt. Door een regio die niet uit de comfortzone wil. ‘Wat u hoort, is angst. Angst dat we alles gaan verliezen wat we hebben.’”
dS weekblad, 25 mei 2019

“Nagenoeg overal in Vlaanderen tekende Vlaams Belang voor een forse vooruitgang. Maar de zege was het meest opvallend in West-Vlaanderen, een provincie waar de partij nooit echt grond aan de voet kreeg maar nu plots 15 procent winst boekt en de grootste wordt in verschillende gemeenten. Met dank aan een goeie ‘casting’, de angst voor een migratiegolf én … de andere partijen.”
Het Nieuwsblad, 28 mei 2019

“Fakenieuws of niet: de angst dat taferelen die ze elders zien, zouden kunnen overwaaien naar hun rustige Kempen, baart deze inwoners grote zorgen.”
De Standaard, 28 mei 2019

 

Angst overal. Verschillende commentatoren hebben erop gewezen, zowel in verband met de klimaatacties als met de gestage groei van extreem rechts of radicaal rechts of welke andere eufemismen je er verder voor gebruikt: als je groot wil worden, moet je populistisch zijn, werken op de emoties. De beste emotie is angst. Angst creëren, uitspreken en verspreiden. Werkt altijd.

Eind mei publiceerden onderzoekers aan de UCLouvain een nota: Crise migratoire: le discours médiatique augmente-t-il la peur des migrants ? Hun analyse is gebaseerd op een onderzoek dat werd uitgevoerd aan de KULeuven, waarbij tweeduizend mediabijdragen uit 2015 tot 2017 over migratie werden bekeken. De onderzoekers van de UCL schreven een zeer evenwichtig rapportje, waarvan hier de samenvatting:

De “migratiecrisis” van 2015 heeft de aandacht voor migranten in Europa sterk aangescherpt. Landsgrenzen sluiten en militariseren, een tanende ontvankelijkheid van asielaanvragen: het zijn slechts enkele van de antwoorden op de angst van de Europese burger voor deze “crisis”. Zoals uit mens- en sociaalwetenschappelijk onderzoek blijkt, versterkt het discours in politiek en media zo negatieve stereotypen, accentueert het afwijzend gedrag en werpt het gaandeweg een valkuil op voor migranten. En de opkomst van een humanitaire logica, die de migrant-als-bedreiging inruilt voor een slachtoffer-migrant, maakt het niet mogelijk om de impasse te doorbreken.

Kortom, media en politici blijven angst creëren en oproepen – of het nu trouwens over migratie of over klimaat gaat –, en de media brengen bij voorkeur dat soort politici in beeld aangezien hun verhalen kijkers en lezers trekken. Daarmee verspreiden zij clichés en vooroordelen, die de denkwereld van bepaalde groepen mensen gaan aansturen. Ook al hebben die clichés geen objectieve basis, tegengestelde informatie kan bijna nooit krachtig genoeg zijn om de sterke emotie die angst is te temperen of te neutraliseren. Kassa!

 

Ik moest plots denken aan een boek dat ik pas herlezen heb: Ruth L. Ozeki, Mijn jaar van het vlees, Amsterdam, 1998 (My Year of Meats, New York, 1998, vertaling Ruud Rook). Aan het einde (p. 350-351) schrijft de hoofdpersoon (de schrijfster):

“Kennis die op die manier op ons afkomt – in golven, alles in één keer, onafwendbaar – wordt symbolisch voor onze machteloosheid: het wordt onaangename kennis – en dus ontkennen we hem, rijden op de top van de golf mee tot hij uit ons bewustzijn verdwijnt. ‘Ik wist het niet!’ heb ik mezelf horen tegenwerpen, maar het is niet waar. [-] ‘Onwetendheid.’ In wezen ben je bewust onwetend, is het een keuze die je telkens opnieuw maakt, vooral wanneer je met informatie wordt overstelpt, en kennis is synoniem geworden met machteloosheid.

Ik wou dat ik mijn ‘onwetendheid’ niet zozeer als persoonlijk falen maar als een gigantische culturele trend kon zien, een voorbeeld van dissociatie, van psychische verdoving, van de manier waarop we aan het eind van het millennium psychisch zijn lamgeslagen. Dwingt onze kennis ons niet tot handelen, dan kunnen we ons alleen handhaven bij de gratie van onze onwetendheid. Dus cultiveren we die en doen we er zelfs alles aan om onwetendheid te verheerlijken. De esthetiek van de opzettelijke domheid die de dienst uitmaakt op tv en in Hollywood móét hiermee te maken hebben. Gevoed door een mediadieet van rampzalig nieuws leven we in een aanhoudende toestand van onderdrukte paniek. We worden verlamd door rampzalige kennis waar we alleen aan kunnen ontsnappen door ons van de domme te houden. Onwetendheid wordt macht, omdat het mensen in staat stelt om te leven. Domheid wordt proactief, een politiek statement. Onze collectieve norm.”

 

Paralipse

(Nederlandse versie op http://durieux.eu/blog/paralipsis)

Ce dont je ne veux pas parler ici est la longue durée d’inactivité sur mes sites web. Sur durieux.eu la dernière contribution, le long essai hoe (een) intellectueel zijn? date déjà du 10 juin. Et sur rivieren & meren – rivières & lacs – rivers & lakes le dernier article a exactement trois mois, mais en fait Het kind en de zee zijn van zichzelf n’était rien de plus qu’une annonce à peine agrémentée d’un événement organisé par des tiers.

Peu importe comment on en est venu là. Je ne m’interroge pas sur le pourquoi. Demander le pourquoi est comme aller à la recherche d’une raison, et une raison implique une intention ou un objectif. Souvent les intentions et les objectifs ne sont point à découvrir ; ce que l’on peut détecter au contraire est comment les choses ou les situations sont devenues telles qu’elles se présentent aujourd’hui. Mais sur ce sujet, je ne veux pas m’étendre, c’est-à-dire sur l’impact des déménagements de l’année passée. Je ne gaspillerai pas de l’espace pour décrire toute l’énergie investie dans le ménage d’une archive de décennies, dans la recherche d’instances qui veulent reprendre les parties précieuses, dans la réduction nécessaire de ma bibliothèque jusque presque la moitié. Tôt ou tard, tout cela aurait dû arriver, et maintenant que je pouvais encore l’organiser moi-même, je pouvais ainsi éviter qu’un jour mes proches s’en débarrassent sans scrupules.

Cela n’a pas de sens non plus d’aborder la déprime causée par le déménagement des Ardennes belges, de la maison au petit parc où j’ai vécu avec plaisir pendant presque dix ans. Ni le fait que je venais de me retrouver en Flandre, la région que je voulais quitter il y a dix ans à cause du nationalisme, de la xénophobie et des tendances fascistoïdes dans la politique et les média – une autre circonstance qui ne contribuait pas à reprendre l’écriture avec beaucoup d’énergie. Dorénavant j’habite un bel et agréable appartement avec vue et au bord de l’eau, mais cela non plus, je veux l’aborder ici.

Il ne faut pas sous-estimer la situation de se trouver pendant plus d’un an dans un mode de déménagement. Et constater que tout ce qui se présentait il y a dix ans comme une menace politique est devenu entretemps la réalité dominante à l’endroit où tu vis, cela ne te rend pas vraiment joyeux non plus. Il m’a fallu donc quelque temps pour me convaincre que je devais reprendre le fil de mes sites, que cela pourrait avoir du sens d’écrire – de préférence régulièrement – si ce n’est parce qu’il pourrait y avoir des gens qui sont intéressées, du moins pour me stimuler moi-même à formuler mes idées et à les exprimer avec plus ou moins de cohérence.

Mais en réalité ce petit article-ci ne s’agit surtout pas de tout cela. Ce dont je voulais parler vraiment est de la paralipse. La paralipse est cette figure rhétorique qui consiste à dire que l’on ne va pas parler de tout ce que l’on va dire par après. « Je ne voudrais pas dire que tout cela soient des conneries, mais quand-même, si vous vous souvenez de … »

En fin de compte ce petit texte ne traite pas non plus de paralipse. Ce n’est qu’un exercice et une tentative à reprendre la routine de l’écriture.

Het kind en de zee zijn van zichzelf

Jaren geleden was ik docent Mensenrechten aan een Rotterdamse hogeschool. Bij het begin van een nieuwe lesperiode stelde ik de studenten een reële juridische casus voor. Een man en een vrouw ergens in Noord-Nederland konden het niet eens worden over (het moment van) de besnijdenis van hun zoontje. De vader wilde dat het jong nu meteen besneden werd, de moeder vond dat het kind zelf moest kunnen beslissen wanneer het de leeftijd des oordeels had bereikt. De ouders kwamen er niet uit, en zij wendden zich tot de rechter om de knoop door te hakken. Beetje raar, vind ik, maar het is echt zo gegaan.

Ik schetste de situatie, noemde de casus ‘Moet besnijdenis mogen?’ en gaf aan dat onder meer zaken als godsdienstvrijheid en het recht op lichamelijke integriteit aan de orde zouden komen. De studenten kregen om te beginnen de volgende opdracht: ‘Vorm groepjes met vier of vijf medestudenten die je vertrouwt en met wie je over serieuze dingen kan praten. Beantwoord de vragen die ik je zo dadelijk stel, en rapporteer over zo’n twintig minuten aan de hele groep. De eerste vraag is: van wie is het kind?’. En ik suggereerde enkele mogelijkheden: het kind is van de ouders, het kind is van zichzelf, het kind is van de staat (die zorgt namelijk voor kinderopvang, school en gezondheidszorg), het kind is van God, …

In deze etnisch zeer gemengde klas viel al meteen één groepje op: een zestal Turkse en zwarte Antilliaanse meiden – geen meteen voor de hand liggende combinatie in een klas met nog meer Turkse en Antilliaanse studenten en verder meisjes en enkele jongens met o.m. Marokkaanse, Eritrese, Joegoslavische, Koerdische, Palestijnse, Surinaamse en Kaapverdiaanse achtergrond. In een ander groepje zaten alle (vijf of zes) witte Rotterdammers bij elkaar. Na een half uurtje vroeg ik wie verslag wilde uitbrengen van de discussie in zijn of haar groepje. Uit het eerste groepje stond een Turks meisje met hoofddoek op, die zei: “Wij hebben het over je eerste vraag gehad, en wij vinden allen dat het kind van God is. God heeft het kind het leven gegeven, en na zijn dood zal het kind aan God verantwoording moeten afleggen over zijn leven.” De andere groepjes kwamen aan het woord over hun discussies, en uiteindelijk was het de beurt aan het groepje witte Rotterdammers. Hun antwoord op de eerste vraag was kort en bondig: “Het kind is van ze eigen.”

Deze week ontving ik een e-mail met daarin de mededeling: “de zee en het leven in de zee is van zichzelf.” De afzender is de Ambassade van de Noordzee. Ik heb het al eerder over het Parlement der dingen gehad en de Ambassade van de Noordzee is een aanzet tot concrete uitwerking van dat parlement. Op haar website lees je:

‘De zee en het leven in de zee is van zichzelf. Vanuit dit uitgangspunt is de Ambassade van de Noordzee opgericht. Hier krijgen de dingen, planten, dieren en mensen in en rond de Noordzee een stem. We hebben een route tot 2030 uitgestippeld. Eerst gaan we leren luisteren naar de zee, vervolgens leren spreken met om ten slotte te kunnen onderhandelen namens de zee en het leven in de zee.’

‘Maar, hoe dan?’

‘Nou, we hebben een route tot 2030. En ja zeker, er is een hoop verbeeldings- en onderzoekswerk aan de winkel. Daarom gaan we 11, 12 en 13 juli naar Den Haag en Scheveningen: de zee en de stad in, de Pier en het strand op.’

 

Het programma van de driedaagse omvat onder meer:

  • Sound of the North Sea. Expeditie met componist Stef Veldhuis

Sound of the North Sea is een compositie van Stef Veldhuis voor strijkkwartet, piano en orgel geschreven op basis van data die de kabeljauwpopulatie en de temperatuur van de Noordzee weergeven. Onder water kun je deze compositie beluisteren en zo ontdekken wat het effect van de veranderingen in de Noordzee zijn op de beleving van muziek. Neem je zwemkleding en snorkel mee.

  • Kleuren van de Noordzee. Expeditie met Valerie van Leersum

Kunstenaar Valerie van Leersum bestudeert de kleuren van de Noordzee. Al vanaf de 19e eeuw worden de kleuren van water vastgelegd met behulp van kleurindexen zoals de Forel-Ule-schaal. De concentratie algen en andere zwevende deeltjes veroorzaakt namelijk steeds veranderende kleurschakeringen. Tijdens de expeditie proberen we gezamenlijk tot een nieuwe kleurbepaling te komen, specifiek voor de Noordzee.

  • Luisteren naar de zee als Artonauten

Hoe kunnen kunst en wetenschap samen luisteren naar de zee? Cultuursocioloog Ruben Jacobs geeft tips en suggesties aan de hand van zijn pamflet Artonauten, kunst voorbij de mens (2016). Aansluitend is de workshop Luisteren naar de zee als antropoloog. Hoe ontwikkelen we nieuwe luistermethoden in het Antropoceen? door Anne van Leeuwen, Ester Heiman en Ruben Jacobs.

  • Wie heeft recht op zee?

Een ochtend over zeerecht met lezingen van jurist en onderzoeker Laura Burgers: Van mensenrechten naar zeerechten; Anne van Leeuwen: De zee is van zichzelf; mensenrechtenjurist Jan van de Venis: Zeerechten voor toekomstige generaties. Na afloop neemt kunstenaar Carlijn Kingma ons mee op een tijdreis door haar tekening waarin zij het menselijk samenleven verbeeldt.

  • Alternatieve zeegezichten

Maak tijdens een interactief college in het Mauritshuis kennis met het zeegezicht. Na een rondleiding van museumdocenten langs zeegezichten in het museum geeft Harpo ’t Hart een lezing over hoe de relatie tussen mens en zee tot uiting komt in de beeldende kunst. Vervolgens gaan we zelf nieuwe zeegezichten maken met verf op doek.

 

Volledige informatie met alle praktische details op https://www.ambassadevandenoordzee.nl/agenda/.

 

Zelf slachten

Terwijl iedereen al jaren wordt aangeraden minder vlees te eten vanwege de nefaste ecologische gevolgen van grootschalige veeteelt, zegt een prof aan de faculteit Diergeneeskunde van de ULiège: “Herkauwers zijn een meevaller voor onze planeet. Zij eten plantaardige eiwitten van lage kwaliteit en zetten die om in melk, vlees, wol, leer … en in mest. Die helpt om de bodem vruchtbaarder te maken, grondwatervoorraden in stand te houden en erosie en overstromingen tegen te gaan.” Het moet gezegd: de man is wel bestuurder van de nieuwe veehouderscoöperatie En direct de mon élévage.

Als je de Luikse gemeente Trois-Ponts uitrijdt richting Basse-Bodeux, zie je bijna aan het eind van het dorp aan de linkerkant van de baan een bakstenen pand, niet veel groter dan een doorsnee woonhuis, met het verweerde opschrift Abattoir. Dat was het gemeentelijke slachthuis, zoals wel meer gemeenten dat vroeger hadden. De toename aan richtlijnen en verplichte voorzorgen, samen met de drang naar schaalvergroting en goedkopere prijzen in de vleesindustrie hebben de laatste jaren veel van die kleine slachthuizen doen sluiten. Ook de kleine rundveehouders kunnen niet optornen tegen de giganten van het goedkope vlees. Niet dat overigens de gezondheidsvoorschriften en de industrialisering van de vleesproductie per definitie tot veiliger en beter voedsel hebben geleid. De vleesschandalen van de afgelopen jaren tonen aan dat er soms behoorlijk geknoeid wordt in de sector.

Nu heeft in het zuiden van België weer een aantal boeren een coöperatie opgericht om zoveel mogelijk de controle over hun werk te behouden en om de keten tussen producent en consument zo kort mogelijk te maken. (De eigenlijke producent van het vlees is de koe natuurlijk, maar goed.) En direct de mon élévage (‘rechtstreeks vanuit mijn veehouderij’) is de niet erg swingende naam van de vereniging – maar hij dekt wel de lading. Een negentigtal rundveehouders hebben zich verenigd om samen in Perwez (Brabant wallon) een hal uit te baten voor het versnijden van hun dieren. Het vlees leveren zij dan zelf aan slagers en enkele supermarkten, en steeds meer gaat op de boerderij zelf in de rechtstreekse verkoop aan de consument. Het doden van de dieren vindt voorlopig nog plaats in vijf lokale slachthuizen, maar de coöperatie hoopt op korte termijn een eigen abattoir te vinden.

Bij de betrokken boeren zijn er die bio Limousin telen of kwaliteitsrassen als Salers, Angus en Blonde de Gallice, maar ook veehouders met het meestal kapotgefokte blanc bleu belge (BBB). Het aardige is wel dat alle coöperanten dezelfde voedselrichtlijnen moeten volgen: gebruik van lokale voedergewassen (gras, maïs, …), bietenpulp of lijnzaadkoeken, aangevuld met vitamine E en selenium (als antioxidant).

Interessant is dat, naast het streven van En direct de mon élévage om een eigen slachthuis te hebben, men in Wallonië ook serieus overweegt groot vee op de boerderij te laten slachten, of zelfs te laten afschieten in de wei. Op 27 februari 2019 nam het Waalse parlement unaniem een resolutie aan waarin de Waalse regering gevraagd wordt uit te zoeken wat een mobiele slachteenheid zou kosten en stappen te zetten bij de nationale regering om een wettelijk kader voor thuisslacht uit te werken. Daarnaast kijken boeren en natuurorganisaties nog steeds met veel belangstelling naar experimenten in bijvoorbeeld Zwitserland en Duitsland, waarbij runderen in de wei afgeschoten worden.

Ik weet nog steeds niet goed wat ik moet denken van de manier waarop Nature et Progrès Belgique drie jaar geleden het thema onder woorden bracht: “Pour procurer une mort dénuée de stress à leurs animaux et produire une viande de très haute qualité nutritionnelle et gustative, des éleveurs choisissent d’abattre leurs animaux dans leur environnement familier, en prairie et au milieu de leurs congénères.” Misschien heeft de koe in kwestie inderdaad niet te lijden onder stress, omdat zij bij verrassing gepakt wordt, maar het lijkt mij dat Bella of Mieke plots afgeschoten zien worden toch wel enige stress zal veroorzaken bij hun collega’s in de wei.

In België is thuisslacht niet toegelaten, behalve in noodgevallen of voor eigen consumptie (en dan nog alleen voor varkens, schapen en geiten), of voor ‘gekweekt wild’; runderen moeten altijd naar een erkend slachthuis. Tot het gekweekt wild behoren o.m. hertachtigen (reeën), loopvogels (struisvogels) en bizons. Die kunnen op hun verblijfplaats geslacht worden, met name indien men ze niet kan vervoeren vanwege de risico’s voor de behandelaars of vanwege het welzijn van de dieren zelf.

In Zwitserland en in Duitsland werden aan enkele boeren vergunningen verleend om hun runderen in de wei neer te schieten, mits zij – de koeien – onmiddellijk (binnen de minuut) verbloeden en vervolgens meteen naar een slachthuis worden gebracht voor de versnijding. Men schiet de dieren vanuit een soort jagersuitkijkpost neer en voert ze af met een speciale takelwagen. Met name voor bijvoorbeeld Highland en Salers, prachtige runderen met grote horens, die het hele jaar door in de wei staan, zou dit een oplossing kunnen zijn. Voor hen is de stress van vervoer naar het slachthuis uiteraard enorm. Bovendien worden zij meestal gedood op de parking, aangezien de gangen naar de slachtplek binnen niet breed genoeg voor ze zijn.

 

Eerder schreef ik over hetzelfde thema goed vlees.

 

Hoe (een) intellectueel zijn?

“…

Traditioneel verwijst de term intellectueel dan weer naar het verstand, of meer specifiek naar het gebruik van de rede om vast te stellen wat je kan kennen en wat je moet doen, en dat liefst zonder enige onderwerping aan een extern gezag. Ian Buruma zegt ergens in een interview: als intellectueel moet je gewoon opstaan, je inlezen, onafhankelijk nadenken, en dat opschrijven. Dat lijkt net het tegendeel van (onder)buikgevoelens, en wie zich op een of andere manier affirmeert als intellectueel behoort dus vermoedelijk tot de alom uitgespuugde ‘culturele elite’ die graag moeilijk doet (moeilijke boeken, hedendaagse klassieke muziek, hermetisch theater, onbegrijpelijke kunst, spellingsregels, …).

Maar dan, is het werkelijk deze aandacht voor wat niet banaal is, die de essentie vormt van wat het betekent (een) intellectueel te zijn?

In de Franse traditie van hoogdravend debat en commentaar werden – en worden – soms intellectuelen opgevoerd als maîtres à penser, meesterdenkers, meesters in het denken. Meestal …”

 

“…

Misschien is het dus slimmer om je niet meer de vraag te stellen wie nou juist intellectuele of hoofdarbeid verricht, maar wel wie een intellectuele functie vervult door zijn of haar kritische en creatieve activiteiten. En dat betekent dat je moet kijken naar de materiële en subjectieve omstandigheden van productie en arbeid. Interessant is dat sinds kort in de discussies rond klimaatverandering weer het begrip intelligence collective of intellettualità di massa opduikt. Algemeen intellect? …”

 

De integrale tekst van het essay Hoe (een) intellectueel zijn? vind je op http://durieux.eu/content/hoe-een-intellectueel-zijn of op http://durieux.eu/sites/default/files/intellectuelen_20190610_webversie.pdf.