Gedichtentrein – Hamletmachine

Plots ontvang ik in mijn postvak twee berichten met als onderwerp Gedichtentrein. Zowel Luk als Leen stelt mij voor om mee te doen aan een soort kettingbrief of pyramide “om de stille kracht van gedichten mee te verspreiden – kies een gedicht, tekst of bezinning waar je een goede herinnering aan hebt of wanneer het wat moeilijk ging”.

Ik dacht meteen aan een van de eerste verzen van Hans Faverey, uit 1968, en dat is ook wat ik verzonden heb.

Stilstand

 in aanbouw, afbraak

in aanbouw. ‘Leegte,

 zo statig op haar stengel’;

land in zicht, geblinddoekt.

 

Ik kan er blijven naar kijken, ik hou nog steeds van Faverey zijn vroege werk.

Achteraf las ik de e-mails nog eens over, en toen drong de vermelding “tekst of bezinning” pas goed tot me door. Nu, als er een tekst of bezinning is die ik op gelijk welk moment kan oproepen, omdat die voor mij symbool staat voor een hele geschiedenis van denken en leven, is het deze:

Een spook waart door Europa – het spook van het communisme. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden, de paus en de tsaar, …

De eerste alinea van het Manifest der Communistische Partij, eerste editie 1848.

Voor mij is dat een opening van hetzelfde kaliber als

In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. …

Genesis, 1: 1-3

 

Maar eigenlijk is de tekst die misschien wel het allermeest indruk ooit op mij heeft gemaakt, deze, die begint met:

Ik was Hamlet. Ik stond aan de kust en praatte met de branding BLABLA, in de rug de ruïnes van Europa. …

Even later volgt het fragment

HET EUROPA VAN DE VROUW

 Ik ben Ophelia. Die de stroom niet heeft gehouden. De vrouw aan de strop. De vrouw met de opengesneden polsaders. De vrouw met de overdosis OP DE LIPPEN SNEEUW De vrouw met het hoofd in het gasfornuis. Gisteren heb ik opgehouden me te doden. Ik ben alleen met mijn borsten mijn dijen mijn schoot. …

Enzovoort. Het is de vertaling door Sigrid Vinks & Jan Decorte van Die Hamletmaschine van Heiner Müller. Eigenlijk, vind ik, moet je de tekst in het Duits lezen of horen.

Ich war Hamlet. Ich stand an der Küste und redete mit der Brandung BLABLA, im Rücken die Ruinen von Europa.

 (…)

 Ich bin Ophelia. Die der Fluß nicht behalten hat. Die Frau am Strick Die Frau mit den aufgeschnittenen Pulsadern Die Frau mit der Überdosis AUF DEN LIPPEN SCHNEE Die Frau mit dem Kopf im Gasherd. Gestern habe ich aufgehört mich zu töten. Ich bin allein mit meinen Brüsten meinen Schenkeln meinem Schoß. Ich zertrümmre die Werkzeuge meiner Gefangenschaft den Stuhl den Tisch das Bett. Ich zerstöre das Schlachtfeld das mein Heim war. Ich reiße die Türen auf, damit der Wind herein kann und der Schrei der Welt. Ich zerschlage das Fenster. Mit meinen blutenden Händen zerreiße ich die Fotografien der Männer die ich geliebt habe und die mich gebraucht haben auf dem Bett auf dem Tisch auf dem Stuhl auf dem Boden. Ich lege Feuer an mein Gefängnis. Ich werfe meine Kleider in das Feuer. Ich grabe die Uhr aus meiner Brust die mein Herz war. Ich gehe auf die Straße, gekleidet in mein Blut.

 

In mijn lange leven heb ik wat voorstellingen gezien van de Hamletmachine. Ik was bijzonder enthousiast over die van Het Trojaanse Paard (Decorte & Vinks) in de Beursschouwburg 1981; de versie op het Holland Festival 1983 vond ik dan weer “pijnlijk in haar achterhaald avant-gardisme uit de jaren zeventig, dat niets toevoegde aan tekst noch teater”. Heiner Müller, die gestorven is in 1995, wordt vandaag amper nog gespeeld. Misschien heeft dat te maken met de achtergrond van zijn werk. Müller is steeds in de Duitse Democratische Republiek blijven werken en wonen – dat wil zeggen, zolang die nog bestond en niet opgeslorpt was door het huidige Duitsland – en veel van zijn werk was een zeer kritische benadering van het ‘reëel bestaand socialisme’. Nou ja, dat reëel bestaand socialisme bestaat niet meer, dus je zou kunnen zeggen dat Müllers werk ook achterhaald is.

Maar nu toevallig heeft Le monde diplomatique van maart 2020 het nog over hem in een kort boeksignalement. De auteur verwijst naar Müllers opvatting dat er veel oplossingen zijn, maar te weinig problemen, en dat het belangrijk is problemen uit te vinden of te zoeken en ze belangrijk te maken – de oplossingen vind je dan vanzelf wel, die vind je in alle vuilnisbakken. Doctrine moet je zo diep mogelijk begraven, zodat de honden ze niet kunnen vinden – en dat tot wanneer je ze weer kan opgraven en confronteren met een nieuwe werkelijkheid.

Zou het nu eens geen tijd worden om ze weer op te graven, vraagt Le monde diplomatique zich af.

Twelve dead prisoners

“A group of detainees proceeded to a training and one of them wore a blue chirurgical mask, like in a hospital. From out of her control booth, a warden required him to take it off so that she could see his face. But the other wardens, who were at just a few centimetres from this detainee, insisted he keeps it on. There was an unbelievable tension.” A lawyer tells on Mediapart of her visit to a client in the Fresnes detention centre (France). “The prisoners fear that people bring in the virus from outside.”

There is this paradox when it comes to the situation in prisons. In essence these are centres of confinement. Very well, one could say, at a time when all citizens are urged to stay inside their homes and not go out into public spaces. On the other hand, every confined area enhances the spread of diseases within its walls. And even the more so since – be it in France, Belgium or Italy – the prison systems suffer from a serious and continuous overcrowding, with consequent dubious hygienic situations. In such a context, and aggravated by the year-long policies of budget cuts, in all countries the incidence of health problems in prisons is a multiple of the one outside. More specifically, no judicial or prison system has ever succeeded in dealing adequately with the primary and secondary problems related to illicit drugs that many detainees experience.

On his blog, Luk Vervaet mentions some recent epidemic outbreaks within Belgian prisons:

June 2017, detection of measles in the prison of Gent, followed by the interdiction of visits and of the arrival of new detainees and by the cessation of transport towards the courts. In April 2019 the prison in Mons is struck by what penitentiary authorities and trade unions call “a catastrophe”: an epidemic of bedbugs, that could even spread outside the walls and thus cause a general public health problem. End May 2019, there is an epidemic of measles in the Lantin prison, followed by the week-long isolation of a thousand inmates in their cells, no transfers, no visits by relatives. In July 2019, the women’s prison in Berkendael is touched by the bedbugs epidemic, resulting in a complete lockdown for one month: no visits, no activities, no telephone, no services from the outside. September 2019 a dozen scabies cases are detected in the Arlon prison.

The combination of carceral conditions and the (fear for an) outbreak of COVID-19 seems for now to have had the most dramatic effects in Italy, where twelve deaths in prison are recorded – not due to the SARS-CoV-2 itself. On 8 March  the Italian government decided to suspend not only the prison visits of relatives and volunteers, but also the permissions to leave (for instance to work outside) and the regimes of semilibertà  (half-open prisons). This caused an almost immediate uproar in more than forty detention centres, where detainees asserted that not their family, but prison staff who used to go in and out did carry the virus into the institution. There was some violence, prisoners mounted on the roof in Trappani to claim amnesty or remission of punishment, in Melfi a few agents and sanitary staff were temporarily locked up, and on several locations the prison pharmacies and infirmaries were plundered. The twelve deaths are supposedly all due to the same cause: overdoses or fatal combinations of methadone, benzodiazepines and other drugs. According to prison officials, the uproar caused the destruction of some 600 to 2,000 beds (out of the approximately 50,000 places occupied nowadays by more than 61,000 detainees), thus leading to further overcrowding.

Overpopulation and illicit drugs, these are, I think, the main themes you have to assess when it comes to dealing with the coronacrisis in prison. Just as the famous Swedish hysteric might say: “Thanks to the coronavirus we have lowered CO2 emissions and so contributed to saving the climate”, you might also say “The COVID-19 epidemic is an occasion to reconsider both incarceration policies and the war on drugs users”.

Immediate measures to be taken are obvious: basic precautions, such as elementary hygienic conditions in the cells (water, soap, bleach – not evident in all Belgian prisons) or keeping distance (but how do you keep distance in routine practices as the palpation or search of prisoners before or after visits or recreation?). And also, what with the regular contacts between detainees and police, wardens, social assistants, lawyers and instructors, who all of them are able to introduce the virus within the prison walls? In Belgium a telephone credit of € 20 is promised to every detainee, as compensation for the temporary suspension of actual visits by relatives. And of course, first and foremost, information – information to staff and detainees about measures taken, risks to avoid, situations in and outside the institution.

Depending on the legal and social contexts and possibilities, different countries are trying to reduce temporarily overcrowding in order to minimize the risks of contamination and to make room for the isolation of infected inmates. On 16 March the Italian government seems to have reversed the measures taken a week earlier. Those who are already in a regime of semilibertà and therefore not obliged to return to prison at night, keep that permission till the end of June. Home detention should be allowed to all prisoners who have less than eighteen months to go and comply with some other requirements (no mafia-related offenses, no disciplinary sanctions, etc.) and the use of electronic bracelets, where available, should be extended (alas! the former minister of the Interior, Salvini, had blocked the acquisition of electronic bracelets). But then again, an insider of the Italian prison system tells me that assign into home detention only detainees with eighteen months left would be far from sufficient, since it would affect but about 4,000 prisoners; to be effective at least all those with maximum four years to go should be sent home.

Several other measures are being considered to diminish temporarily the overcrowding. France (more than 70,000 detainees) knows the theoretical possibility of suspending on health grounds the execution of prison sentences of infected people. Remission of penalty or amnesty is a practice that several countries have made use of in the past. In Berlin one considers the (temporary?) release of some two hundred seventy notorious public transport freeriders who serve out a substitute sentence for not paying their fines. And why not release the old, fragile and sick detainees who don’t represent an actual danger for society – assuming of course there is someone outside to take care of them.

A specific role is reserved for the judiciary, if only because all deprivation of liberty has to be submitted at one point or another to a judicial ruling. If nowadays the courts don’t function, what then with the people who are already in pre-trial detention or police custody? More in general, if one wants to avoid prison overcrowding, a fundamental responsibility of the judiciary is to convict less people to prison sentences, and most importantly, to put an end to the widespread abuse of police custody and pre-trial detention (36% of the incarcerated in Belgium) to put suspects under pressure and as an instrument of provisional punishment. The persistence of this kind of primitive repressive reaction is again illustrated in Mediapart, by another French lawyer. She testifies about gilets jaunes being arrested in Paris during a protest march last weekend.

I have seen many prolongations of police custody for really empty records, that in the end led to a dismissal. Police custody took place in cells with six persons, without access to water, without any possibility of washing hands, in extremely complicated sanitary conditions. … A person suffering from Crohn’s disease, who is in a situation of immunodeficiency, has passed at least 24 hours without his treatment. Finally, he has been dismissed without further proceedings. Will the criminal justice system ever succeed in adjusting its reflex of police custody and pre-trial detention, or is this too integrated, like a kind of formatting?

The actual COVID-19 epidemic offers an opportunity to reconsider basically carceral and drugs policies. That people personally want revenge can be absolutely understandable (I myself sometimes dream of it), but is punishment an acceptable instrument for the organisation of society?  And isn’t it about time to leave the idea of a war on the consumers of illicit drugs, and to treat related (social) problems as a matter of public health instead as a criminal or a military problem?

Musique et chaos

La musique, peut-elle conjurer le chaos ? En tout cas, elle peut repousser le chaos. Si l’on ne considère la musique que comme la combinaison de rythmes et de mélodies, c’est clair. Mais même dans ses approches à première vue les plus chaotiques, comme l’indéterminisme de Cage, le free jazz ou les chants guerriers des peuples indiens des Saulteaux, il y toujours cette organisation de hauteur, timbre, volume et durée qui produit ce qu’on appelle musique.

Dans Mille plateaux Deleuze/Guattari accordent quelques belles pages à ce thème (‘1837 – De la ritournelle’). La chanson (la musique) ne sert pas qu’à déterminer momentanément un centre « stable et calme, stabilisant et calmant » au sein du chaos ; elle peut fonctionner également dans l’organisation d’un espace défini pour tenir les forces du chaos à l’extérieur. Ils écrivent :

Or les composantes vocales, sonores, sont très importantes : un mur du son, en tout cas un mur dont certaines briques sont sonores. Un enfant chantonne pour recueillir en soi les forces du travail scolaire à fournir. Une ménagère chantonne, ou met la radio, en même temps qu’elle dresse les forces anti-chaos de son ouvrage. Les postes de radio ou de télé sont comme un mur sonore pour chaque foyer, et marquent des territoires (le voisin proteste quand c’est trop fort). Pour des œuvres sublimes comme la fondation d’une ville, ou la fabrication d’un Golem, on trace un cercle, mais surtout on marche autour du cercle comme dans une ronde enfantine, et l’on combine les consonnes et les voyelles rythmées qui correspondent aux forces intérieures de la création comme aux parties différenciées d’un organisme. Une erreur de vitesse, de rythme ou d’harmonie serait catastrophique, puisqu’elle détruirait le créateur et la création en ramenant les forces du chaos.

A la fin des années huitante, j’ai participé à la création de quelques « sculptures mouvantes-sonores » de Toine Horvers. Horvers se présentait explicitement comme artiste plasticien, pour qui le son était un matériau comme tant d’autres. Il employait du son pour répartir et délimiter des espaces. Tantôt de manière statique, comme dans Rolling 1, où une lignée de percussionnistes construisait un mur de roulement de tambour sur le lieu d’un mur démoli ; tantôt en mouvement, lorsque comme dans Crossing un groupe de chanteurs dessine des formes en avançant dans un espace vaste. L’intensité et le volume du son peuvent être déterminés par des facteurs comme la luminosité changeante ou l’endroit spatial où l’exécutant se trouve, mais ce qui importe n’est pas le son en tant que musique, mais en tant que matériel à construire un espace temporaire.

Une illustration artistique donc des idées de Deleuze et Guattari sur le son comme composante d’espaces limités. La dernière phrase de la citation par contre me rappela tout de suite le concept d’hétérophonie, dans l’interprétation de Mauricio Kagel. Pour lui, les erreurs de vitesse, de rythme ou d’harmonie ne provoquent rien de catastrophique – peut-être il ne peut même y avoir des erreurs.

L’hétérophonie est un concept musical ancien. Platon déjà semble avoir rejeté l’idée – pas vraiment une surprise. Il la condamnait comme une forme de jeu contre les règles, plusieurs instruments sonnant simultanément, mais ni à l’unisson, ni en contraste séquentiel. Au vingtième siècle le terme réapparait dans l’ethnomusicologie pour désigner spécifiquement quelques pratiques musicales exotiques. On parle d’hétérophonie positive dans la musique « primitive » ou orientale, lorsqu’un thème est exécuté simultanément par deux ou plusieurs voix, en stimulant la diversité naturelle des chanteurs et des instruments comme une expression de créativité artistique. Une hétérophonie négative par contre se produit accidentellement, comme dans la marche à pied spontanée de gens qui vont dans la même direction sans trop se soucier de garder le rythme – pas comme une marche militaire donc. Le musicologue Curt Sachs remarqua que dans ce cas aussi bien les musiciens que l’audience ferment les oreilles pour les éventuelles consonances ou dissonances. Pour tous, les commencements et les terminaisons insouciants, ou les prolongations et les raccourcissements imprécis de notes sont parfaitement acceptables. Un exemple bien connu est le chant des paroissiens. On commence le cantique plus ou moins tous ensemble, la mélodie est suivie dans un certain corridor de rythme et de tonalité, et à la fin tout le monde se retrouve plus ou moins au même point final – mais ce manque de qualités artistiques ne gêne pas, parce qu’elles ne sont pas essentielles pour la dévotion. Au fond, toute hétérophonie est la superposition d’une structure musicale de base par une modification de cette même structure – avec un cours temporel déviant ou des accents différents de couleur, de timbre et de volume.

Entre 1959 et 1961 Mauricio Kagel composa Heterophonie pour 42 instruments solo (et d’autres ad libitum). L’œuvre contient des éléments d’hétérophonie positive et négative. La forme positive apparaît dans les parties composées en détail, par exemple quand le compositeur dissout les structures internes d’un accord en lignes dynamiques et rythmiques. Elle apparaît également, dans une forme plus aléatoire, lorsque la ligne mélodique est donnée, mais que les musiciens sont libres de commencer l’exécution à n’importe quel moment endéans la mesure – qui n’est d’ailleurs que vaguement indiquée.

L’hétérophonie négative apparaît à la suite de la division de l’orchestre en cinq familles sonores classiques : les bois, les cuivres, la percussion, les claviers et les cordes. Pour chacune d’elles la partition est réduite à une simple ligne ; des symboles ordonnent les musiciens à jouer le ton le plus haut ou le plus bas de leur instrument, ou bien un des tons les plus hauts ou les plus bas, ou bien encore une note intermédiaire. Même si dans ces parties la structure temporelle était rigide, la chance d’atteindre un accord préconçu ou un unisono serait pratiquement zéro. En effet, chaque famille contient des instruments d’un volume et d’une intervalle tonale différents. Dans ces sections, la composition de Kagel indique de façon générale la direction, et de manière approximative le chemin pour procéder. Pendant une introduction à la radio, le compositeur indiqua d’ailleurs que tout instrument serait  acceptable pour cette œuvre, y compris des sources sonores exotiques, anciennes, électroniques ou rares.

La composition consiste donc d’un cadre dans lequel parfois les conditions de jeu des musiciens sont élaborées, tandis que à d’autres moments/endroits elles restent libres. De cette manière Kagel se distancie du concept du compositeur en tant que législateur tout-puissant, le créateur qui prévoit le résultat sonore des règles prescrites, parce que c’est lui qui les a notées et décrétées à son bureau. L’aspect le plus récalcitrant à la domination globale de la part du compositeur est le timbre, la couleur du son. Même si un musicien exécute avec le plus de précision possible les directives concernant la hauteur, la durée et le volume, le résultat final acoustique est imprévisible. Ainsi, même si le compositeur avait senti l’urgence de noter le plus exactement possible tous les paramètres musicaux, il n’y a finalement pas de raison de croire que l’exécution finale traduise réellement la partition.

Dans les interprétations musicales, l’intention du compositeur est une chose, le résultat acoustique bien souvent une autre. La distance entre les règles établies et le résultat final est le fruit de la chance, des circonstances, de la qualité de la partition, des musiciens et de l’audience, des conditions acoustiques, d’humeurs personnelles, etc. Ce que Kagel a fait dans Hétérophonie n’est pas refuser de formuler des règles, mais incorporer dans le total de ces règles l’espace pour toutes sortes de contingences. Le résultat est que, même pour ceux qui sont censés obéir aux règles, l’aboutissement de leurs efforts est incertain. La composition ne contient pas de passages difficiles qui ont besoin de répétitions. Pour le compositeur, la tâche primordiale est de créer une forme de cohérence qui est en même temps assez générale pour accepter même les interprétations les plus excessives. L’imprévisible est dû au cadre de la réalisation musicale, qui est tellement large et général que les exécutants peuvent contrôler leurs propres lignes, mais ne peuvent jamais imaginer l’effet global qui se produit lorsque les autres réalisent leur partition (suivant leurs règles) au même moment. Le résultat final ressemble à un mélange de compositions singulières. Pour l’audience il serait pratiquement impossible de reconnaître les règles de la composition – bien qu’elle puisse être certaine qu’il y a des règles et que les musiciens les suivent.

Catastrophe ? Ou métaphore pour un vivre ensemble autonome ?

Allez, circulez!

In zijn analyse van de relaties tussen de twee extreemrechtse partijen Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA) en Vlaams Belang (VB) stelt Loonis Logghe in Lava 11 (‘De pikzwarte tweekoppige leeuw’): “Het grootste verschil tussen N-VA en Vlaams Belang ligt in de mogelijkheden die ze open laten voor wie tot ‘de natie’ kan behoren. N-VA noemt zichzelf ‘civiele nationalisten’, die toelaten dat mensen van over de hele wereld deel kunnen uitmaken van de gemeenschap, zo lang ze zich volledig assimileren met de identiteit van het ‘oorspronkelijke volk’. Het Vlaams Belang laat die mogelijkheid niet toe: voor hen bepalen achtergrond en ras de cultuur, wat niet te omzeilen valt.”

Nu blijkt dat onderscheid misschien wel uit teksten van beide partijen, maar beleidsmatig streeft ook de N-VA er naar integratie, laat staan assimilatie, van nieuwkomers zoveel mogelijk te belemmeren. Na uitgebreid en langdurig overleg tussen de beide nationaal-populistische partijen legde immers de N-VA in oktober 2019 aan haar coalitiepartners een regeerakkoord voor dat stipuleert: “Nieuwkomers die succesvol inburgeren, krijgen alle kansen in onze samenleving.” En vervolgens worden maatregelen aangekondigd om ‘succesvol inburgeren’ zo veel mogelijk te verhinderen. Zo vermeldt hetzelfde regeerakkoord onder meer: “We stappen af van het gratis inburgeringsbeleid. Inburgeraars zullen een financiële vergoeding moeten betalen van twee keer 90 euro wanneer ze een inburgeringscontract tekenen. (…) Bij het afleggen van de toetsen NT2 en maatschappelijke oriëntatie betalen ze voor elk van deze twee toetsen 90 euro. (…) Indien de inburgeraar niet slaagt, dient men opnieuw te betalen voor een nieuwe test. Onkosten die de inburgeraar maakt in het kader van zijn inburgeringstraject (bv. vervoersonkosten) kunnen niet langer worden terugbetaald door de Agentschappen.” En dat gaat dan nog alleen om verplichte cursussen en opleidingen; ook fundamentele zaken als wonen, werk en financiële ondersteuning in nood worden steeds minder bereikbaar gemaakt voor nieuwkomers. In die zin is er steeds meer sprake van één blok N-VA/VB.

Waarin de napo’s van N-VA/VB ook vrij eenstemmig zijn, is hun afkeer van Europa, althans van de Europese Unie en de Europese instellingen. Dat is niet onlogisch. De formele grondslag van de Europese Unie ligt in het bevorderen van het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal (in die volgorde, en althans voor zover die personen enzovoort zich toch al binnen de grenzen van de Unie bevinden). Circuleren, daar gaat het bij de EU om, niet om integreren. Integratie is in wezen een nationalistische doelstelling: wie op een bepaald ogenblik ophoudt te circuleren, moet zich integreren in de natie. Alleen, als je geen ‘integratie’ van vreemd gespuis in je zuivere ‘natie’ wil, moet je dus ook dat circuleren tegengaan. Europa, allemaal goed & wel, maar dan wel als een vrije samenwerking van blanke organische naties, die zelf hun grenzen beschermen. Niet voor niets beschreef in DS weekblad een vriend de ideoloog van N-VA, Joachim Pohlmann, in deze woorden: “Joachim is een van de weinige mensen in Vlaanderen met wie je kan doordiscussiëren over de Duitse idealisten. Denkers die de waarden van de klassieke oudheid verbinden met die van de verlichting, de romantiek en het christendom. Het zijn échte Europeanen.” Tot daar de omschrijving van echte Europeanen.

Maar wat moet je dan met personen die uitgecirculeerd zijn? Is het ‘succesvol inburgeren’ van N-VA hetzelfde als ‘integratie’? De partij stuurt een Vlaams Agentschap Integratie en Inburgering aan, dus blijkbaar gaat het om twee verschillende zaken. Ik weet het, tien jaar geleden nog bestond inburgering uit het leren van de taal, van de ‘normen en waarden’ van de Vlaamse samenleving (voortaan de Vlaamse Canon), en van wat praktische zaken zoals het gebruik van de 10-rittenkaart van De Lijn. Integratie was dan weer een wederzijds proces waarin nieuwkomers en autochtonen leerden samenleven met elkaar. Integratie betekende letterlijk opgenomen worden in de ontvangende  gemeenschap.

Sinds de erkenning van het begrip superdiversiteit zijn die simpele vormen van integratie en inburgering een stuk complexer geworden. De decennia lange circulatie naar en binnen Europa heeft overal neerslagen en sporen nagelaten, die maken dat er niet meer zo maar één gemeenschap is waarin je kan inburgeren en integreren. Zelfs de officiële ‘ontvangende’ gemeenschap heeft al lang niet meer één eenduidig kader van normen, waarden en cultuur. Het erkennen van superdiversiteit komt er eigenlijk op neer dat je per context kan uitmaken welke integratie je wil. Traditioneel maak je om te beginnen een simpel onderscheid tussen liberale integratie of burgerschap (het recht om rechten te hebben) en republikeinse integratie of burgerschap (politieke deelname). Wil je gewoon het recht hebben om aanspraak te maken op een tegemoetkoming, of wil je zelf mee kunnen bepalen wie dat recht kan hebben, wanneer en hoe?

Uit alles blijkt dat de napo’s het moeilijk hebben met zowel de liberale als de republikeinse vorm van burgerschap of integratie (de enkele vrouwelijke N-VA-boegbeelden met Marokkaanse of Koerdische achtergrond doen daar niet aan af). Van oudsher was nationaliteit (het behoren tot de formele natie) het criterium en het bewijs van volwaardige integratie en burgerschap, tegelijk liberaal en republikeins.  De napo’s zagen het gevaar: als al wie circuleert na verloop van tijd en onder bepaalde omstandigheden de nationaliteit kan verwerven, dan zijn wij nog even ver van huis. Naturalisering (de toekenning van de Belgische nationaliteit) is moeilijker geworden, daarover kon men al een tijd geleden een brede nationale consensus creëren – al goed dat er (voorlopig) niet ook een Vlaamse nationaliteit is. Wat er nu, ironisch genoeg, voor de N-VA/VB overblijft om te voorkomen dat de volksgemeenschap blijvend geïnfiltreerd wordt door nieuwkomers, is een perverse interpretatie van het motto van de Europese Unie: Allez, circulez!

Prévention

Ceux et celles d’entre vous qui ne vous identifiez pas encore comme victimes, vous pourriez toujours le devenir un jour: une Victime ! De quoi ou de qui, cela n’est pas encore tout à fait clair, mais mieux vaut être prudents ; le danger est tapi dans l’ombre – ou dans la nature, comme à Stuttgart.

L’hebdomadaire local Kontext :Wochenzeitung rend compte de la construction des nouveaux bâtiments de la prestigieuse John-Cranko-Balletschule. En 2015 fut convenu explicitement entre toutes les parties intéressées que longeant la nouvelle école il y aurait un espace vert public : des prés, des arbres, des bancs et un sentier serpentant avec une plateforme donnant vue sur la ville. Les visualisations du cabinet d’architecture en donnent un aperçu. (Remarquez le petit personnage dans l’herbe.)

01_stuttgart

Les bâtiments sont loin d’être prêts, mais déjà l’école et la commune ont décidé qu’il n’en sera rien de l’espace vert public. A cause, dit le directeur de la Balletschule, du danger de « voyeurisme ». Il a réussi à convaincre le service communal urbanisme et milieu, qui relève directement de la responsabilité du bourgmestre lui-même, le Vert Peter Pätzold. Contrairement aux avis négatifs de son parti et du conseil du district, le bourgmestre a décidé que dorénavant il n’y aura pas de traversée le long de l’école. Le directeur ne mentionne même plus l’espace vert public, il parle maintenant du « jardin de l’école ».

Selon lui, bien qu’aucun cas de voyeurisme ne lui soit connu, il s’agit de simple prévention, étant donné que « les grandes fenêtres peuvent attirer de mauvais spectateurs » (falsche Zuschauer anlocken). La solution que choisissent certaines piscines, comme des jalousies ou du film protecteur, il la rejette : « On ne va pas s’enfermer ». Non, le directeur et ses élèves ne vont pas s’enfermer ; ce qu’ils préfèrent, lui et le bourgmestre Vert, c’est l’exclusion du reste de la population au nom d’une victimisation hypothétique (tandis que la victimisation réelle des élèves est à chercher plutôt dans la « culture de discipline militaire et de drill envers la création de corps anorectiques », comme déclare une ancienne professeure de danse).

Je me demande : le directeur et le bourgmestre, craignent-ils vraiment que des hommes (et des femmes) viennent se satisfaire devant les vitres, bavant sur les corps tordus et émaciés de ces filles et garçons ? Ou bien, est-ce qu’ils ont peur des procédures et des campagnes sur les média sociaux, dès qu’un parent s’imagine que sa progéniture soit l’objet d’intérêt d’un.e « voyeur.e » quelconque ? Jusqu’ici rien ne s’est passé, mais victime il y aura – si ce n’est que la population locale.

 

The other Bernie Sanders

Haven’t you noticed something peculiar about the pictures of Bernie Sanders in your mainstream media? Do you ever see him other than as a grim and angry old man? Type ‘Bernie Sanders’ in your search engine, and look at the photographs it generates: a practically uninterrupted series of portraits of a dogged old devil, grumpily looking at the audience and like prophesying a future of doom and gloom, his finger raised in the air or pointing at you.

bernie-sanders-tax

This is no accident. Looking at these pictures, would you believe that this threatening and furious character could ever be the one to take care of a bright and happy future for you? No – there are other candidates who are much more acceptable.

But there is another Bernie Sanders, one that the corporate and mainstream media meticulously conceal. A kind and friendly grandpa, talking with children and playing baseball with a toddler; joking and cheering at the crowds; hugging and embracing women and men who come to greet him; a joyful and enthusiastic politician comforting the people he cares for.

Watch this (campaign) video, and enjoy Bernie Sanders:

Radicale subsidiariteit (2020)

Op grote schaal zijn tegenwoordig de politieke, economische en morele verwoestingen zichtbaar, die het neoliberalisme al sinds decennia teweegbrengt. Daarmee is er echter vernieuwde aandacht gegroeid voor het belang van de commons, les biens communs, beni communi, oftewel de gemeenschapsgoederen of het gemeengoed. En tegelijk zijn er ook nieuwe invullingen en benaderingen ontstaan van oude politieke theorieën als anarchisme of communisme.

Begin 2012 verschenen in druk twee bijdragen van me die op die vernieuwde belangstelling ingaan. Een ervan verscheen in het politiek-wetenschappelijke tijdschrift Res publica, in een themanummer over subsidiariteit. Dat stuk heb ik nu heel licht geredigeerd naar de vorm en met het oog op de begrijpelijkheid anno 2020; inhoudelijk is de tekst bijna tien jaar oud.

Voorafgaand een kort fragment uit de inleiding tot het themagedeelte:

“Graag willen we ten slotte de aandacht vestigen op het essay van de hand van Durieux over ‘radicale subsidiariteit’. Hoewel ook de wetenschappelijke artikelen aandacht hebben voor de ruimere context waarbinnen hun analyses gelden, wordt in dit essay een veel abstracter perspectief aangenomen. De auteur plaatst subsidiariteit in het kader van het wereldwijde neoliberalisme. Hij exploreert de mogelijkheden van radicale subsidiariteit als subversieve idee en organisatievorm, maar waarschuwt tegelijk voor de mogelijke recuperatie van dit principe door de dominante krachten van het Empire. In de goede traditie van het essay legt Durieux dwarsverbanden tussen soms erg verschillende politiek-filosofische tradities en tussen de abstracte politieke theorie en de concrete politieke praktijk, zoals die zich bijvoorbeeld voordoet in een dorp op de grens van de Belgische provincies Luik en Luxemburg.” (Ferdi De Ville en Jan Loisen, ‘Inleiding : Subsidiariteit in de EU en verder’, 35-36)

Uit de bewerkte tekst Radicale subsidiariteit (2020):

“… En toch lijken zich, wanneer het gaat om het bevorderen van het maatschappelijk goed, steeds meer initiatieven te ontplooien van onderuit, door betrokken burgers zelf, buiten de overheid en de markt. Ondersteund door zowat de hele politieke filosofie van de moderne tijd, is er wereldwijd een systeem gegroeid waarin alles maatschappelijks ofwel valt onder het exclusieve eigendomsrecht van het individu, ofwel onder dat van de soevereine staat. Langzaam is tussen het particulier bezit en de overheid een soort zero sum verhouding ontstaan, waarbij geen ruimte overblijft voor dat wat van iedereen is, omdat het van niemand is. Lucht, water, onderwijs, cultuur, veiligheid, ruimte, creativiteit … zijn zoveel als mogelijk tot economische waren gemaakt, en vervolgens, afhankelijk van de verwachte rendabiliteit, verdeeld tussen particuliere eigenaren en de overheid.  Maar schone lucht en water, onderwijs en cultuur, pleinen en bossen, mobiliteit, kennis of energie zijn gemeenschapsgoederen of -waarden, commons of biens communs, die belangrijk zijn voor iedereen in een samenleving. Zij zijn common goods omdat zij evident ter beschikking moeten staan van alle mensen, en hun waarde alleen maar kan uitgedrukt worden in termen van het gemis dat ontstaat wanneer zij niet meer ter beschikking staan.

Interessant daarbij is nu dat door de processen van globalisering en schaalvergroting van na de Tweede Wereldoorlog zowel de gemeenschapsgoederen zelf, als de soevereine overheden en de particuliere eigenaars de oude grenzen van de staatssoevereiniteit hebben overschreden. De private eigenaars zijn consortia, holdings en multinationals geworden, die wereldwijd opereren, en die amper nog aanspreekbaar zijn op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. En de manier waarop overheden – die verondersteld worden het algemeen belang te dienen –  kunnen beschikken over de maatschappelijke goederen die niet ‘vermarkt’ zijn wordt steeds meer bepaald door in wezen ondemocratische instellingen als de Europese Commissie, de Wereldbank, het IMF of de WHO. Maar ook de beni communi zijn grensoverschrijdend geworden: een schoon milieu, energiezekerheid, onderwijs, cultuur en mobiliteit zijn geen maatschappelijke goederen waarvan de relevantie en het belang bepaald worden door staatsgrenzen.

Dus openen zich nu nieuwe perspectieven voor het beheer van die maatschappelijke goederen. …”

En hier het volledige essay radicale subsidiariteit (2020)