De crisis voorbij

In de (nieuws)media die ik gewoonlijk volg, word je al maanden bestookt met berichtgeving, analyses, commentaren, essays over hoe de wereld-post-covid19 anders zal zijn – nou ja, toch eigenlijk anders zou behoren te zijn – dan degene die je voor de pandemie gekend hebt.

Neem bijvoorbeeld het thema mobiliteit, leuk onderwerp wanneer het gaat om hoe het anders moet/zal om ‘het milieu’ of ‘het klimaat’ te ‘redden’. Sinds het begin der tijden zijn alle soorten levende wezens mobiel: op de vlucht of op zoek naar het groenere gras voorbij de heuvel of gewoon op ontdekkingstocht. Niks mis met mobiliteit. Anders wordt het wanneer grote mobiliteit grote randschade veroorzaakt, en dat alleen maar om grote ondernemers toe te laten zo goedkoop mogelijk te produceren voor consumenten op relatief rijke plaatsen door in verre landen arme mensen uit te buiten. Grote winsten voor enkelen, grote schade bij velen. Ergens moeten er dus grenzen zijn aan mobiliteit. Maar waar? Hoe?

In De groene Amsterdammer van 4 juni heeft Floor Milikowski het terloops over “steeds meer buitenlandse studenten en expats, die zich probleemloos voortbewegen tussen Singapore en New York, Eindhoven en Shenzen.” Ja, leuk dat dat kan, maar dat weet je nu, en je weet inmiddels ook wat het reëel kost, dus hoeft het nou nog echt? Hmm, zou je dan ook willen dat je niet meer puur voor het plezier een lang weekend kan doorbrengen in, ja waar? Marseille en Keulen, dat kan nog – maar Rome of Oslo? Dan moet je vliegen, en dat is wel heel smerig – zeker voor zo’n korte afstand. Vakantie in Japan of Zuid-Afrika dan, is dat wel te verantwoorden? Is het nodig dat alle elektronica uit China komt, of al je kleding uit Cambodja, Vietnam of Maleisië? Of wat met de mobiliteit van citroenen en bananen en cacao? Je kan wel de voorkeur geven aan lokaal fruit uit de korte keten, en voor mij persoonlijk hoeven frambozen niet in januari, maar een leven zonder citroen of bananen? Chocola is ook echt niet te vervangen door carob. (Hoe) kan het anders?

Neem nu alleen al De groene Amsterdammer van de afgelopen weken. Op 28 mei schrijft Dirk Bezemer in zijn column: “Het virus als sociaal-economische katalysator: hoe meer je erop gaat letten, hoe meer je het ziet. (…) Het fietsvriendelijke vrijmaken van binnensteden: altijd al sympathiek idee, nu bittere noodzaak om je überhaupt nog te kunnen verplaatsen. En nu ook de versneld slinkende maatschappelijke tolerantie voor wangedrag van grote bedrijven. Er lijkt een kantelpunt bereikt.” Van hetzelfde in De Groene van 4 juni bij Floor Milikowski: “Vanzelfsprekendheden verdwijnen en onze kijk op de samenleving als geheel en op de invulling van ons leven verandert”; zij wil begrijpen “waarom de urgentie om juist nu te veranderen zo groot is”. En in het nummer van 11 juni wordt politiek-econoom Mark Blyth geciteerd: “Dat betekent dat we domweg niet terug kunnen naar het oude normaal. Dat creëert een enorme kans om kapitaal te herinvesteren op een manier die slimmer en eerlijker is, om structurele fouten aan te pakken. En we zijn al op weg.”

Zelf wil ik daar ook wel in geloven. Maar de auteurs die ik net noemde, komen er toch niet onder uit om tegenvoorbeelden aan te halen van hoe niets lijkt te veranderen. Zowel Milikowski als Bezemer vermelden de Nederlandse luchtvaartmaatschappij KLM, die twee tot vier miljard staatssteun ontvangt, maar intussen wel een lange traditie heeft van belastingontwijking in Ierland (wanneer het om vermogende belastingplichtigen gaat, is er sprake van ontwijking, niet van belastingontduiking). Milikowski schrijft: “Iedereen voelt dat dit misschien wel het moment is waarop er definitief een streep wordt gehaald door de gedachte dat de luchtvaart almaar moet blijven groeien. Hoewel het kabinet een paar weken geleden stoïcijns de nieuwe Luchtvaartnota presenteerde met daarin de ambitie om de grens van het aantal vliegbewegingen te laten groeien van 540.000 nu tot 800.000 in 2050 is er steeds minder draagvlak voor dergelijke toekomstscenario’s.”

Steeds minder draagvlak? Het besef dat het anders moet, en misschien zelfs kàn, leeft in ieder geval niet zo sterk bij iedereen. En al helemaal niet bij diegenen die het vandaag voor het zeggen hebben. Neem nu zo’n Pierre Wunsch, gouverneur van de Nationale Bank van België, en in die hoedanigheid vermoedelijk iemand met wie rekening wordt gehouden. In Le Soir van 13/14 juni krijgt hij een volle pagina om te beweren dat het ergste van de crisis voorbij is, en aan te geven wat dat bijgevolg inhoudt voor de Belgische economische politiek. “… [M]aar de schok is over, en daarom kan ik beweren dat het ergste van de crisis, qua gezondheid maar ook economisch, effectief achter ons ligt. De schok, voor de mensen die hun baan niet verloren hebben, ligt in het feit dat zij twee maanden opgesloten hebben gezeten en niet meer konden consumeren.” Zo, die man zijn mensbeeld is min of meer duidelijk.

Zijn wereldbeeld ook. “Ons scenario is dat van een vierkantswortel: een heftige schok, gevolgd door een progressieve terugkeer naar de groei. (…) In verhouding tot de omvang van de schok is de schade op sociaal gebied en inzake tewerkstelling relatief beperkt. Wij schatten dat wij over 2020-2021 zo’n 160.000 tot 170.000 banen gaan verliezen, maar de afgelopen jaren hebben wij er 300 à 400.000 gecreëerd. Wij gaan dus drie jaar terug; wij verliezen drie jaar groei. (…) Het is inderdaad mogelijk dat jonge afgestudeerden niet meteen hun job naar keuze zullen vinden, maar dat is het einde van de wereld niet.” Nee, zij kunnen altijd nog pizzakoerier worden of hopen dat er nog een ander van die 300 à 400.000 precaire baantjes beschikbaar is.

Ook over meer ecologisch bewustzijn of een Green New Deal of een ‘vergroening’ van de economie hoef je je wat betreft Pierre Wunsch geen illusies te maken. Wat hem zorgen baart, is het idee dat « après avoir dépensé beaucoup pour la crise, on pourrait dépenser beaucoup pour le vert ». Volgens Wunsch is dat een beetje zoals iemand die geen geld heeft, naar de bank gaat voor de financiering van zijn dringende hospitaalkosten, maar dan achteraf bedenkt dat hij net zo goed op krediet zijn badkamer kan renoveren.

Inderdaad, wat milieu en klimaat en dat soort bekommernissen betreft, lijkt de tendens eerder business as usual. Het is dat ik publiciteit zoveel mogelijk probeer te negeren, dus de inhoud ervan ontgaat mij meestal, maar ook in Le Soir (12 juni) trekt redacteur Michel De Muelenaere enkele conclusies uit de reclame die hij om zich heen ziet voor auto’s, smartphones, voedsel aan knalprijzen, … Hij verwijst naar een universitaire studie uit Luik, die vaststelt dat bijna negen op tien auto-advertenties modellen aanprijzen die meer CO2 uitstoten dan het gemiddelde van de verkochte auto’s in 2019 (121,2 gr/km). Drie vierde zou zelfs meer dan 140 gr/km de lucht in blazen. OK, maar dan denk ik: je moet je wel realiseren dat de autonijverheid het blijkbaar moeilijk heeft. Zo pleitten enkele weken geleden nogal wat Duitse politici voor meer staatssteun voor BMW en consorten – maar dan wel zonder ökologischer Purismus. Dat wil zeggen: het helpt deze bedrijven in de huidige crisissituatie niet verder als die subsidies “overbelast worden met de eis aan de autobouwers geen bonussen of dividenden uit te keren” (Winfried Kretschmann, minister-president van Baden-Württemberg en prominent lid van Bündnis 90/Die Grünen, geciteerd in Kontext: Wochenzeitung, 30 mei). Zo’n instelling getuigt van realiteitszin; in 2020 nam de staat (de belastingbetaler) de kosten van de technische werkloosheid van tienduizenden arbeiders in de auto-industrie op zich, maar dat belette de families Quandt en Klatten niet als grootaandeelhouders van BMW voor 800 miljoen euro dividenden op te strijken (dat is bijna de helft van de 1,646 miljard die over 2019 verdeeld werden onder de aandeelhouders).

Klein bier, vergeleken met de wensen van de familie Agnelli, de eigenaren van Fiat en Juventus. Eind mei vroeg de holding FCA (Fiat, Chrysler, Alfa Romeo, Jeep) garanties van de Italiaanse staat voor een lening van 6,3 miljard euro. Tegelijk maakte het management bekend dat het niet van plan was af te zien van de uitkering van 5,5 miljard aan dividenden die voorzien was in het overnameakkoord met het Franse PSA (Peugeot, Citroën, Opel). Dat overnameakkoord ligt inmiddels onder vuur vanwege de Europese Commissie, maar de uitkering aan de aandeelhouders staat volgens ceo John Elkann “in steen gebeiteld en gekluisterd” (il manifesto, 21  mei).

Trouwens, om het nog even verder over mobiliteit te hebben, kan het eens afgelopen zijn met die vliegschaamte? Economische groei kan niet zonder transport, dus waarom zou je dan als politica het vliegen niet promoten? Dat is in ieder geval wat (liberaal) Vlaams minister van mobiliteit Lydia Peeters deed. Op uitnodiging van het kleine luchtvaartbedrijf ASL maakte zij een vluchtje van nog geen 40 km tussen Antwerpen en Brussel. Met goede redenen, zo blijkt uit haar persbericht:

Lydia Peeters werd in de hoedanigheid van Vlaams minister van Mobiliteit, bevoegd voor de regionale luchthavens, uitgenodigd om deel te nemen aan de persvlucht van afgelopen dinsdag. De minister is op die uitnodiging ingegaan:

1) Omdat zakenvluchten een essentiële pijler zijn van onze regionale luchthavens.

2) Om de nodige media-aandacht te krijgen voor de heropstart van onze regionale luchthavens.

3) Om het engagement van ASL, om hun CO2 uitstoot te compenseren, onder de aandacht te brengen, wat een belangrijke voorbeeldfunctie heeft op de gehele sector van de zakenvluchten.

4) Omdat onze regionale luchthavens nood hebben aan nieuwe initiatieven, binnen de contouren van milieuvergunningen, zoals deze van ASL, om hun financieel model robuust te maken.

Kortom, Vlaanderens regionale luchthavens zijn weer open, èn er is een vliegtuigmaatschappij die haar CO2-uitstoot op een of andere manier wil compenseren. Met Vlaanderen gaat het de goede richting uit.

Duizenden (web)pagina’s zijn er inmiddels geschreven over wat er nu echt moet veranderen. Bruno Latour houdt het procedureel, door een denkoefening te suggereren die moet helpen om uit te maken wat hoe anders moet. Een mooi inhoudelijk overzicht biedt bijvoorbeeld Transnational Institute (TNI) met o.m. een lijstje van Immediate priorities [to] protect those made vulnerable by the global economic order.

De vraag is alleen: hoe ga je zaken als zeg maar de eerste suggestie van TNI,  Bailing out those losing jobs and income rather than bailing out industry, concreet bereiken of afdwingen? De voorbeelden hoger in dit stuk geven aan dat hier en daar nogal de neiging bestaat de prioriteiten om te keren: eerst de industrie, en dan de baanlozen. In het gesprek met Mark Blyth in De groene Amsterdammer van 11 juni zegt deze: “Nu de bestaande regels niet automatisch meer gelden, is dit het moment waarop democratisch bestuur technocratisch bestuur moet ondervragen, op een niet-populistische manier. Wij als burgers moeten dit moment gebruiken om van onze leiders antwoord te eisen op de vraag: wat doen we eigenlijk, en waarom doen we het?”

Je kan dat antwoord wel eisen, maar hoe ga je afdwingen dat je het ook krijgt? In Duitsland, Frankrijk, Italië zijn er volksmanifestaties en media die pertinente vragen stellen, kritisch het beleid volgen, druk proberen uit te oefenen op de richting die gekozen wordt voor toekomstig beleid. In België niets van dit alles; daar hebben de media het erover wat de mama’s vinden van het feit dat de kindjes al dan niet weer naar school kunnen, dat de bevolking bevrijd is nu zij weer mag knuffelen en op café gaan, of dat voetballers behoefte hebben aan psychologische coronabegeleiding. ‘De politiek’ komt helemaal nergens aan toe vanwege de patstelling in de strijd om het opheffen of het voorbestaan van het hele land. Qua actie en discussie om de toekomst ‘anders’ vorm te geven, heerst hier complete lethargie.

Er zit voor burgers maar één ding op: er zelf aan beginnen. Alleen al het idee van Blyth dat “onze leiders” een antwoord moeten geven op de vragen naar de toekomst, geeft aan dat van zijn visie geen ‘anders’ te verwachten is. ‘Leiders’ zijn zij die op een bepaald ogenblik als zodanig aanvaard worden, omdat zij vallen binnen een categorie of een definitie van leiderschap, die op dat moment dominant is. Die leiders zijn kortom het product of de uitdrukking van de machtsrelaties en de structuren, die je juist zou willen veranderen.

Het is dan belangrijk macht niet te zien als een vorm van dominantie of eenrichtingsverkeer van machtigen tegenover onmachtigen. Als je ervan uitgaat dat individuele acties ingebed zijn in sociale structuren, maar dat structurele fenomenen ook beïnvloed worden door het herhaald ingrijpen van actoren, dan heeft elk individu de macht om weerstand te bieden, zaken anders te denken en daar naar te handelen. Als je dat met een groep doet, kan je – zelfs al is het maar op beperkte schaal – een alternatief vormgeven. Je hoeft dan nog niet eens te denken in termen van ‘de macht grijpen’. Gedeelde of collectieve kennis en belangen zijn misschien veel belangrijker om concrete zaken te veranderen, dan ideologische eensgezindheid; je eigen macht versterk je op de eerste plaats door ze uit te oefenen.

Aan die ingrepen in kleine situaties  hoeft niet noodzakelijk een alomvattend plan ten grondslag te liggen – hoewel een breed denkkader helpt. Een historisch voorbeeld is dat van de (mondiale) anti-apartheidsbeweging uit de laatste decennia van de twintigste eeuw. De massale boycot door individuen en groepen van niet alleen Zuid-Afrikaanse producten, maar ook van evenementen, academische samenwerking, sportieve en culturele manifestaties en dergelijke heeft zeker een belangrijke rol gespeeld bij het ondermijnen van het apartheidsregime. Het voorbeeld van Zuid-Afrika is ook de reden waarom in verschillende landen (Frankrijk, Duitsland, de VS) de huidige BDS-beweging tegen Israël gecriminaliseerd wordt (Boycot, Desinvesteringen, Sancties). Die beweging van burgers doet pijn (zie bv. hier en hier en hier), niet alleen aan Israël zelf, maar ook aan zijn Westerse bondgenoten, die de bezetting van Palestina en het apartheidssysteem ten opzichte van de Palestijnen liever door de vingers zien om hun centrale bolwerk in het Midden-Oosten te vrijwaren.

Hoe dit alles uitpakt op het terrein van mobiliteit, is mij nu en hier niet duidelijk; wanneer het over mobiliteitsbeleid gaat, verlaat ik mij graag op het advies van anderen die daar meer van weten, beter over nagedacht hebben, en een in mijn ogen verstandige visie ontwikkeld. Wel is het duidelijk, denk ik, dat het niet meer evident is dat iedereen een ongelimiteerd recht op mobiliteit bezit. Iedereen kan voor een goed deel voor zichzelf beslissen waar zij of hij de grenzen legt aan acceptabele mobiliteit: op het gebied van buitenlandse studies, van vervoermiddel, van vakanties, van aangeschafte producten, …

Moet je ook mensen aanspreken op hun gedrag, wanneer je denkt dat het voor iedereen schadelijk is? Kan je altijd alle mensen aanspreken op wat in jouw ogen asociaal gedrag is? Met één ding kan je in ieder geval individueel al beginnen, en je kan makkelijk anderen aansporen om dat ook te doen: zo veel als mogelijk alle publiciteit, die je toch alleen maar aanzet om nog meer maatschappelijke rotzooi en schade te veroorzaken, blokkeren, doorspoelen, weggooien, negeren … Je macht vergroot je door ze te gebruiken.

Nee

Liefst wil ik niet materiaal van anderen gewoon overnemen op deze site, maar soms zijn stukken zo sterk, dat ik denk: dit moet ik ook laten zien, omdat het mij raakt.

Dat is dus het geval met de rede van Arnon Grunberg ter gelegenheid van de nationale Dodenherdenking in Amsterdam, 4 mei 2020.

Ontroerend is niet alleen de enscenering, met Grunberg pratend in een vrijwel lege Nieuwe Kerk, voor ceremonieel opgestelde rijen onbezette stoelen, maar vooral zijn tekst, scherp, geëngageerd, persoonlijk en eigenlijk ook diep treurig.

Hieronder te zien vanaf minuut 23:50.

De integrale tekst van Grunberg, getiteld Nee, vind je hier.

Une autre pandémie

On aurait tendance à l’oublier en ces temps de corona, mais en ce début du 21ème siècle, il y a toujours le VIH et le sida. A travers le monde environ 37 millions de gens seraient séropositifs, dont septante pourcent vivant en Afrique. Pendant le dernier quart de siècle, plus de 26 millions de personnes y sont décédées à la suite du sida. Et bien qu’il y ait d’énormes différences entre les phénomènes du VIH/sida et du SRAS-CoV-2/covid-19, cela vaut la peine de se souvenir de l’histoire du sida. Comme le sida dans les années 1980, la pandémie actuelle du covid-19 renforce les crises sociales ou politiques déjà existantes. Et dans les deux cas, on trouve les mêmes sortes de présomptions en ce qui concerne la vie d’après l’épidémie. Ou bien on croit que tout n’était pas si mal avant, et que la crise actuelle signifie le collapsus final de tout ce que la civilisation a atteint ; ou bien on considère la crise comme l’adieu à un système obsolète et comme point de départ pour élaborer un futur plein d’espoir.

Au moment où la prise de conscience du sida atteignit son apogée en Europe occidentale et l’Amérique du nord, au milieu des années 1980, l’infection par le VIH (virus de l’immunodéficience humaine) et le syndrome connexe du sida (syndrome d’immunodéficience acquise) paraissaient en premier lieu une affaire d’homosexuels mâles et d’usagers de drogues illicites par voie intraveineuse (udvi). Aujourd’hui en Belgique les udvi semblent avoir tout à fait disparu des statistiques du sida. D’une part il y avait jusqu’il y a peu une nette tendance à la baisse de la pratique d’injection intraveineuse, d’autre part les dispositifs de consommation hygiénique (échange de seringues, salles de consommation à moindre risque, programmes de substitution d’opioïdes/méthadone) ont probablement aussi contribué à cette évolution – sans oublier pourtant la persistance possible du jugement moral que des consommateurs de drogues illicites ne sont pas nécessairement une catégorie à prendre au sérieux. De nos jours en Belgique les groupes principaux touchés par le VIH sont les hommes ayant des relations homosexuelles et des femmes et des hommes hétéro d’origine africaine sub-saharienne. En général la proportion des plus de cinquante ans est en hausse.

Il y a une différence majeure entre la gestion du sida de l’époque et celle de covid-19. Pour une bonne part elle est due à l’interprétation du phénomène, la signification que l’on donne à la maladie ou l’épidémie et aux malades – et cela à son tour détermine en grande partie l’ampleur et la qualité de la prévention et des infos à la population. Comme les premières personnes infectées du VIH semblaient être ou bien des homosexuels, ou des toxicomanes, ou encore des africains, il était bien simple de stigmatiser ces groupes. S’ils tombaient malades, c’était qu’ils l’avaient cherché eux-mêmes. Sexualité déviante, consommation immorale de stupéfiants, origine ethnique mystérieuse … ça ne rate jamais pour imposer la responsabilité du mal. Ces gens-là étaient responsables eux-mêmes de ce qui leur arrivait.

Jusqu’ici ce mécanisme de stigmatisation semble rester absent dans la gestion de la pandémie du covid-19 (bien qu’en Turquie le président Erdogan et le chef suprême de l’islam étatique pointent du doigt précisément les homosexuels (m/f) pour la décadence sociale et les maladies et les contagions que celle-ci implique). Tout ceci pourtant pourrait changer dans les semaines qui suivent, lorsque le déconfinement prendra forme. Depuis plusieurs semaines la règle générale est celle du confinement, et les exceptions accordées sont donc des exceptions à une situation d’anormalité. Mais bientôt la situation sociale deviendra de plus en plus « normale » (en Italie on parle de convivenza con il virus – cohabitation avec le virus) et les gens qui ne pourront pas – pour diverses raisons – jouir pleinement de tous les droits auxquels tout le monde était habitué avant, formeront des exceptions dans une situation de normalité. Il sera probablement plus difficile d’accepter que l’on soit obligé de rester en confinement tandis que « tous les autres » sont libres, que de se trouver confinés comme tout le monde, à l’exception de ceux et celles qui garantissent des services primordiaux. Ceux et celles qui n’auront pas droit au déconfinement seront des minorités. Et les minorités sont vulnérables.

Aussi longtemps que le déconfinement ne sera pas tout à fait général, il y aura des gens qui transgresseront les limites qui leur sont imposées, et qui courront donc le risque – en tout cas dans l’opinion publique – d’être responsables eux-mêmes d’une éventuelle contamination. Qui peut dire si, dans une situation normale et dans des conditions où l’épidémie semble surmontée, les personnes qui seront infectées malgré tout ne seront pas blâmées pour ce qui leur arrive ? Et là, ce ne sont pas que ceux et celles qui enfreignent les règles de leur propre gré qui seront visé.e.s, mais aussi tous les gens qui devront fonctionner dans des situations où l’on ne peut respecter les règles, même si on le voudrait de tout cœur : les sdf, tous ces travailleurs et travailleuses dans des ateliers ou des coiffeurs ou tant d’autres situations entassées, les écoliers, les prestataires de services sexuels … vous pouvez vous l’imaginer vous-mêmes. Et comme toujours, ce seront les pauvres et les démunis et les sans-papiers qui resteront les principales victimes aussi bien de la crise que de la post-crise.

Drogues et sida

Cela peut sembler paradoxal, mais une partie de la population n’a pas toujours considéré le sida comme juste une maladie mortelle. Pour le secteur des services de santé et d’aide aux usagers de drogues l’épidémie a débloqué des sommes d’argent considérables et beaucoup de gens ont gagné leur vie dans la recherche, les conférences, les publications, la politique et l’aide sociale en matière de drogues & sida. Mais aussi pour ceux et celles qui, à la fin des années 1980, cherchaient une nouvelle approche politique et sociale émancipatoire et respectueuse des consommateurs de drogues illicites, le sida a à un certain moment paru offrir un instrument ou une tactique intéressante.

En soi, il n’y a pas de relation entre le sida et des drogues – même illicites. Dans ce sens, les consommateurs de drogues ne forment donc pas un « groupe à risque » (une « communauté de parias », selon Susan Sontag dans AIDS and Its Metaphors). S’il y avait une relation plus que moyenne entre des consommateurs de drogues illicites et l’infection par le VIH, cela indiquait surtout que ces personnes, plus que certaines autres, étaient disposées à effectuer des activités plutôt hasardeuses. Dans une atmosphère générale de répression et de manque de pièces stériles, il y avait (assez) d’usagers par voie intraveineuse (udvi) qui partageaient leur seringues ou aiguilles avec d’autres gens – potentiellement contaminés. Il y en avait aussi que l’illégalité de leur dépendance menait à des activités hasardeuses sur le marché du sexe. Dans ce sens, le sida est un problème secondaire en matière de drogue : non propre à la drogue même, mais la conséquence d’une politique répressive.

En d’autres termes, il y a bien une relation entre le sida et la politique des drogues. Exactement comme la politique du sida, la politique en matière de drogues est prétendument en premier lieu une politique de santé publique. Néanmoins, ses aspects sanitaires sont définis dans le cadre de politiques pénales établies par divers traités internationaux et législations nationales. A la fin des années 1980, comme aujourd’hui d’ailleurs, il était clair qu’une politique de santé publique en matière de drogues devrait – entre autres – parer les effets néfastes de la politique judiciaire. Cette approche s’appelle depuis lors harm reduction – réduction des méfaits. Dans les pays occidentaux le sida semble devenu plutôt une affection chronique qu’une épidémie, mais sur l’échelle mondiale il y a toujours une forte relation entre la présence de VIH et les udvi. Des recherches récentes montrent qu’il n’y a qu’un pourcent des udvi qui vivent dans des pays avec des mesures de réduction des méfaits suffisantes ou accessibles. La plupart des gouvernements poursuit toujours des politiques de contrôle de drogues, poursuite et incarcération de consommateurs inclues, bien que les effets catastrophiques de la war on drugs pour la santé publique soient depuis longtemps bien établis.

Si traditionnellement la prévention en cas d’épidémie consiste en vaccination, isolation et désinfection, il y a bien sûr également l’aspect de l’information de la population concernée. Au Pays-Bas on s’est réalisé vers le milieu des années 1980 que pour être effective, l’information et la prévention du sida devraient être spécifiées selon les divers publics. C’est ainsi qu’on s’est rendu compte que les campagnes de prévention du sida destinées à des consommateurs de drogues illicites devraient avoir lieu dans le cadre d’une politique des drogues généralement prohibitive et répressive. Une campagne d’information-prévention destinée à des consommateurs de drogues illicites serait une campagne destinée à des déviants et des hors-la-loi, qui pour une part vivent leur vie et font leurs affaires dans des zones grises et des structures semi-légales.

Tout ceci menait régulièrement à des paradoxes et des contradictions. A Rotterdam par exemple, la police commença à un certain moment un programme d’échange de seringues pour les personnes arrêtées. En même temps elle continuait sa politique contre les points de vente d’une certaine envergure avec des perquisitions et des rafles qui chassaient les consommateurs vers les quatre coins de la ville – alors que c’est exactement par les circonstances hectiques dans lesquelles certains consommateurs (f/m) sont obligés à injecter leur produit qu’ils négligent même les mesures basales de prévention.

P1030279

Normalisation

Parallèlement à la montée internationale du concept de harm reduction, apparût au Pays-Bas l’idée de normalisation dans la politique en matière de drogues. Elle trouvait ses origines dans une étude influente, commandée par le gouvernement et paru en 1983. Les deux auteurs, Janssen et Swierstra, rejetaient trois options de base pour une politique intégrale de l’héroïne : le traitement obligatoire, la distribution régulée d’héroïne, et sa légalisation. En revanche, ils suggérèrent une quatrième option : l’intégration graduelle culturelle de la consommation d’héroïne. (Il faut savoir qu’à ce moment-là la consommation d’héroïne commençait déjà à être surpassée par celle de cocaïne et de crack.)

En tout cas, Janssen et Swierstra proposaient la « normalisation du rôle social de l’usager d’héroïne dans son environnement direct » et cela devrait se faire par la « normalisation de la distribution de substances alternatives par la décentralisation vers des postes de quartier à petite échelle ». Cette double approche aiderait à « neutraliser les effets du monde illégal de l’héroïne ». Au fond, la normalisation visait donc aussi bien la consommation d’héroïne que la politique en matière de cette drogue ; en somme, si l’on voulait réduire les coûts sociaux de la consommation d’héroïne, il faudrait envisager la mise en place d’une politique des drogues normale (comme pour l’alcool ou le tabac), qui ne regarderait pas les consommateurs de drogues illicites comme des criminels ou des déviants, mais comme des gens normaux.

A la base de l’approche de Janssen et Swierstra semblait donc se trouver l’idée que, bien que la consommation de certaines substances puisse être considérée comme « différente », cela ne devrait pas mener à un traitement social différent de celui de la population en général. Dans ce sens, plusieurs groupes d’intérêt sur le terrain des drogues illicites saluaient la signification émancipatoire du nouveau concept – comme c’était le cas au sein du Rotterdamse Junkiebond (RJB – Ligue des junkies de Rotterdam ; dans plusieurs communes les organisations de consommateurs de drogues illicites portaient le mont junkie en point d’honneur). Dorénavant il serait possible d’être différents dans la consommation de drogues et le style de vie, et en même temps d’être acceptés en tant que citoyens normaux.

Au même moment pourtant, pour d’autres il était clair que « normalisation » avait une signification négative, surtout dans le contexte de la politique en matière de sida. Un billet paru en 1987 dans l’« hebdomadaire d’action » Bluf ! à Amsterdam en témoigne. (Le texte qui suit est un peu absurde, en premier lieu parce qu’il est la traduction française d’une traduction en anglais que j’ai faite il y a très longtemps d’un texte en néerlandais, qu’aujourd’hui je ne possède plus.) Cela s’intitule La vengeance des Incas et débute par mentionner l’extermination des indiens sud-américains, non par les troupes de Pizzaro, mais par le fait qu’ils n’avaient pas de résistance contre les maladies que ceux-ci apportaient avec eux. La suite :

Nous sommes les sauvages modernes. Nous sommes la vengeance des Incas. Cent porteurs du sida suffiront pour des millions de gens … Oui ! voici un vrai anti-impérialisme ! Nous viendrons à piller votre or : votre santé ! Nous ruinons votre paradis fiscal ! Le sida n’est pas un virus – il est votre mauvaise conscience ! Le sida n’est pas une maladie, il est un destin – votre destin !

Puis, en référence aux évacuations violentes de divers grands immeubles squattés à Amsterdam :

Nous allons évacuer le monde occidental, nous fermons la civilisation intégrale ! Nous sommes déjà au-delà du risque, dès maintenant, c’est vous le groupe à risque ! … Votre angoisse de la mort nous fait grimacer. … Il n’y a que ceux qui ne craignent pas la mort, qui sont invulnérables. Il n’y a que ceux qui n’ont plus besoin d’un système de défense, qui peuvent passer par tout système de défense ! Et demain, c’est à vous !

Le texte continue dans le même style de desperado romantique (avec plein de points d’exclamation !) jusqu’à cette apothéose :

Pendant des années notre lutte a été dirigée contre le but de cette campagne internationale du sida : contre la normalisation, contre la résolution de problèmes médicaux et sociaux par leur liquidation ! … Nous avons toujours été séropositifs envers le système … Nos actions sont pleines de plaisir et elles sont mortelles ! Nous déclarons publiquement que nous pouvons atteindre notre but par le renversement bénéfique de tout ordre social existant jusqu’aujourd’hui ! Nous n’avons rien à perdre sauf notre santé ! Nous avons un monde à gagner ! Nous sommes les derniers des Incas !

SEROPOSITIFS DE TOUT LES PAYS – UNISSEZ-VOUS !

(Il ne reste que – le silence.)

Le sida en tant que tactique

Après la débâcle de l’expérience pilote d’échange de seringues dans le poste du Rotterdamse Junkiebond, la ligue menait en été 1986 un série de « discussions stratégiques » avec des membres d’organisations solidaires. La politique du sida jouait un rôle important dans ces séances. On constatait trois dangers importants qu’elle contenait pour les consommateurs de substances illicites. Tout d’abord il y avait la stigmatisation de consommateurs de drogues en tant que « groupe à risque » en matière de sida ; puis il y avait la consolidation du pouvoir des instances socio-médicales en matière de drogues, entre autres par le fait qu’il fallait y être enregistré comme client pour avoir accès à de la méthadone ou des pièces stériles ; enfin, on connaissait des cas états-uniens et allemands de criminalisation de séropositifs ou de malades du sida.

De l’autre côté, il était important pour les organisations de consommateurs que la prévention et le conseil en matière du sida soient au moins partiellement une responsabilité des consommateurs mêmes. Ils savaient aussi que ceci était conforme à la politique officielle gouvernementale et que plusieurs instances publiques étaient censées leur offrir des subventions pour améliorer leurs  capacités d’entraide et de distribution d’infos. En ce sens, le sida devint tout d’un coup une sorte de moyen tactique pour forcer les instances officielles à prendre au sérieux les consommateurs de substances illicites. La stratégie des junkiebonden était donc essentiellement négative ou défensive ; elle ne visait pas en première instance la démarcation de terrains à administrer. Néanmoins, on pouvait poursuivre cette stratégie défensive par des moyens ou des tactiques offensives, en premier lieu en  affirmant sa propre expertise unique en la matière et en réclamant les moyens de la traduire en actions.

Dans une des séances, quelqu’un disait : « Le sida est un bon thème, parce qu’il nous permet de marquer des points et il peut nous aider à parvenir à une position de pouvoir. » Ou encore : « Si aujourd’hui la Fédération néerlandaise des junkiebonden (FNJB) ne vaut pas vraiment grand-chose envers les autorités, il faudrait peut-être l’aider à valoir quelque chose par le biais du sida. » Dans cette période la politique du sida semblait un moyen tactique intéressant pour le RJB, aussi bien en externe (en prouvant son indispensabilité) qu’en interne (pour une restructuration des activités de la ligue). Et tout cela dans le but stratégique d’une nouvelle politique des drogues – qui d’ailleurs était en général formulée en termes de normalisation. Comme quelqu’un l’exprima dans une des discussions : « Les consommateurs de drogues devraient être acceptés intégralement, mais toute consommation de drogues, y compris celle d’alcool par exemple, devrait être modérée. » On était d’accord sur la nécessité d’une politique en matière de drogues, vu la « dangerosité » de la consommation de certaines substances, mais un telle politique devrait surtout élargir la base sociale pour une acceptation de la consommation de drogues et des consommateurs.

Concrètement, le RJB et ses partenaires avaient quelques plans et revendications. Comme une partie des consommateurs s’injectent leurs drogues, assez de pièces stériles (seringues, aiguilles, etc.) devraient être disponibles ; les instances de santé  municipales auraient un rôle primordial à jouer là. Toutes les instances municipales devraient en autre être convaincues de la nécessité de collaborer avec les organisations de consommateurs en matière de prévention. Les autorités devraient laisser tranquilles les endroits d’échange de seringues. Toutes les organisations devraient supporter le rôle officiel de la Fédération, afin qu’elle reçoive des subventions à distribuer entre les organisations et ligues locales. Et enfin, pour le groupe le plus vulnérable et le plus précaire d’entre les toxicomanes, ceux et celles qui gagnaient leur vie dans la prostitution de rue, la disposition médicale d’héroïne devrait être envisagée.

Mauvais pari

A première vue, et si l’on ne considère que les « livres blancs », les commissions et les conférences, il pourrait paraître que les tactiques de normalisation aient partiellement emporté du succès. En effet, pas trop longtemps après la constatation officielle que la prévention du sida chez les consommateurs de drogues devrait être une affaire des consommateurs eux-mêmes, leurs organisations furent acceptées comme interlocuteurs et conseillers (pas toujours avec beaucoup d’enthousiasme) par diverses instances et autorités.

En réalité, en tout cas en ce qui concerne le Rotterdamse Junkiebond, un important facteur dans le fiasco final des stratégies et tactiques était que la ligue et ses partenaires n’étaient pas à la hauteur pour jouer le rôle qu’elles s’étaient réservé. L’organisation n’était pas capable de gérer les conséquences de la nouvelle politique des drogues et du sida qu’elle avait elle-même partiellement développée. Plus de ressources et une grandissante acceptation de la consommation de drogues menaient simplement à plus de consommation personnelle par les membres de la ligue et une augmentation des problèmes de toxicomanie. Le vide que laissait le RJB fut rapidement occupé par diverses (nouvelles) instances professionnelles, qui elles aussi avaient découvert les énormes chances d’expansion qu’offrait l’argent du sida.

Le RJB peut avoir pensé à une normalisation par l’égalité dans la différence, ce qui s’est produit finalement est une normalisation par la suppression de différence. Rien nada vengeance des Incas. Même pas d’acceptation politique de la consommation de drogues ou des usagers (bien que l’acceptation sociale, en tout cas d’autres drogues que l’héroïne, ne semble pas causer trop de problèmes au début du 21ème siècle).

Fort Corona

Globalisering is niet iets van de afgelopen veertig, vijftig jaar. Tweeduizend jaar geleden waren economie en politiek al ‘globaal’. Het Romeinse keizerrijk voerde goud, wierook en mirre in vanuit Azië; generaals uit Noord-Afrika leidden de Romeinse legers. Europese reizigers brachten verhalen en goederen mee terug uit China, Indië en Perzië. Vikings vestigden zich op Newfoundland. Politieke en economische netwerken waren niet minder globaal in 1347, toen een Genuees schip na zijn terugkeer uit de Krim de rattenvlooien die de yersinia persis bacterie droegen mee naar Marseille bracht. De zwarte pest verspreidde zich van daar over de hele méditerranée en Europa, tot in Scandinavië. Mensen, koopwaar en epidemieën hebben altijd al over de hele wereld gereisd.

Nu heb je Fort Europa en de coronacrisis. Vandaag, in het begin van de lente van 2020, vallen nog steeds talloze slachtoffers aan de muren van Fort Europa. In de eerste vijftien weken van het jaar had het Missing Migrants Project van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) al 241 doden en vermisten geteld in de Middellandse Zee. In de tweede week van april redden schepen van ngo’s en vrijwilligersorganisaties honderden uitgeputte migranten voor de kusten van Libië, Malta en Sicilië. Tegelijk woedt wereldwijd de pandemie toegeschreven aan sars-cov-2. De inmiddels uitpuilende vluchtelingenkampen op de Griekse eilanden zijn door de overheid hermetisch afgesloten. Daar valt niet meer te ontkomen aan besmetting.

Maar niet alleen degenen die radeloos proberen het fort binnen te komen zijn het slachtoffer van covid-19; ook zij die het fort hebben opgetrokken voor hun eigen bescherming, worden nu binnenin bedreigd door de gevreesde ziekte. De beide fenomenen, zij die hun toevlucht zoeken in Europa en het virus dat daar huishoudt, worden in populaire media benaderd als bedreigingen voor de interne veiligheid. En hoewel het fort en de epidemie als beeld in wezen grondig verschillen en dus metaforisch tot andere benaderingen kunnen leiden, is de militaire metafoor op de twee domeinen dominant. Bij de verdediging van Fort Europa is die evident, maar ook inzake de omgang met de epidemie bestoken de media je met verhalen over de dagelijkse strijd van onze helden aan de frontlinie tegen het virus.  Wat Fort Europa en de coronacrisis gemeen hebben is een benadering van pacificatie, waarin zowel leger als politie worden ingezet en waarin het onderscheid tussen landsverdediging en sociale controle is vertroebeld.

Dit heeft zo zijn consequenties voor het denken over macht en weerstand. De manier waarop de bevolking gemobiliseerd wordt om met beide bedreigingen om te gaan, drukt een bepaalde vorm van macht uit, maar constitueert die tegelijk ook. En waar macht is, is weerstand; geen macht zonder weerstand. De vraag is dan: hoe kan je die weerstand vorm geven, en zo invloed uitoefenen op de macht? Het gaat niet om een moreel oordeel, macht is niet juist of fout; het gaat om de vraag hoe je zelf invloed kan uitoefenen op de macht om om te gaan met fenomenen die beschouwd worden als bedreigingen.

 

Oorlog en epidemie

Ik heb al eerder geschreven over de metaforische kracht van Fort Europa, in Recht en kritiek 23/4 (1997), en in de bundel Critical Views on Crime, Policy and Social Control (University of Nicosia Press, 2014). Daarom hier nog slechts even kort. Fort Europa wordt in de jaren 1980 de dominante metafoor in het denken over het binnenlands en internationaal beleid van de Europese Unie om het verblijf van ongewenste migranten te ontmoedigen door ze af te schrikken, af te weren en desnoods uit te zetten. Binnenlandse maatregelen – zoals de uitsluiting van openbare voorzieningen en de reguliere arbeidsmarkt – gaan daarbij gepaard met de versterking en het vooruitschuiven van de Europese grenzen. Europese buitengrenzen worden in snel tempo omgevormd van territoriale scheidingslijnen tot gemilitariseerde zones, volgestouwd met elektronische surveillance en een archipel van detentiecentra. Inmiddels hebben verschillende Oost-Europese lidstaten ook hun nationale grenzen omgevormd tot muren en driedimensionale afrasteringen om toch maar elke mogelijke ‘infiltratie’ van migranten tegen te gaan. De politiek waarbij ‘bufferlanden’ in Afrika en Oost-Europa de verdediging van Fort Europa opnemen, werkt in zekere mate. Vluchtelingen bereiken amper nog de Europese Unie; niet alleen kunnen zij daar geen asiel meer aanvragen, ook worden zij nu vastgezet in landen die noch de logistieke capaciteit, noch de politieke wil hebben om immigranten op te vangen. Zo komen zij terecht onder bevolkingen die zelf leven in precaire omstandigheden en geneigd zijn tot vehemente xenofobe reacties.

In de lidstaten van West-Europa is inmiddels de bewaking van maatschappelijke instellingen door middel van identificatie en registratie veel belangrijker geworden dan de controle van de fysieke grenzen. Informatie en expertise zijn de centrale elementen in het beleid om Europa te verdedigen tegen een ‘invasie’ van migranten: binnenlands in de vorm van uitsluiting van documenten (denk aan de Franse term sans papiers), internationaal als uitsluiting door documenten (Dublinakkoorden, Schengen Informatie Systemen, biometrische registratie, …). Hoe dodelijk zij ook moge zijn, de fysieke controle van de buitengrenzen, o.m. door het beruchte Frontex, is in die zin een ouderwets defensiemechanisme.

Een van de zwakke punten van de metafoor Fort Europa is dat zij alleen negatieve betekenissen heeft, en dus uitsluitend gebruikt wordt door tegenstanders. Het beeld van het fort staat voor veiligheid. Het fort biedt aan degenen die binnen zijn, veiligheid tegen de bedreigingen van buiten. De logica van het fort is de logica van veiligheid, en dus van gevaar. Hoewel, erger dan de dreiging zelf is de angst ervoor. Het fort wordt verondersteld de angst voor de dreiging weg te nemen. Zij die hun toevlucht zoeken in het fort moeten zich veilig voelen omdat zij weten dat zij veilig zijn. Het is echter maar een specifieke categorie van mensen (‘burgers’) die toegelaten is tot de veilige plek. Dat is de paradox van Fort Europa: vlak voor de neus van al diegenen die van over de hele wereld hun toevlucht (asiel) zoeken in veilig Europa, worden de deuren van het fort dichtgegooid om de Europese burgers te beschermen tegen de dreiging van de asielzoekers.

In 2012 schreef ik: “Angst voor de dreiging van invasie impliceert ook een intensieve controle binnen in het fort. De angst voor de externe bedreiging keert zich naar binnen: zo komt een ideologie van binnenlandse veiligheid tot stand, gericht tegen de binnenlandse vijand. Grotere angst voor wat reeds onder ons is, leidt tot scherpere controle over ons allen.” Vervang invasie door coronavirus, en je krijgt: angst voor de dreiging van covid-19 leidt tot een intensieve controle binnen in het fort. De angst voor besmetting keert zich naar binnen: zo komt een ideologie van binnenlandse veiligheid tot stand, gericht tegen verspreiding van het sars-cov-2. Grotere angst voor wat reeds onder ons is, leidt tot scherpere controle over ons allen. Angst is een virus.

Hoewel het fort dus nu vervangen is door een epidemie, is de logica van oorlogsvoering en pacificatie dezelfde. Emmanuel Macron ging misschien nog het verst in zijn oorlogsretoriek, maar in zowat alle media wordt de fronttaal gehanteerd: “Medische strijd tegen falend afweermechanisme” (Apache, 14 april), “Vrijheid stopt waar besmetting begint” (De groene Amsterdammer, 2 april), “La guerra dei dati durante la pandemia” (il manifesto, 27 maart), “L’Europe en ordre très dispersé” (Mediapart, 15 april), “Coronavirus: des nouvelles du front” (Solidaire.org, 16 april) – om alleen enkele publicaties te noemen die ik van nabij volg. Parlementen zijn of hebben zichzelf buiten werking gesteld, regeringen regeren met noodverordeningen of decreten, er is een uitgaansverbod en ook andere grondrechten zijn opgeschort, er wordt openlijk gesproken over noodtoestand.

Dit kan vreemd lijken, zeker wanneer je kijkt naar de gevolgen die de ene of de andere metafoor heeft, wanneer je haar toepast op een maatschappelijk terrein waar zij allebei voorkomen: dat van de verboden roesmiddelen. De war on drugs is een zaak van strijd, justitie en politie: het gaat erom vijanden uit te schakelen, er zijn winnaars en verliezers, er is collateral damage (burgerslachtoffers). De drugsepidemie echter is een zaak van volksgezondheid – althans een moreel oordeel dat in een medisch beeld wordt ondergebracht; het gaat er om de verspreiding van gebruik en besmetting van nieuwe consumenten te beperken, wie slachtoffer wordt van de epidemie kan een beroep doen op behandeling.

Toch is de relatie tussen epidemie en binnenlandse veiligheid nauw. (Je spreekt over pandemie tegenwoordig, die nauwe relatie tussen epidemie en binnenlandse veiligheid manifesteert zich over de hele wereld.) ‘Epidemie’ komt gelukkig nog uit het Grieks, van επίδημος (epi-dèmos), over het volk, iets wat normaal vreemd is spreidt zich uit over het volk. Wat aanvankelijk vreemd was blijft dat tijdens de epidemie, maar het vreemde element nestelt zich in de bevolking en besmetting vindt plaats door contact tussen mensen onderling. Als de epidemie zich incorporeert in de mens, dan is het dus de mens, en niet het virus, die men moet controleren of isoleren. De meeste epidemieën kunnen overwonnen worden (oorlogsmetafoor) doordat zij een eindige snelheid hebben: het verspreiden van het vreemde in een relatief homogene of zuivere (= niet besmette) omgeving neemt tijd in beslag. En die tijd kan je gebruiken om de besmetting in te dijken (isolatie) of in snelheid in te halen en te stoppen (vaccinatie). Bovendien zijn epidemieën per definitie altijd vanzelf eindig; zij kunnen maar doorgaan zolang er voldoende mensen te besmetten zijn.

Epidemie kan de aanduiding zijn van een sanitaire situatie met besmetting, maar het is ook een metafoor voor de beveiligingsreacties die men neemt, een bepaald sanitair model om besmetting tegen te gaan. Die reacties worden deels bepaald door de vraag of je uitgaat van een systeem van besmetting van persoon tot persoon, of van een systeem van uitstraling vanuit een centraal punt van waaruit individuen bereikt worden, afhankelijk van de positie die ze innemen. In beide benaderingen is de centrale notie de blootstelling van het individu aan besmetting, en je ziet nu dat verschillende landen de twee benaderingen combineren, maar wel een klemtoon leggen op de ene of de andere. In België bijvoorbeeld heeft men van in het begin gekozen voor isolatie van individuen en het bewaren van fysieke afstand. Zweden en IJsland, en aanvankelijk ook het Verenigd Koninkrijk en Nederland, kozen voor de ‘groepsimmuniteit’. Het tegengaan van de epidemie is dan niet meer noodzakelijk gebaseerd op de controle van individuele contacten; een panoptische blik over het geheel, met voldoende controle over de besmettingshaarden zodat het geheel niet uit de hand loopt, is voldoende.

In beide benaderingen echter speelt technologie die het toelaat directe sociale verbanden te vervangen door indirecte of gemediatiseerde verbanden over het besmettingspunt heen een cruciale rol. En dan gaan andere mechanismen spelen dan het louter sanitaire model van epidemiebestrijding; het beveiligingsapparaat dat in werking treedt kent zijn eigen logica en autonome ontwikkelingen. Dat is wat speelt in de discussies over de controle-apps en de totalitaire richting die bestuur daarmee kan inslaan.

 

Biopolitiek

Zoals zo vaak, helpt het herlezen van Foucault om zaken van vandaag te begrijpen. In de jaren 1970 beschreef Michel Foucault zeer uitgebreid de omslag van disciplinaire machtsuitoefening naar wat hij biopolitiek en gouvernementalité noemde, en wat bij Gilles Deleuze in 1990 de controlesamenleving zou gaan heten. Bronnen en literatuur daarover zijn alom overvloedig te vinden. In het kort komt het erop neer dat machtsuitoefening die gecentraliseerd was bij een soeverein (dat kon ook de staat zijn), vanaf zowat de tweede helft van de 18de eeuw, in ieder geval in West-Europa en Noord-Amerika, aangevuld, getransformeerd of zelfs verdrongen wordt door andere vormen van machtsrelaties op verschillende niveaus. ‘Recht over de dood’ wordt steeds meer ‘macht over het leven’, stelt Foucault in 1976. Bij de disciplinaire machtsuitoefening gaat het nog om het geheel van niet-gewelddadige technieken en praktijken die gericht zijn op regulering van individuele lichamen en lichamelijke gedragingen. Surveiller et punir uit 1975 gaat daarover. Maar al heel snel introduceert Foucault begrippen als bio-pouvoir, biopolitique en gouvernementalité. Machtsuitoefening vindt dan niet meer uitsluitend plaats op de lichamen op zich, maar via deze op het hele (menselijke) leven, van geboorte tot dood (“Faire vivre et laisser mourir”), op hoe je je voedt en kleedt, wat je leest en maakt, hoe je woont, denkt, praat en je verbindt met anderen. Deze nieuwe machtstechnologie, schrijft Foucault, “kenmerkt een macht waarvan de hoogste functie voortaan misschien niet meer is te doden maar het leven volledig te bezetten”. Biopolitieke macht is niet meer een macht die van buitenaf op je wordt uitgeoefend, maar het geheel van automatische, onzichtbare en alledaagse processen die maken wie je bent, hoe je jezelf ziet, maar ook hoe je onopvallend bestuurd wordt. Politiek maakt en vormt op verschillende manieren en doorheen diverse processen lichamen tot wezens die functioneren, die produceren en reproduceren en consumeren, die in staat zijn zichzelf als subject of als identiteit te benoemen en voor te stellen. Macht, taal en subjectiviteit zijn onlosmakelijk en in alle mogelijke richtingen met elkaar verbonden.

Dat zie je goed in de huidige coronacrisis. Macht wordt niet alleen uitgeoefend door mensen ‘op te sluiten’ of met dwang hun bewegingsvrijheid te beperken; de belangrijkste machtsuitdrukking zit onzichtbaar in het feit dat zoveel mensen zich uit eigen beweging (laten) opsluiten en zonder problemen zichzelf beperkingen aan hun bewegingsvrijheid (laten) opleggen. Of ook: welke mechanismen maken dat ogenschijnlijk slechts een fractie van de bevolking lijkt mee te gaan in de complottheorieën over de oorsprong van het coronavirus, en men blijkbaar wel in meerderheid het idee van een ‘natuurlijke’ fataliteit accepteert? Of nog: ineens is een belangrijk maatschappelijk onderscheid tussen lichamen niet meer gebaseerd op klasse of gender, maar op leeftijd – schoolkinderen, jongeren die normaal aan het werk zouden zijn, ouderen, bejaarden. En zeker: de enorme vloed aan woorden en begrippen die in alle talen ontstaat om nieuwe fenomenen aan te duiden of bestaande fenomenen een nieuwe betekenis te geven in deze speciale coronatijden.

Mondiaal gezien heeft het kapitalisme een stadium bereikt dat wordt gekenmerkt door de inkapseling van contingentie, diversiteit, mobiliteit en flexibiliteit. Het is niet toevallig dat concepten als subsidiariteit, multiculturalisme of multi-level governance sleuteltermen zijn geworden in delen van de politieke filosofie en de bestuurswetenschap. Begrippen als deze drukken de biopolitieke metamorfose van de samenleving uit. Die biopolitieke gouvernementaliteit is in belangrijke mate gebaseerd op een gedifferentieerde benadering van mensen, op het maken van onderscheid en het verschillend behandelen van groepen of individuen in de samenleving. Zo kan je de huidige verschillen in migratieregimes begrijpen. De biopolitiek van mobiliteit manifesteert zich niet alleen door het al dan niet toelaten van bepaalde categorieën van migranten in Europa; een van de belangrijkste manieren waarop macht wordt uitgeoefend in de huidige diversiteit van regimes van mobiliteit (en immobiliteit) is het doordringen van de geest van mensen van categorieën als echte en economische vluchtelingen, radicalisering en deradicalisering, schijnhuwelijk of gelukzoekers.

De beleidsmaatregelen in de coronacrisis drijven de differentiatie van de bevolking nog een eind door. Dankzij de digitalisering van een groot deel van het maatschappelijk leven slaagt men er in de samenleving nog verder te atomiseren: ieder op zijn/haar eigen plekje, op veilige afstand van de ander, virtueel met elkaar verbonden door de wonderen der techniek – althans voor wie geen uitzonderingsregime geldt. En die uitzonderingsregimes zijn er, in ruimte en tijd beperkt en wel omschreven, voor het medisch personeel, voor de essentiële verplaatsingen, voor de vuilnisophaling, voor het kattenvoer, voor de vaste vriend/in met wie het toegestaan is op veilige afstand van elkaar te wandelen in een park nabij de verblijfplaats zonder op een bankje te rusten, voor het uitvoerend personeel dat uiteindelijk er voor moet zorgen dat de samenleving minimaal blijft draaien. Problematisch zijn die categorieën burgers die niet in isolatie bestuurd kunnen worden: de dak- en thuislozen, de asielzoekers in de opvangprocedure, gedetineerden, de armen die uitgesloten zijn van digitale communicatie en controle.

Op Mediapart  ziet ook filosoof Paul Preciado de relatie tussen het Europese migratiebeleid en corona:

Covid-19 heeft de grenspolitiek van het nationale grondgebied of het Europese superterritorium verplaatst naar het individuele organisme. Het lichaam, ons individuele lichaam, als ruimte van leven en als netwerk van macht, als centrum van productie en consumptie van energie, is het nieuwe territorium geworden waarop de gewelddadige grenspolitiek die wij al jaren uittesten op ‘de anderen’, nu de vorm aanneemt van een oorlog tegen het virus. (…) Jarenlang hebben wij de migranten en de vluchtelingen in detentiecentra geplaatst, politieke grensgebieden zonder recht of burgerschap, eeuwige wachtzalen. Vandaag zijn wij het die in de detentiecentra van ons eigen huis leven.

Nee dus, de maatregelen die vandaag genomen worden om covid-19 te beteugelen worden niet toegevoegd aan het arsenaal van ingrepen die voortaan politiek mogelijk zijn; het zijn de ingrepen die al mogelijk waren ten aanzien van migranten, die nu ook worden toegepast binnen het fort, op de inwoners.

P1020619x

 

Macht en verzet

Nogmaals: praten over weerstand in deze context gaat niet op de eerste plaats over kritiek op de manier waarop vandaag de verspreiding van covid-19 wordt aangepakt. Er is kritiek uit te oefenen, en dat gebeurt ook, op de aantasting van grondrechten, de gebrekkige juridische grondslag hiervoor, de manier waarop overheden gebruik maken van noodverordeningen, de onduidelijkheid over wat er kan of zal gebeuren met al de data die mensen vrijwillig gaan afstaan aan de overheid (zolang het aan Google of Facebook was, kraaide er vrijwel geen haan naar),  de retoriek waarin ‘privacy’ gesteld wordt tegenover ‘het broodnodige herstel van de economie’, enzovoort.

Een traditionele vorm van verzet tegen machtsuitoefening bestaat uit het (terug) opeisen van de publieke ruimte. Massademonstraties, heet dat, het tijdelijk in bezit nemen van straten en pleinen om eisen, verlangens of frustraties kenbaar te maken. Die fysieke bezetting van de publieke ruimte, hoe belangrijk die ook mag zijn voor het creëren van een groepsgevoel of voor de symboliek van de (tijdelijke) inbezitname, ik heb het er moeilijk mee – niet alleen omdat ik niet hou van groepsactiviteiten, maar ook omdat ik twijfel aan de inzet en de motivatie van wie daaraan meedoet. In mijn jeugd heb ik wel eens meegelopen in betogingen, waarbij degene met de megafoon op gezette tijden een groepje demonstranten aanmaande om tien seconden neer te hurken zodat er een afstandje ontstond met degenen die gewoon verder liepen, en om daarna hollend over veertig meter de voorgaande groep weer in te halen. Ik vond het altijd gênant belachelijk. Maar wat zie je nu op het omslag van Solidaire n°2 van 2020: een groepje manifestanten dat met open mond lachend en met een blikje bier en een peuk in de hand naar voren komt gelopen. Wat moet je hier mee?

Doordat biopolitieke machtsuitoefening ongemerkt een integraal onderdeel is van je subjectiviteit of identiteit,  zo constituerend is voor wie je bent – aan de verwevenheid van je taal, je identiteit en (je) microfysica van de macht valt niet te ontkomen; dat ben je helemaal zelf – is het ook zo moeilijk om de oude categorieën van weerstand en verzet opnieuw te conceptualiseren. Categorieën als goed of slecht zijn hier niet van toepassing; je kan niet voor of tegen de werking van macht zijn. Wat je wel kan overwegen, is binnen dat kader van biopolitiek te streven naar of te werken aan andere vormen van bestuur, van bewustzijn of van levensomstandigheden.

Hoewel de metafoor van het fort zeker kan helpen om het actuele migratieregime te begrijpen, heeft zij zo haar grenzen wanneer het erom gaat zaken als verzet, ondermijning, sabotage, weerstand of alternatieven te conceptualiseren. In het kapitalisme van de afgelopen decennia heeft zich namelijk een fundamentele ommekeer in de representatie van macht voltrokken. Wat vroeger een sedentaire concrete massa was (het fysieke fort met wallen en een slotgracht) heeft zich in de dagelijkse praktijken ontwikkeld tot een nomadische (elektronische) vloed – en dat geldt des te meer wanneer het gaat om de machtspraktijken met betrekking tot het beheer van de corona-epidemie.

In 1996 stelde het Critical Art Ensemble:

Ooit representeerde de macht zichzelf doorheen verschillende types van spektakel (media, architectuur, …) als een zichtbare sedentaire kracht; nu heeft zij zich teruggetrokken in cyberspace waar zij als nomade over de wereldbol kan zwerven, altijd afwezig voor tegenkrachten, maar altijd aanwezig waar en wanneer zich ergens een opportuniteit voordoet.

Vandaag staan de monumenten van de macht er nog steeds, zichtbaar en stabiel, maar de instanties die de macht uitoefenen zijn allang niet meer zichtbaar of stabiel. En dus kunnen bezettingen of blokkades, acties in de fysieke ruimte, misschien wel tijdelijk de doorstroming van mensen en goederen beïnvloeden, maar de stroom van informatie en kapitaal blijft onaangeroerd. En hoe zou je in vredesnaam fysiek kunnen ingrijpen om de machtsuitoefening te beïnvloeden die de coronacrisis beheert? Een machtsstructuur kan je niet ‘neerslaan’ door, zoals de CAE stelt, “een monumentaal tegenspektakel te construeren dat de symbolische orde van de bunker kan bestrijden (en hopelijk overweldigen)”.

De noodzaak om na te denken over nieuwe vormen van verzet is des te belangrijker omdat nog lang niet duidelijk is wat er op dit ogenblik allemaal wereldwijd aan het veranderen is op het gebied van identiteit, taal en macht door de constante uitbouw van internet en het gebruik van mobiele informatie- en communicatietechnologie, big data, het groeiende klimaatbewustzijn, ontwikkelingen in de biotechnologie en artificiële intelligentie, de wildgroei aan surveillancetechnologie, en niet te vergeten, de crisis van het financiële kapitalisme en zijn mondiale just-in-time productieketens. Voor klassieke marxisten bepaalt de onderbouw de bovenbouw, het geheel van productiekrachten (productieverhoudingen, technologie) vormt de basis voor staat, politiek, cultuur, taal, subjectiviteit. Ja, maar weerstand is niet enkel een kwestie van ingrijpen in de productiekrachten opdat de context zou veranderen; weerstand vereist ook een beeld en een taal en een identiteit die het mogelijk maken te denken over hoe je de macht wil beïnvloeden, met welk doel.

Het is duidelijk dat vandaag weer eens – en scherper dan ooit – de desastreuze gevolgen zichtbaar zijn van de decennia lange afbraak onder het motto There is no such thing as society, en dat de herovering van het gemeengoed een prioriteit is. En ook wat je eigenlijk al lang wist wordt nu elke dag opnieuw bevestigd: als het om veiligheid gaat, zijn zorg en solidariteit veel belangrijker dan de druk om je zelf als individu zo goed mogelijk te positioneren op de markt van winst en verlies. In de populaire media en de verschillende politieke varianten van het sociaaldemocratisch denken gaat het dan al gauw over de terugkeer van ‘de staat’. Nu de vrije markt bewijst dat zij een pandemie als deze niet aankan, moet de staat weer optreden om de meubelen te redden. Maar is het zo simpel? Zijn er geen andere taal, geen andere subjectiviteiten denkbaar dan die van een nieuwe onderwerping aan de staat en ‘de economie’?

Het spel van oorlogsvoering en pacificatie kan je nooit winnen tegen de huidige (boven)statelijke constructies. Bovendien, als je zelf het product bent van onzichtbare biopolitieke processen, en als gouvernementalité zich voordoet als een opeenvolging van mediagebeurtenissen in de spektakelmaatschappij, dan verdwijnen ook de heftige tegenstellingen waarop radicale verandering is gebouwd. Natuurlijk zijn er nog steeds uitbuiting, repressie, honger, ellende, geweld en ontiegelijk veel schoften, maar hebben de revoluties en bijna-revoluties van de afgelopen eeuwen dat ooit fundamenteel veranderd?

Meer dan vijftig jaar geleden gaf Raoul Vaneigem een lesje in tactiek:

Een efficiënt hiërarchisch georganiseerd leger kan een oorlog winnen, maar niet een revolutie; een ongedisciplineerde bende kan geen van beide. [-] Hiërarchische organisatie en volledig gebrek aan discipline zijn allebei inefficiënt. In de klassieke oorlogsvoering is het inefficiëntie van de ene zijde die triomfeert over de inefficiëntie van de tegenstander door haar technische superioriteit. Maar in een revolutionaire oorlog overvalt de poëtische kracht van de rebellen de vijand bij verrassing, en zo ontneemt zij hem zijn enige voordeel, nl. het technologische. Zodra echter de guerrillero’s hun tactiek te vaak herhalen, leert de vijand om het spel toch volgens zijn regels te spelen, en zal een anti-guerrillacampagne alle kansen krijgen om de toch al ingehouden creativiteit van het volk te vernietigen of op zijn minst te blokkeren. [-] De revolutie kan niet gewonnen worden, noch door een opeenstapeling van kleine overwinningen, noch door een algemene frontale aanval.

Onderdrukking is niet langer meer gecentraliseerd, want onderdrukking is overal. Het positieve aspect hiervan is dit: iedereen begint te zien, in een toestand van bijna totaal isolement, dat men op de eerste plaats zichzelf zal moeten redden, dat men zichzelf zal moeten zien als het centrum, en dat het vanuit de eigen subjectiviteit is dat men een wereld zal moeten bouwen waar iedereen zich thuis voelt.

Geen egoïsme dus, een wereld waar iedereen zich thuis voelt, maar wel vertrekkend vanuit de eigen situatie. Als immers politieke antagonismen amper meer zijn dan gemediatiseerde spiegelbeelden van elkaar, rest er weinig anders dan tactieken van subversie of détournement in de zin van de Internationale situationniste.  Zo’n tactiek bestaat uit twee fasen. Eerst moet elk origineel en onafhankelijk element van het spektakel (discursief of niet) losgemaakt worden van zijn actuele betekenis en waarde, om te voorkomen dat de subversieve poging uiteindelijk toch maar leidt tot recuperatie door de dominante mechanismen van de spektakelmaatschappij. Vervolgens moet het dan lege element weer opgeladen worden met een nieuwe en frisse betekenis. In Berlijn worden nu dit soort acties overwogen of voorbereid, schrijft een lokale politicus in de taz. Niettegenstaande het samenscholingsverbod zouden duizenden mensen overal in de stad kunnen gaan joggen (dat mag wel, individueel), met een afgesproken dresscode, waarvan vooraf ruim bekend is gemaakt dat die staat voor een bepaald politiek protest. Of: als de voetpaden te smal blijken te zijn om met veel mensen tegelijk met een tussenafstand van anderhalve meter aan toegestane sport of beweging te doen, neem gecoördineerd de hele straat in.

Het zijn vormen van protest in tijden van beperking, maar is dit werkelijk een ingrijpen in biopolitieke macht-taal-subjectiviteitsprocessen, of zelfs maar in het wezen van de spektakelmaatschappij? Guy Debord, Vaneigems kompaan in de Internationale situationniste, merkte eens op dat het evident is dat geen enkel idee voorbij het bestaande spektakel kan leiden, maar slechts voorbij de bestaande ideeën over het spektakel:  “Car il est évident qu’aucune idée ne peut mener au delà du spectacle existant, mais seulement au delà des idées existantes sur le spectacle”. Als het alleen om ideeën en concepten gaat, als de constructie en de organisatie van de wereld uitsluitend discursief zijn, zal elk kritisch vertoog meewerken aan de constructie van de wereld die het beschrijft of bekritiseert. En dus blijft de vraag: maakt het feit dat een vertoog historisch en sociaal geconstrueerd is, het verzet dat je er van uit wil laten gaan noodzakelijk irrelevant?

Terug dus naar de biopolitiek. Preciado schrijft: “Si nous voulons résister à la soumission, nous devons muter, comme le virus.” Er is nood aan een nieuwe subjectiviteit, aan nieuwe strategieën van waarheid en verzet, aan het formuleren van nieuwe antagonismen die het mogelijk maken nieuwe talen te ontwikkelen om nieuwe gevechten om de macht te voeren. Een belangrijke stap is het opgeven van door nationale grenzen vastgestelde identiteiten en het opzetten van gedecentraliseerde netwerken van wederzijdse hulp. Niet van do ut des, maar uitwisseling van zorg en hulpbronnen op een wijze dat iedereen een motief heeft om naar eigen vermogen bij te dragen. En eigenlijk, als je goed doordenkt, en je houdt rekening met de interacties tussen subjectiviteit, taal en machtsprocessen, vereist dit een politieke transformatie waarin de hele planeet, zowel levend als inert, volop gerespecteerd wordt.

Tiens, hoor je daar echo’s van Latour of van de klimaatdiscussies? Beide moeten mogelijk zijn: initiatieven als het Parlement der dingen of de Ambassade van de Noordzee, die aantonen dat de mens niet de maat der dingen is en luisteren naar wat de ganse planeet te zeggen heeft, èn pogingen om nieuwe vertogen, nieuwe identiteiten, nieuwe machtsprocessen vorm te geven die kunnen bijdragen aan meer sociale rechtvaardigheid. Het een kan trouwens niet zonder het ander.

Gedichtentrein – Hamletmachine

Plots ontvang ik in mijn postvak twee berichten met als onderwerp Gedichtentrein. Zowel Luk als Leen stelt mij voor om mee te doen aan een soort kettingbrief of pyramide “om de stille kracht van gedichten mee te verspreiden – kies een gedicht, tekst of bezinning waar je een goede herinnering aan hebt of wanneer het wat moeilijk ging”.

Ik dacht meteen aan een van de eerste verzen van Hans Faverey, uit 1968, en dat is ook wat ik verzonden heb.

Stilstand

 in aanbouw, afbraak

in aanbouw. ‘Leegte,

 zo statig op haar stengel’;

land in zicht, geblinddoekt.

 

Ik kan er blijven naar kijken, ik hou nog steeds van Faverey zijn vroege werk.

Achteraf las ik de e-mails nog eens over, en toen drong de vermelding “tekst of bezinning” pas goed tot me door. Nu, als er een tekst of bezinning is die ik op gelijk welk moment kan oproepen, omdat die voor mij symbool staat voor een hele geschiedenis van denken en leven, is het deze:

Een spook waart door Europa – het spook van het communisme. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden, de paus en de tsaar, …

De eerste alinea van het Manifest der Communistische Partij, eerste editie 1848.

Voor mij is dat een opening van hetzelfde kaliber als

In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. …

Genesis, 1: 1-3

Of nog veel beter:

In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.

Johannes, 1: 1-3

God buiten beschouwing gelaten, is dit ook zowat mijn motto geworden: dingen bestaan pas door ze te benoemen.

Maar eigenlijk is de tekst die misschien wel het allermeest indruk ooit op mij heeft gemaakt, deze, die begint met:

Ik was Hamlet. Ik stond aan de kust en praatte met de branding BLABLA, in de rug de ruïnes van Europa. …

Even later volgt het fragment

HET EUROPA VAN DE VROUW

 Ik ben Ophelia. Die de stroom niet heeft gehouden. De vrouw aan de strop. De vrouw met de opengesneden polsaders. De vrouw met de overdosis OP DE LIPPEN SNEEUW De vrouw met het hoofd in het gasfornuis. Gisteren heb ik opgehouden me te doden. Ik ben alleen met mijn borsten mijn dijen mijn schoot. …

Enzovoort. Het is de vertaling door Sigrid Vinks & Jan Decorte van Die Hamletmaschine van Heiner Müller. Eigenlijk, vind ik, moet je de tekst in het Duits lezen of horen.

Ich war Hamlet. Ich stand an der Küste und redete mit der Brandung BLABLA, im Rücken die Ruinen von Europa.

 (…)

 Ich bin Ophelia. Die der Fluß nicht behalten hat. Die Frau am Strick Die Frau mit den aufgeschnittenen Pulsadern Die Frau mit der Überdosis AUF DEN LIPPEN SCHNEE Die Frau mit dem Kopf im Gasherd. Gestern habe ich aufgehört mich zu töten. Ich bin allein mit meinen Brüsten meinen Schenkeln meinem Schoß. Ich zertrümmre die Werkzeuge meiner Gefangenschaft den Stuhl den Tisch das Bett. Ich zerstöre das Schlachtfeld das mein Heim war. Ich reiße die Türen auf, damit der Wind herein kann und der Schrei der Welt. Ich zerschlage das Fenster. Mit meinen blutenden Händen zerreiße ich die Fotografien der Männer die ich geliebt habe und die mich gebraucht haben auf dem Bett auf dem Tisch auf dem Stuhl auf dem Boden. Ich lege Feuer an mein Gefängnis. Ich werfe meine Kleider in das Feuer. Ich grabe die Uhr aus meiner Brust die mein Herz war. Ich gehe auf die Straße, gekleidet in mein Blut.

 

In mijn lange leven heb ik wat voorstellingen gezien van de Hamletmachine. Ik was bijzonder enthousiast over die van Het Trojaanse Paard (Decorte & Vinks) in de Beursschouwburg 1981; de versie op het Holland Festival 1983 vond ik dan weer “pijnlijk in haar achterhaald avant-gardisme uit de jaren zeventig, dat niets toevoegde aan tekst noch teater”. Heiner Müller, die gestorven is in 1995, wordt vandaag amper nog gespeeld. Misschien heeft dat te maken met de achtergrond van zijn werk. Müller is steeds in de Duitse Democratische Republiek blijven werken en wonen – dat wil zeggen, zolang die nog bestond en niet opgeslorpt was door het huidige Duitsland – en veel van zijn werk was een zeer kritische benadering van het ‘reëel bestaand socialisme’. Nou ja, dat reëel bestaand socialisme bestaat niet meer, dus je zou kunnen zeggen dat Müllers werk ook achterhaald is.

Maar nu toevallig heeft Le monde diplomatique van maart 2020 het nog over hem in een kort boeksignalement. De auteur verwijst naar Müllers opvatting dat er veel oplossingen zijn, maar te weinig problemen, en dat het belangrijk is problemen uit te vinden of te zoeken en ze belangrijk te maken – de oplossingen vind je dan vanzelf wel, die vind je in alle vuilnisbakken. Doctrine moet je zo diep mogelijk begraven, zodat de honden ze niet kunnen vinden – en dat tot wanneer je ze weer kan opgraven en confronteren met een nieuwe werkelijkheid.

Zou het nu eens geen tijd worden om ze weer op te graven, vraagt Le monde diplomatique zich af.

Radicale subsidiariteit (2020)

Op grote schaal zijn tegenwoordig de politieke, economische en morele verwoestingen zichtbaar, die het neoliberalisme al sinds decennia teweegbrengt. Daarmee is er echter vernieuwde aandacht gegroeid voor het belang van de commons, les biens communs, beni communi, oftewel de gemeenschapsgoederen of het gemeengoed. En tegelijk zijn er ook nieuwe invullingen en benaderingen ontstaan van oude politieke theorieën als anarchisme of communisme.

Begin 2012 verschenen in druk twee bijdragen van me die op die vernieuwde belangstelling ingaan. Een ervan verscheen in het politiek-wetenschappelijke tijdschrift Res publica, in een themanummer over subsidiariteit. Dat stuk heb ik nu heel licht geredigeerd naar de vorm en met het oog op de begrijpelijkheid anno 2020; inhoudelijk is de tekst bijna tien jaar oud.

Voorafgaand een kort fragment uit de inleiding tot het themagedeelte:

“Graag willen we ten slotte de aandacht vestigen op het essay van de hand van Durieux over ‘radicale subsidiariteit’. Hoewel ook de wetenschappelijke artikelen aandacht hebben voor de ruimere context waarbinnen hun analyses gelden, wordt in dit essay een veel abstracter perspectief aangenomen. De auteur plaatst subsidiariteit in het kader van het wereldwijde neoliberalisme. Hij exploreert de mogelijkheden van radicale subsidiariteit als subversieve idee en organisatievorm, maar waarschuwt tegelijk voor de mogelijke recuperatie van dit principe door de dominante krachten van het Empire. In de goede traditie van het essay legt Durieux dwarsverbanden tussen soms erg verschillende politiek-filosofische tradities en tussen de abstracte politieke theorie en de concrete politieke praktijk, zoals die zich bijvoorbeeld voordoet in een dorp op de grens van de Belgische provincies Luik en Luxemburg.” (Ferdi De Ville en Jan Loisen, ‘Inleiding : Subsidiariteit in de EU en verder’, 35-36)

Uit de bewerkte tekst Radicale subsidiariteit (2020):

“… En toch lijken zich, wanneer het gaat om het bevorderen van het maatschappelijk goed, steeds meer initiatieven te ontplooien van onderuit, door betrokken burgers zelf, buiten de overheid en de markt. Ondersteund door zowat de hele politieke filosofie van de moderne tijd, is er wereldwijd een systeem gegroeid waarin alles maatschappelijks ofwel valt onder het exclusieve eigendomsrecht van het individu, ofwel onder dat van de soevereine staat. Langzaam is tussen het particulier bezit en de overheid een soort zero sum verhouding ontstaan, waarbij geen ruimte overblijft voor dat wat van iedereen is, omdat het van niemand is. Lucht, water, onderwijs, cultuur, veiligheid, ruimte, creativiteit … zijn zoveel als mogelijk tot economische waren gemaakt, en vervolgens, afhankelijk van de verwachte rendabiliteit, verdeeld tussen particuliere eigenaren en de overheid.  Maar schone lucht en water, onderwijs en cultuur, pleinen en bossen, mobiliteit, kennis of energie zijn gemeenschapsgoederen of -waarden, commons of biens communs, die belangrijk zijn voor iedereen in een samenleving. Zij zijn common goods omdat zij evident ter beschikking moeten staan van alle mensen, en hun waarde alleen maar kan uitgedrukt worden in termen van het gemis dat ontstaat wanneer zij niet meer ter beschikking staan.

Interessant daarbij is nu dat door de processen van globalisering en schaalvergroting van na de Tweede Wereldoorlog zowel de gemeenschapsgoederen zelf, als de soevereine overheden en de particuliere eigenaars de oude grenzen van de staatssoevereiniteit hebben overschreden. De private eigenaars zijn consortia, holdings en multinationals geworden, die wereldwijd opereren, en die amper nog aanspreekbaar zijn op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. En de manier waarop overheden – die verondersteld worden het algemeen belang te dienen –  kunnen beschikken over de maatschappelijke goederen die niet ‘vermarkt’ zijn wordt steeds meer bepaald door in wezen ondemocratische instellingen als de Europese Commissie, de Wereldbank, het IMF of de WHO. Maar ook de beni communi zijn grensoverschrijdend geworden: een schoon milieu, energiezekerheid, onderwijs, cultuur en mobiliteit zijn geen maatschappelijke goederen waarvan de relevantie en het belang bepaald worden door staatsgrenzen.

Dus openen zich nu nieuwe perspectieven voor het beheer van die maatschappelijke goederen. …”

En hier het volledige essay radicale subsidiariteit (2020)