Pacificatie

Lange tijd heb ik gedacht dat de Engelse term pacification in zwang kwam rond 1970, als een nog cynischer variant van ‘vredesproces’ – zoals in: het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen. Het was de periode toen duidelijk werd dat de Verenigde Staten de oorlog in Vietnam militair niet zouden winnen. Pacificatie werd het nieuwe doel, niet alleen maar de bevolking platbranden en -bombarderen, maar er ook hospitalen voor inrichten en gezondheidsvoorlichting verzorgen, hearts and minds winnen. In de ogen van de strategen van de RAND Corporation ging het om het creëren van een sociaal-politieke omgeving waarin “future insurgency would not flourish again”.

Later bleek dat het VSAmerikaanse concept nogal schatplichtig was aan de Franse koloniale ervaringen in Afrika in de 19de eeuw. In 1899 publiceerde een zekere generaal Galliéni, toen gouverneur van Madagascar, een handleiding met de titel Rapport d’ensemble sur la pacification, l’organisation et la colonisation de Madagascar. De beste manier om de nieuwe kolonie te pacificeren, zegt Galliéni, is de combinatie van geweld (force) en politiek, wat neerkomt op vernietiging en heropbouw (destruction en reconstruction).

L’emploi des colonnes a été trop souvent synonyme de destruction systématique des villages et des ressources de l’ennemi, parce qu’on assimile la guerre coloniale à la guerre d’Europe, dans laquelle le but à atteindre réside dans la ruine des forces principales de l’adversaire. – Aux colonies, il faut « ménager le pays et ses habitants, puisque celui-là est destiné à recevoir nos entreprises de colonisation future et que ceux-ci seront nos principaux agents et collaborateurs pour mener à bien ces entreprises. Chaque fois que les incidents de guerre obligent l’un de nos officiers coloniaux à agir contre un village ou un centre habité, il ne doit pas perdre de vue que son premier soin, la soumission des habitants obtenue, sera de reconstruire le village, d’y créer immédiatement un marché et d’y établir une école. Il doit donc éviter avec le plus grand soin toute destruction inutile … ». De tekst tussen aanhalingstekens bevat de instructies die hij aan zijn legeraanvoerders heeft gegeven.

Volgens Galliéni houdt pacification dus zeker niet de systematische verwoesting van dorpen in; dat is immers een benadering uit de Europese oorlogen, waar het er wel om gaat de belangrijkste krachten van de tegenstander te vernietigen. Maar wat lees ik nu in Hannah Arendts The Origins of Totalitarianism over de introductie van het concept ‘ras’ in de negentiende-eeuwse koloniale politiek (dat is ook de aanleiding voor dit stukje):

This (…) resulted in the most terrible massacres in recent history, the Boers’ extermination of Hottentot tribes, the wild murdering by Carl Peters in German Southeast Africa, the decimation of the peaceful Congo population – from 20 to 40 million reduced to 8 million people; and finally, perhaps worst of all, it resulted in the triumphant introduction of such means of pacification into ordinary, respectable foreign policies.

Is Arendt hier sarcastisch, of beschouwt ze de genocides en massamoorden die zij vermeldt – en afkeurt – als betreurenswaardige, maar, nou ja, bestaande methoden van pacificatie? Tja, het is ook een manier om vrede te bereiken: roei de tegenstand gewoon uit. Als je het zo bekijkt, zijn de massamoorden die het regime van Bashar al-Assad en het Russische leger in Syrië uitvoeren ook een vorm van vrede brengen.

Gedichtentrein – Hamletmachine

Plots ontvang ik in mijn postvak twee berichten met als onderwerp Gedichtentrein. Zowel Luk als Leen stelt mij voor om mee te doen aan een soort kettingbrief of pyramide “om de stille kracht van gedichten mee te verspreiden – kies een gedicht, tekst of bezinning waar je een goede herinnering aan hebt of wanneer het wat moeilijk ging”.

Ik dacht meteen aan een van de eerste verzen van Hans Faverey, uit 1968, en dat is ook wat ik verzonden heb.

Stilstand

 in aanbouw, afbraak

in aanbouw. ‘Leegte,

 zo statig op haar stengel’;

land in zicht, geblinddoekt.

 

Ik kan er blijven naar kijken, ik hou nog steeds van Faverey zijn vroege werk.

Achteraf las ik de e-mails nog eens over, en toen drong de vermelding “tekst of bezinning” pas goed tot me door. Nu, als er een tekst of bezinning is die ik op gelijk welk moment kan oproepen, omdat die voor mij symbool staat voor een hele geschiedenis van denken en leven, is het deze:

Een spook waart door Europa – het spook van het communisme. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden, de paus en de tsaar, …

De eerste alinea van het Manifest der Communistische Partij, eerste editie 1848.

Voor mij is dat een opening van hetzelfde kaliber als

In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. …

Genesis, 1: 1-3

 

Maar eigenlijk is de tekst die misschien wel het allermeest indruk ooit op mij heeft gemaakt, deze, die begint met:

Ik was Hamlet. Ik stond aan de kust en praatte met de branding BLABLA, in de rug de ruïnes van Europa. …

Even later volgt het fragment

HET EUROPA VAN DE VROUW

 Ik ben Ophelia. Die de stroom niet heeft gehouden. De vrouw aan de strop. De vrouw met de opengesneden polsaders. De vrouw met de overdosis OP DE LIPPEN SNEEUW De vrouw met het hoofd in het gasfornuis. Gisteren heb ik opgehouden me te doden. Ik ben alleen met mijn borsten mijn dijen mijn schoot. …

Enzovoort. Het is de vertaling door Sigrid Vinks & Jan Decorte van Die Hamletmaschine van Heiner Müller. Eigenlijk, vind ik, moet je de tekst in het Duits lezen of horen.

Ich war Hamlet. Ich stand an der Küste und redete mit der Brandung BLABLA, im Rücken die Ruinen von Europa.

 (…)

 Ich bin Ophelia. Die der Fluß nicht behalten hat. Die Frau am Strick Die Frau mit den aufgeschnittenen Pulsadern Die Frau mit der Überdosis AUF DEN LIPPEN SCHNEE Die Frau mit dem Kopf im Gasherd. Gestern habe ich aufgehört mich zu töten. Ich bin allein mit meinen Brüsten meinen Schenkeln meinem Schoß. Ich zertrümmre die Werkzeuge meiner Gefangenschaft den Stuhl den Tisch das Bett. Ich zerstöre das Schlachtfeld das mein Heim war. Ich reiße die Türen auf, damit der Wind herein kann und der Schrei der Welt. Ich zerschlage das Fenster. Mit meinen blutenden Händen zerreiße ich die Fotografien der Männer die ich geliebt habe und die mich gebraucht haben auf dem Bett auf dem Tisch auf dem Stuhl auf dem Boden. Ich lege Feuer an mein Gefängnis. Ich werfe meine Kleider in das Feuer. Ich grabe die Uhr aus meiner Brust die mein Herz war. Ich gehe auf die Straße, gekleidet in mein Blut.

 

In mijn lange leven heb ik wat voorstellingen gezien van de Hamletmachine. Ik was bijzonder enthousiast over die van Het Trojaanse Paard (Decorte & Vinks) in de Beursschouwburg 1981; de versie op het Holland Festival 1983 vond ik dan weer “pijnlijk in haar achterhaald avant-gardisme uit de jaren zeventig, dat niets toevoegde aan tekst noch teater”. Heiner Müller, die gestorven is in 1995, wordt vandaag amper nog gespeeld. Misschien heeft dat te maken met de achtergrond van zijn werk. Müller is steeds in de Duitse Democratische Republiek blijven werken en wonen – dat wil zeggen, zolang die nog bestond en niet opgeslorpt was door het huidige Duitsland – en veel van zijn werk was een zeer kritische benadering van het ‘reëel bestaand socialisme’. Nou ja, dat reëel bestaand socialisme bestaat niet meer, dus je zou kunnen zeggen dat Müllers werk ook achterhaald is.

Maar nu toevallig heeft Le monde diplomatique van maart 2020 het nog over hem in een kort boeksignalement. De auteur verwijst naar Müllers opvatting dat er veel oplossingen zijn, maar te weinig problemen, en dat het belangrijk is problemen uit te vinden of te zoeken en ze belangrijk te maken – de oplossingen vind je dan vanzelf wel, die vind je in alle vuilnisbakken. Doctrine moet je zo diep mogelijk begraven, zodat de honden ze niet kunnen vinden – en dat tot wanneer je ze weer kan opgraven en confronteren met een nieuwe werkelijkheid.

Zou het nu eens geen tijd worden om ze weer op te graven, vraagt Le monde diplomatique zich af.

On/over/sur rivers & lakes – rivieren & meren – rivières & lacs (2020)

Rivers & lakes is about thinking a better life. A life, good to yourself and to others, without causing damage – to humans, animals, plants, nature, air and earth, rivers and lakes. A life, aimed at autonomy for all, at everyone’s opportunity to be their own reason, at pursuing what you want to be or what you think is important.

Aiming at autonomy includes resisting the unwanted control by others. Today people are submitted to a wide variety of control mechanisms of which the state is only one. In the affluent Western world the main technology of control consists of the permanent indoctrination by the ideology of liberal freedom, the freedom to compete for the best positions on the market of profit and loss.  Control is not concentrated in one centre of power; it is scattered and pluriform.

Opposite to that stands the idea of libertarian freedom: the freedom to be. Resistance is therefore rather molecular than monolithic, rather intricate and diffuse than massively frontal. Against the exploitation and repression by which a minority affirms itself at the cost of a submitted majority, communist-libertarian ethics require the struggle for power – not necessarily or in the first place to weaken the strong (although that might well be unavoidable), but rather to strengthen the weak.

The way you consider the world is heavily influenced by the material context in which you find yourself. But thinking about a better life also requires better ways of watching, thinking and talking. The acknowledgement of the complexity of everyday life – phenomena seen as events or situations, in which the observer is an essential part of the process – is a precondition to truly thinking and talking about a better life. The language and the metaphors by which you describe the world suggest the problems you will be able to define and the solutions you might want to construct. Language is not neutral. The battle for autonomy takes place as well on the field of material life as on the one of representation.

When you want to reflect on a better life, complexity, language, autonomy, control and resistance are closely intertwined. This is the main theme of rivers & lakes.

Rivieren & meren gaat over het denken van een beter leven. Een leven dat goed is voor jezelf en voor anderen, zonder schade te berokkenen – aan mens, dier, plant, natuur, lucht en aarde, rivieren en meren. Een leven, gericht op autonomie voor iedereen, op ieders kans om het eigen doel te zijn, om na te streven wat je zelf wil zijn of belangrijk vindt.

Streven naar autonomie betekent ook zich verzetten tegen de ongewenste controle door anderen. Mensen worden vandaag onderworpen aan een grote diversiteit van controlemechanismen, waarvan de staat er maar één is. De belangrijkste controletechnologie in het rijke Westen is de permanente  indoctrinatie met een ideologie van liberale vrijheid, de vrijheid om te concurreren voor de beste plaatsen op de markt van winst en verlies. Controle is niet gelokaliseerd in één machtscentrum, maar verspreid en veelvormig.

Daar tegenover staat de idee van libertaire vrijheid: de vrijheid om te zijn. Weerstand en verzet zijn dan ook eerder moleculair dan monolithisch, eerder fijnmazig en diffuus dan massaal frontaal. Tegenover de uitbuiting en onderdrukking waardoor een minderheid zich kan realiseren ten koste van een onderworpen meerderheid, plaatst een libertair-communistische ethiek de strijd om de macht – niet noodzakelijk of in de eerste plaats om de sterken te verzwakken (al is dat vaak onvermijdelijk), maar eerder om de zwakken te versterken.

De manier waarop je de wereld ziet, wordt in belangrijke mate bepaald door de materiële context waarin je je bevindt. Maar denken over een beter leven vereist ook een betere manier van kijken, denken en praten. Het erkennen van de complexiteit van de alledaagse sociale werkelijkheid – verschijnselen zien als gebeurtenissen of situaties, waarbij de beschouwer wezenlijk deel uitmaakt van het proces – is een noodzakelijke voorwaarde om werkelijk over een beter leven te kunnen denken en praten. De taal en de metaforen waarin je de werkelijkheid omschrijft geven aan wat je als problemen kan definiëren en hoe je oplossingen kan construeren. Taal is niet neutraal. De strijd voor autonomie speelt zich af zowel op het terrein van het materiële leven, als op dat van de representatie.

Wanneer je wil nadenken over een beter leven, zijn complexiteit, taal, autonomie, controle en verzet niet los te denken van elkaar. Dat is het thema van rivieren & meren.

Rivières & lacs traite de la réflexion sur une meilleure vie. Une bonne vie pour soi-même et pour les autres, sans causer des dommages, que ce soit aux humains, aux animaux, plantes, air et terre, rivières et lacs. Une vie, visant à l’autonomie pour tous, à la capacité à être pour soi sa propre fin, à poursuivre ce que l’on désire être ou atteindre.

Poursuivre son autonomie signifie aussi s’opposer au contrôle indésirable imposé par d’autres. Aujourd’hui les gens sont soumis à une grande diversité de mécanismes de contrôle, dont l’état n’en est qu’un seul. Dans le riche Occident la technologie de contrôle la plus importante consiste en l’endoctrinement permanent d’une idéologie de liberté libérale, la liberté de compétition pour les meilleurs places sur le marché de pertes et profits. Le contrôle n’est pas concentré dans un centre de pouvoir, mais se présente dispersé et multiforme.

A l’opposé se trouve l’idée de liberté libertaire : la liberté d’être. La résistance et l’opposition se font alors plutôt moléculaires que monolithiques, plutôt plurielles et diffuses que massivement frontales. Face à l’exploitation et la répression par lesquelles une minorité se maintient au détriment d’une majorité assujettie,  une éthique communiste libertaire affirme la lutte de pouvoir – moins dans le but d’affaiblir les plus forts (bien que ce soit souvent inévitable) que de renforcer les faibles.

Pour une bonne part la façon dont on voit le monde est déterminée par le contexte matériel dans lequel on se trouve. Mais réfléchir sur un monde meilleur a aussi à faire avec une meilleure manière de regarder, de penser et de parler. La conscience de la complexité de la réalité sociale quotidienne – considérer les phénomènes en tant qu’événements ou situations dans lesquels l’observateur fait partie essentielle du procès – est une condition préalable à pouvoir vraiment réfléchir et communiquer sur une meilleure vie. Le langage et les métaphores que l’on emploie pour décrire la réalité déterminent ce que l’on peut définir comme problème et suggèrent comment on pourrait construire des solutions. La langue n’est pas neutre. La lutte pour l’autonomie se joue aussi bien sur le terrain de la vie matérielle que sur celui de la représentation.

Si l’on veut penser une meilleure vie, on ne peut dissocier complexité, langage, autonomie, contrôle et résistance. Voilà le thème de rivières & lacs.

Malapropisme

Bij toeval een oud blogje van me, uit 2006, teruggevonden – en wie prijkt daar al?

Kees Vendriks (die van het volplempen) met het malapropisme ’Ik sta met mijn oren te fluiten’; even later is voor hem ’de kous afgedaan’.

Nog uit die tijd:

Bij de plechtige opening noemt toenmalig Antwerps schepen van Cultuur Philip Heylen het nieuwe stadsarchief in het Felixpakhuis “het kloppend hart van het geheugen van Antwerpen”.

De directeur van De Brakke Grond, Leen Laconte, schrijft trots bij de vijfentwintigste verjaardag van het cultuurcentrum: “Met volle borst vooruit positioneert het zich …”

En nu een recente:

Aukje van Roessel in De groene Amsterdammer, 7 november 2019: “Of zou de betrokkenheid van burgers er ook nog toe kunnen leiden dat de natuur en het klimaat een tandje lager moeten zingen?”

Geen leedvermaak; het kan iedereen overkomen.

Paralipse

(Nederlandse versie op http://durieux.eu/blog/paralipsis)

Ce dont je ne veux pas parler ici est la longue durée d’inactivité sur mes sites web. Sur durieux.eu la dernière contribution, le long essai hoe (een) intellectueel zijn? date déjà du 10 juin. Et sur rivieren & meren – rivières & lacs – rivers & lakes le dernier article a exactement trois mois, mais en fait Het kind en de zee zijn van zichzelf n’était rien de plus qu’une annonce à peine agrémentée d’un événement organisé par des tiers.

Peu importe comment on en est venu là. Je ne m’interroge pas sur le pourquoi. Demander le pourquoi est comme aller à la recherche d’une raison, et une raison implique une intention ou un objectif. Souvent les intentions et les objectifs ne sont point à découvrir ; ce que l’on peut détecter au contraire est comment les choses ou les situations sont devenues telles qu’elles se présentent aujourd’hui. Mais sur ce sujet, je ne veux pas m’étendre, c’est-à-dire sur l’impact des déménagements de l’année passée. Je ne gaspillerai pas de l’espace pour décrire toute l’énergie investie dans le ménage d’une archive de décennies, dans la recherche d’instances qui veulent reprendre les parties précieuses, dans la réduction nécessaire de ma bibliothèque jusque presque la moitié. Tôt ou tard, tout cela aurait dû arriver, et maintenant que je pouvais encore l’organiser moi-même, je pouvais ainsi éviter qu’un jour mes proches s’en débarrassent sans scrupules.

Cela n’a pas de sens non plus d’aborder la déprime causée par le déménagement des Ardennes belges, de la maison au petit parc où j’ai vécu avec plaisir pendant presque dix ans. Ni le fait que je venais de me retrouver en Flandre, la région que je voulais quitter il y a dix ans à cause du nationalisme, de la xénophobie et des tendances fascistoïdes dans la politique et les média – une autre circonstance qui ne contribuait pas à reprendre l’écriture avec beaucoup d’énergie. Dorénavant j’habite un bel et agréable appartement avec vue et au bord de l’eau, mais cela non plus, je veux l’aborder ici.

Il ne faut pas sous-estimer la situation de se trouver pendant plus d’un an dans un mode de déménagement. Et constater que tout ce qui se présentait il y a dix ans comme une menace politique est devenu entretemps la réalité dominante à l’endroit où tu vis, cela ne te rend pas vraiment joyeux non plus. Il m’a fallu donc quelque temps pour me convaincre que je devais reprendre le fil de mes sites, que cela pourrait avoir du sens d’écrire – de préférence régulièrement – si ce n’est parce qu’il pourrait y avoir des gens qui sont intéressées, du moins pour me stimuler moi-même à formuler mes idées et à les exprimer avec plus ou moins de cohérence.

Mais en réalité ce petit article-ci ne s’agit surtout pas de tout cela. Ce dont je voulais parler vraiment est de la paralipse. La paralipse est cette figure rhétorique qui consiste à dire que l’on ne va pas parler de tout ce que l’on va dire par après. « Je ne voudrais pas dire que tout cela soient des conneries, mais quand-même, si vous vous souvenez de … »

En fin de compte ce petit texte ne traite pas non plus de paralipse. Ce n’est qu’un exercice et une tentative à reprendre la routine de l’écriture.

« Het klimaat redden »

Version française sur http://durieux.eu/content/sauver-le-climat

Dit essay gaat over klimaatacties en taal, over transitie en de woorden die daarvoor gebruikt worden. Het gaat over wat klimaatmanifestanten zeggen, en wat dat betekent. En het gaat over noodzaak van een rechtvaardig klimaatbeleid.

Ik herinner mij een interview van niet zo lang geleden met een Canadees of een Brit, dat ben ik kwijt, die de lof zong van Milaan. Geweldige stad, vond hij, er was maar één groot nadeel aan: dat je niet altijd en overal in het Engels terecht kon. Nee, dan Amsterdam; daar had hij meer dan tien jaar gewoond en gewerkt, zonder dat hij ooit één woord Nederlands had hoeven leren.

Vreemd vind ik dat, iemand die er prat op gaat dat hij ergens meer dan tien jaar geleefd heeft, zonder zelfs maar de moeite te doen om enigszins in de lokale taal te communiceren. Anderzijds, Amsterdam – of voor mijn part, Brussel – is een stad waar mensen van over de hele wereld samen komen: inwoners en nieuwkomers, studenten, internationale ambtenaren, arbeiders en zakenmensen, kortom de menselijke vertegenwoordigers van de globaliseringsprocessen van de afgelopen decennia. Daar is geen evidente band meer tussen de stad en de taal die er gesproken wordt. Sommige steden krijgen bijna in hun geheel het karakter van een non-lieu, een plek zonder kenmerken, een neutraal en smaakloos oord, zoals een luchthaven, een treinstation of een winkelcentrum. Het Engels dat blijkbaar bij die plekken hoort is dan ook geen echt Engels; het is een code voor alle niet-Engelstaligen. Ik herinner mij Erasmus-uitwisselingen waarbij Nederlandse, Duitse, Italiaanse en Spaanse studenten en docenten met elkaar konden communiceren in een soort approximatief Engels dat de Britse deelnemers amper begrepen, terwijl zij zelf voor de anderen vrijwel niet te volgen waren in de radde lokale versie van hun native language.

Ik vraag mij af of het bewuste gebruik van dit soort steenkoolengels een daad is van onbeholpenheid of van zelfbewustzijn. Elke dag, wanneer ik mijn tablet open, word ik geconfronteerd met de slogan In search of incredible. In de krant zag ik dagenlang een auto-advertentie van een halve pagina met de ongetwijfeld wervende tekst We are all made of wild. Is dit geklungel, of juist een uitdrukking van ‘het maakt niet uit dat het alleen maar wat lijkt op Engels, het publiek snapt best wat er bedoeld wordt’? Maar hoe dan ook betekent het dat de lezers van de verder geheel Franstalige krant toegeschreeuwd worden in nep-Engels. (Nou ja, geheel Franstalig? Je vindt er ook koppen als ‘Ces labels qui boostent les produits du terroir’.) Vroeger had je dit een uiting van Angelsaksisch cultuurimperialisme genoemd. Vandaag hoor je vaker dat dit luchthaven- en winkelcentra-Engels de lingua franca is van de geglobaliseerde, kapitalistische wereld. (Ik ben benieuwd wat er op dat vlak gaat gebeuren als binnenkort het wereldwijde kapitalisme niet meer aangestuurd wordt vanuit de VS, maar vanuit China.)

De vraag die je je stelt als je je wil verzetten tegen het vanuit de VS aangestuurde cultuurimperialisme is dan: moet je die voertaal van het wereldwijde kapitalisme afwijzen (zoals Le monde diplomatique probeert te doen), of is het juist subversief om – binnen zekere marges van begrijpelijkheid – een  geheel eigen variant van het Engels te ontwikkelen? De aloude kwestie: bepaalt het medium wat je kan zeggen, of kan je bestaande taal zo plooien en breken dat ze je hoogstpersoonlijke eigen medium wordt? De creolisering van straattalen in de West-Europese steden lijkt op het laatste te wijzen.

Ik moest denken aan dit alles, toen ik weer een serie foto’s zag van scholieren die in België demonstreerden om ‘het klimaat te redden’. In wat voor (meng)taal dan ook, slogans getuigen vaak van een creativiteit waarin moedertaal en wereld-Engels door elkaar gehusseld worden: Arrête de niquer ta merEat pussy, not cows en Eat dick, not microplastic – Phoque le réchauffement climatique  (met tekening van zeehond) – There is no planète B – Change the politics, not the climate – 15 mars 2019 Global Strike for Future. Voor jongeren, die dit soort mengtaal evident vinden, is het begrip cultuurimperialisme waarschijnlijk compleet irrelevant, indien niet totaal onbekend.

In de media die ik zie, kunnen de spijbelende scholieren op veel begrip en sympathie rekenen. De président-directeur général van Walt Disney Company France verklaart zonder een merkbaar spoor van ironie: ‘Et puis, les enfants qui descendent en ce moment dans la rue, j’ai presque envie de les appeler la génération Disneynature‘ (Le Soir, 19 maart 2019). Zelfs een overwegend kritische commentator als Paul Goossens kan het niet laten zijn zaterdagse column in De Standaard zo te besluiten: “De klimaatmarsen en het engagement van zoveel assertief jong volk voor de toekomst van de aarde is het mooiste geschenk dat dit land zich kon dromen. Een unieke hefboom bovendien om een duurzame samenleving voor het nieuwe millennium op te tuigen. Niet alleen in Vlaanderen, België of Europa, maar op de hele planeet. Eindelijk treedt er een generatie aan die ver in de toekomst kan durft te kijken. Die blik moeten we koesteren, omarmen en delen.”

OK, ik wil geen cynische ouwe zeur zijn: het is geweldig dat pubers zich inzetten voor het goede doel. En de kick van het spijbelen, de lol van het samen actie voeren, het genoegen om met je grappige slogans de media te halen, … wat is er mooier dan de combinatie van engagement en plezier? Strijden voor een betere wereld maakt dat je jezelf ook beter voelt.

Maar hoezo, het goede doel, een betere wereld, de planeet redden? Hoe dan? De meeste jongeren die in de media aan het woord komen blijven herhalen dat de hele klimaatbeweging niet politiek is, maar tegelijk willen zij wel dat ‘de politiek’ actie onderneemt en dat er een krachtdadiger klimaatpolitiek komt. Dit ‘apolitieke’ beroep op ‘de politiek’ opent natuurlijk wagenwijd de deuren voor recuperatie door het bedrijfsleven. Als de Belgische regeringen (de politiek) oor hebben voor één groep in de samenleving, dan is het wel voor het bedrijfsleven (apolitiek, naar eigen zeggen). En zij die de regels maken hebben er alle belang bij elk mogelijk conflict te minimaliseren, sterker nog, ondenkbaar te maken. Wil je niet dat je belangen aangevochten worden, ontken dan gewoon dat strijd of conflict een optie is. Het is dus niet te verwonderen dat plots de bedrijfsleiders van een aantal grote ondernemingen (Unilever, Delhaize, Umicore, Proximus, Colruyt, …), samen met mediaholdings en reclamebureaus een eigen ‘apolitiek’ initiatief lanceerden: Sign for my future. Apolitiek, want zij eisen wel steun van de staat voor hun ‘transitie’, maar tegelijk worden de belangen of de rol van hun bedrijven in de productie van vervuiling niet in vraag gesteld. De Standaard kondigde meteen een drie pagina’s lang interview met de ceo van Unilever Belux aan met het kopje ‘Hoe Unilever de planeet wil redden’. Greenwashing heet dat: je een groen imago aanmeten, zonder wat te doen aan je eigen vervuilende activiteiten of investeringen. Hoe serieus kan je het engagement nemen van de bedrijfsleiding van BNP Paribas Fortis en KBC (met gigantische investeringen in de ontginning van fossiele energiebronnen), JCDecaux (wereldwijde publiciteit voor nog meer consumptie), EDF Luminus (verwoesting van wouden voor de constructie van windturbineterreinen), KPMG (mondiaal adviseur inzake belastingontduiking)?

Hoewel de klimaatmanifestaties dus als niet-politiek worden voorgesteld verwacht men wel dat ‘de overheid’ (en dat zijn er alleen al in België nogal wat) of ‘de politiek’ oplossingen aandraagt. « En attendant que la classe politique se bouge … Nous sortirons de nos classes » . De politieke klasse moet in beweging komen – om wat te doen? Wat altijd terugkeert in de media-optredens van de jonge demonstranten is: ze zijn bang. Bang van wat? Bang voor wat? Dat is niet altijd duidelijk. Bang dat bij een stijgende zeespiegel het water over de dijken slaat? Bang dat door de toenemende en langdurige droogte de bossen en hun biodiversiteit verdwijnen? Bang dat orkanen, verwoestijning en hongersnood nog meer mensen op de vlucht zullen drijven naar Europa?

Als dat het is wat angst oproept, dan gaat het niet om ‘natuurlijke’ fenomenen, maar om het resultaat van politiek handelen. De keuzes die je moet maken (als individu, burger of overheid), zowel om de uitstoot van broeikasgassen radicaal te verminderen, als om de impact van klimaatverandering onder controle te houden, zijn politieke beslissingen. Een benadering die de politieke aspecten van het probleem verdoezelt, versterkt de positie van zij die het nu voor het zeggen hebben en verhult de mogelijkheid om systeemveranderingen door te drukken. Neem het voorbeeld van de klimaatvluchtelingen, zij voor wie de gevolgen van klimaatverandering het leven onmogelijk maken. Niet alleen zijn hongersnoden vaak het product van politiek-economische beslissingen (de zwaar gesubsidieerde invoer van Europese voedseloverschotten, die de lokale landbouw onrendabel maakt; de verdrijving van boeren en herders om op hun gronden gigantische zonnepaneelvelden aan te leggen; het afleiden van bronnen en watervoorraden naar afgesloten enclaves van kolonisten; enorme trawlers die op industriële wijze de visbestanden voor de kust leegroven ten nadele van de plaatselijke vissers), een apolitieke benadering verhult ook dat de wereld wel voldoende voedsel produceert voor iedereen, maar dat het zo ongelijk verdeeld wordt dat honderden miljoenen honger lijden. Zelfs de gevolgen van overstromingen of orkanen zijn in belangrijke mate het resultaat van politieke beslissingen (zie de gevolgen van de aardbeving en de  tsunami bij Fukushima, maart 2011; zie de verschillende gevolgen van orkaan Irma in Cuba of in de VS, 2017). De aard en de intensiteit van klimaatverandering wordt weliswaar bepaald door het niveau van CO2 in de atmosfeer, maar de gevolgen daarvan voor de aarde en haar menselijke en niet-menselijke bewoners zijn in belangrijke mate afhankelijk van machtsstructuren en politieke beslissingen. De Europese keuze om vluchtelingen voor de klimaatverandering op te vangen door van de hele Méditerranée een gigantische dodenakker te maken, is daarvan slechts een extreme uiting.

Wat betreft de aanpak van de oorzaken van klimaatverandering, zijn de overheid of ‘de politiek’ slechts de instrumenten, de uitvoerders en facilitators van de verlangens van het bedrijfsleven en zijn aandeelhouders. Dat geldt overigens niet alleen wanneer het gaat om vervuilende sectoren als de autonijverheid, de luchtvaart of de logistieke sector. Een mooi voorbeeld uit Nederland. Een lobby van vastgoedondernemers en autosportfanaten is erin geslaagd het circuit van Zandvoort weer open te stellen voor Formule 1 races. De gemeente wil zelf vier miljoen euro investeren, en verwacht van de provincie en het rijk een zelfde bedrag. Over de verkeersoverlast die de toestroom van toeschouwers zou veroorzaken, zegt de burgemeester: “Ze kunnen ook met de fiets komen.” En net zo goed wanneer het gaat om de industrieën van de hernieuwbare energie, of het nu in Frankrijk, Nederland, Wallonië of Vlaanderen is, rollen overheden overal de rode loper uit voor de promotoren van windenergie – bedrijven als Engie Electrabel of EDF Luminus, dezelfde dus die belangrijke winsten halen in de zo vermaledijde nucleaire sector. Ruime overheidssubsidies, betaald met belastinggeld; vernietiging van natuur, bossen en landschappen (wat had zo’n neergemaaid bos niet kunnen betekenen voor de verwerking van CO2-uitstoot?); administratieve beroepsprocedures die herschreven worden zodat burgers zich amper nog kunnen verzetten tegen de plannen van de energiebedrijven. Natuurlijk is het aan overheden of de politiek om regels vast te leggen en te handhaven tegen de verdere verontreiniging en afbraak van het leefmilieu – zolang het maar geen afbreuk doet aan de winst van de bedrijven en hun aandeelhouders. Die eisen zelfs dat de overheid, dus de belastingbetaler, hun ‘transitie’ financieel ondersteunt (zie de windenergiepromotoren, zie Sign for my future). Met andere woorden, verwachten dat de overheid (‘de politiek’) met concrete en effectieve klimaatplannen komt, betekent niet anders dan vragen of je je belastinggeld mag dragen naar de bedrijven die de ‘transitie’ zien als een winstkans voor hun aandeelhouders, die eerst volop profijt gehaald hebben uit de vernietiging van het leefmilieu.

Bedrijven zouden niet zo’n nefaste invloed kunnen hebben op het klimaat, als er niet consumenten waren die op grote schaal gebruik maken van de vervuilende en vervuilde diensten en goederen die zij aanbieden. Met vervuilend bedoel ik dat de productie van die goederen en diensten, inclusief de afvalverwerking, schadelijke gevolgen heeft voor het leefmilieu, zowel voor mensen, als voor dieren, planten, aarde, zeeën en lucht. Maar consumenten zijn ook verantwoordelijk voor de aanschaf van vervuilde goederen en diensten, producten die de vrucht zijn van de uitbuiting van kinderen, mannen, vrouwen, de vernieling van land en water en habitat in min of meer verre landen. Het recente WWF-rapport over de Belgische bijdrage aan de internationale ontbossing wijst erop dat de Belgische consumptie van vlees, leer, cacao, palmolie, papier en papierpulp, natuurlijk rubber en hout jaarlijks verantwoordelijk is voor de vernietiging van 3,8 miljoen hectare bos, oftewel 1,2 maal de oppervlakte van het land of vijf keer de oppervlakte van de Belgische wouden. Je kan je afvragen wiens toekomst de manifestanten voor het klimaat hopen te vrijwaren: die van de miljoenenbevolking op de oevers van de Mekongrivier die bedreigd wordt door de aanleg van waterkrachtcentrales, of die van een met overstroming bedreigd Polynesisch eiland, of hun eigen toekomst, nu het er op lijkt dat die misschien minder overvloedig en comfortabel zal zijn?

In Nederland, België en Frankrijk zijn er groenen die zeggen dat zij ‘de tegenstelling tussen links en rechts voorbij’ zijn. De bezorgdheid voor ‘het milieu’ moet tegenstellingen tussen arm en rijk, tussen uitbuiter en uitgebuite, kortom sociale strijd, overstijgen. Maar helaas voor hen, al jaren tonen talloze studies aan dat de uitbuiting en verdrijving van lokale bevolkingen, en de vernietiging van hun lokale productiemiddelen directe en indirecte gevolgen hebben voor het wereldwijde leefmilieu. Je hoeft maar te denken aan vissers in Afrika, de sojateelt in Zuid-Amerika, de slums waarin de verpauperde bevolking leeft die in Azië, Afrika, maar ook Oost-Europa de kleding, het speelgoed, de elektronica assembleert waarvoor de westerse consumenten staan te dringen, en niet alleen bij Primark en Action. Kortom, in plaats van alle heil te verwachten van de overheid, zouden klimaatmanifestanten ook eens hun eigen consumptiegedrag bij Ryanair, Albert Heijn of de goedkoopste aanbieder van wat dan ook onder de loep kunnen nemen.

Want de klimaatactivist heeft zeker wel macht – en verantwoordelijkheid – als consument. In die zin ben ik het niet helemaal eens met de Franse journalist Jean-Baptiste Malet. In Solidair zegt hij: “We moeten onszelf geen schuldgevoel aanpraten omdat we een gsm hebben of omdat we kleren dragen die gemaakt zijn door uitgebuite werkkrachten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik voor cynisme pleit of dat ik onverschillig sta tegenover die uitbuiting, integendeel. Maar ik verwerp de burgerlijke houding die ons vertelt dat we “ethisch” moeten kopen om de wereld te veranderen, dat we allemaal individueel correct moeten handelen.

Wanneer een interimarbeider zijn voedingsmiddelen koopt bij een discounter en de goedkoopste kleren draagt, of als jij en ik een gsm of een pc gebruiken om te communiceren of om te werken, dan vind ik niet dat we ons daar schuldig moeten over voelen. Wij moeten ons niet schuldig voelen over de productieverhoudingen van het kapitalisme.

En de reden is eenvoudig: wij hebben niet gekozen voor dat systeem. Het wordt ons opgelegd door de kapitalisten en de politieke klasse die hun belangen dient. Wij hebben geen schuld aan hun wandaden. (…) Deze drang naar deugdzaam consumeren is de eerste stap naar depolitisering van de maatschappij via consumptie.”

Wat niet wil zeggen dat Malet zich zomaar neerlegt bij de situatie. In hetzelfde interview verklaart hij ook: “We moeten ons er niet voor schamen dat we in een verwerpelijke wereld leven. We moeten de macht veroveren en verandering brengen. We moeten eerder diegenen die zich schuldig maken aan uitbuiting met de vinger wijzen, hen aanwijzen, hen benoemen, en zo onze maatschappij en haar geschiedenis verklaren, en de klassenverschillen.”

Maar de macht veroveren en verandering brengen, wat betekent dat? Wat houdt dat in? De macht, dat is niet (meer?) een monolithisch systeem, geconcentreerd op één plek, in één instantie. Het mondiale kapitalisme van vandaag wordt gekenmerkt door de inkapseling van contingentie (onvoorspelbaarheid), diversiteit, mobiliteit en flexibiliteit. Beheersing van dit systeem gebeurt niet noodzakelijk door brute machtsuitoefening en geweld, maar door alomtegenwoordige controle en ideologische beïnvloeding. In een neoliberaal maatschappijsysteem dat de economie depolitiseert, wordt de burger allereerst beschouwd als producent-en-consument, die in die hoedanigheid voortdurend – op school, door levenslang leren, door sociaal beleid, in de media, bij justitie – afgericht moet worden voor zijn/haar rol op de vrije markt.

Als de macht niet meer lokaliseerbaar is, maar diffuus, hoe dan die macht veroveren? Het is een illusie dat via alleen maar de weg van de parlementaire democratie duurzame omkering van sociale machtsverhoudingen of het einde van uitbuiting tot stand kan komen. Revoluties – voor zover al denkbaar in West-Europa – hebben, zo leert de geschiedenis, ook zelden of nooit tot duurzame rechtvaardigheid geleid. En ironisch genoeg, de houding van de hippies uit de jaren 1960 en ‘70, die je tegenwoordig min of meer herkent in ‘alternatieve’ leef- en productievormen aan of in de marge van het kapitalistische systeem biedt al evenmin een toevlucht. Patti Smiths rock ‘n’ roll nigger die zich terugtrekt “outside of society” staat al lang op de T-shirts voor toeristen in Christiania; jaren geleden al hebben we ontdekt dat elke subcultuur, elke identitaire minderheid tot een product kan worden gemaakt dat je op de markt kan brengen. Eenheidsworst verkoopt, maar diversiteit ook.

Als je de culturele hegemonie wil doorbreken (of tenminste doen barsten) van een denksysteem dat er van uitgaat dat ieder voor zichzelf naar maximale winst moet streven, dan moet je in ieder geval al het heersende vertoog op de korrel nemen en proberen te veranderen. De taal – de woorden – die je gebruikt onthult of verhult wat je werkelijk wil zeggen. Wanneer het zich in West-Europa afspeelt, is het bij de gevestigde media van “de politie moest tussenkomen om de rust te herstellen”. Maar wanneer het over Venezuela gaat, “slaan de ordetroepen een demonstratie van burgers neer”. Parler n’est jamais neutre, wist Luce Irigaray al.

Iedereen wil nu ‘het klimaat redden’. Maar het klimaat is niet iets wat gered kan worden. Het klimaat is wat het is, de gemiddelde weerstoestand in een bepaald gebied en over een langere periode (dertig jaar). Dat klimaat kan overwegend koud of warm zijn, droog of vochtig, of desnoods wisselvallig; het klimaat is de beschrijving van een toestand. Wie beweert dat hij of zij het klimaat wil redden, zegt zo maar wat zonder iets duidelijk te maken over verantwoordelijkheden, doelstellingen, strategieën of middelen.

Wie je wel zou kunnen redden, zijn de slachtoffers van het klimaat. Alle elementen voor wie ten gevolge van klimaatveranderingen gevaar dreigt, die zou je ter hulp kunnen komen. Desnoods noem je die elementen ‘klimaatslachtoffers’; het gaat dan zowel om mensen, als om dieren, zeeën, wouden, eilanden. Als je duidelijk maakt wie je wil ‘redden’, dan maak je meteen ook duidelijk wie verantwoordelijk is voor de situatie, wat er gebeurd is en wat er moet gebeuren om die gevaarlijke toestand te verhelpen, en wie de verantwoordelijkheid daarvoor moet opnemen. ‘Het klimaat redden’, daar kan iedereen zich in vinden: scholieren en hun ouders, EDF Luminus en Unilever, alle mogelijke regeringen en eigenaren die hun gronden te gelde willen maken bij promotoren van zonne- of windenergie. Maar als je aangeeft wie je wil redden, en van wat, dan komen er namen in beeld, en verantwoordelijkheden, en praktijken van uitbuiting en vernietiging. Dan moeten zowel bedrijven, als consumenten, burgers en overheden naar zichzelf kijken – en de consequenties dragen. Het is dan dat een ‘rechtvaardige transitie’ ter sprake komt, een sociaal rechtvaardige benadering waarin de bezorgdheid voor het milieu (de overgang naar een klimaatneutrale economie) samengaat met betere levensomstandigheden, op de eerste plaats voor de meest kwetsbare groepen in de samenleving. Of, zoals het in sommige media heet: het einde van de maand en het einde van de wereld met elkaar in evenwicht brengen.

LUnion_10nov2018 web klein

Bovendien, het zijn niet alleen zij die in precaire omstandigheden leven, die de ‘transitie’ dreigen te moeten ondergaan; het wordt tegenwoordig voor de gemakkelijkheid wel eens vergeten, maar de productie van hernieuwbare energie als kern van de mars naar een groene toekomst maakt ook zo zijn eigen nieuwe ‘klimaatslachtoffers’. En dan gaat het niet alleen om de slachtoffers die vallen bij en in de buurt van de ontginning van de grondstoffen – de openluchtmijnen voor de winning van zeldzame aardmetalen – die nodig zijn voor de productie van die ‘schone’ energiebronnen. Met enig cynisme zou je kunnen zeggen dat de Chinese milieuslachtoffers bij de ontginning van neodymium voor windturbines niet anders zijn dan de slachtoffers die in Congo vallen bij de winning van coltan voor de productie van mobiele telefoons. De redders van het klimaat weten best dat de acties die zij voorstaan slachtoffers maken – maar dat zijn zorgen voor later. Over de schade die windturbines op zee veroorzaken (aan fauna en flora, maar ook voor de vissers) zegt Jan Vande Putte van Greenpeace in Médor: « On va trop vite, c’est clair. Mais on ne peut plus attendre pour faire des études car le réchauffement climatique aura, lui, des conséquences bien plus dommageables. On doit avancer et minimiser ensuite ces effets. » Ook iemand uit een totaal andere hoek, fondsenbeheerder Etienne de Callataÿ, vindt in een moment van bezinning toch dat het voorkomen van nieuwe slachtoffers geen prioriteit is: “Comment aider les perdants de la transition? Mais cette réflexion ne doit pas freiner l’adoption des mesures. » (Le Soir, 8/9 december 2018) Waar gehakt wordt, vallen spaanders – zeg dat de redders van het klimaat het gezegd hebben.

Maar goed, alles wat je nu kan doen om klimaatverandering te beheersen, kan helpen om de gevolgen ervan voor de aarde en haar bewoners te minimaliseren. Jean-Baptiste Malet zegt in het interview in Solidair: “Een boycot kan zeker een doeltreffend wapen zijn in een politieke strijd. En uiteraard moet iedereen zijn verantwoordelijkheid opnemen, niet zomaar wat doen, maar gewetensvol handelen. Persoonlijk boycot ik bepaalde bedrijven, maar ik weet uiteraard dat dat niets zal veranderen zonder een gestructureerde politieke strijd, zonder gezamenlijk verzet, zonder conflict.” Je hoeft de boycot dus zeker niet te laten. Sabotage, het bewuste ondermijnen van het industriële rendement, is van oudsher een actiemiddel van de arbeider. Het sabotagemiddel van de consument is de boycot. Natuurlijk kan je in onze westerse samenleving niet zonder elektriciteit, telecommunicatie, vervoer, voedsel of culturele voeding. Maar dat betekent niet dat je niet zonder digitale meters, Google, Facebook, twee auto’s, Carrefour of Studio 100 kan. Bijna altijd zijn ruim alternatieven voorhanden die kleiner, dichterbij, gezonder, autonomer, democratischer, … kortom minder vervuilend zijn en dus beter voor het klimaat. In de krant van 9 en 10 februari 2019 besteedt Le Soir  twee volle pagina’s aan een interview met Anuna De Wever, het boegbeeld van Youth for Climate. Plaats van afspraak is de Starbucks in het Centraal Station van Brussel. Was dat een bewuste keuze? Starbucks is in ieder geval een voorbeeld van hoe consumentenboycot het bedrijf op een aantal vlakken gedwongen heeft tot een rechtvaardiger, milieubewuster en fiscaal eerlijker beleid.

Natuurlijk zal je de wereld niet veranderen door voortaan je worteltjes op de Buurderij te kopen in plaats van in de supermarkt. En als je dat wel doet, betekent dat nog niet dat je je overgeeft aan de neoliberale indoctrinatie, die iedereen individueel verantwoordelijk maakt voor de eigen welvaart, en de samenleving beschouwt als een marktplaats voor de efficiënte handel in individuele – materiële en immateriële – rijkdom. Als het kapitalisme zijn eigen doodgravers produceert (Marx en Engels), of als macht haar eigen verzet creëert (Foucault), dan biedt het actuele kapitalisme nog wel ruimte voor de klassieke vormen van weerstand (vakbonden, stakingen, ruimte bezetten); in een systeem echter dat nu vooral gebaseerd is op controle van de individuele burger als producent/consument, is ook deze positie zeker een locus van verzet. En als politiek geworden is tot een opeenvolging van mediagebeurtenissen, dan heeft het weinig zin een monumentaal tegenspektakel te organiseren; dan resten slechts tactieken van subversie.

Kleine beekjes vormen grote rivieren (en meren). En al wat je nu al kan bijdragen aan een rechtvaardige transitie is gewoon meegenomen. Het moet gezegd: nu al zijn er volop mensen die min of meer consequent en in de mate van het mogelijke proberen een leven te leiden met respect voor de planeet en al zijn menselijke en niet-menselijke bewoners. Er zijn zoveel mensen – en niet alleen in West-Europa, maar juist ook op plekken waar je van hieruit niet meteen aan denkt, zoals Benin bijvoorbeeld – die nu al, ieder op hun niveau, doen wat zij kunnen voor een betere, gezondere en meer rechtvaardige wereld.

Een werkelijke rechtvaardige transitie op wereldniveau vereist echter een radicale agenda, niet alleen om op een juiste manier om te gaan met de klimaatverandering die nu aan de gang is, maar ook om te komen tot een samenleving die bereid is te luisteren naar de noden en verlangens van alle wezens, menselijk en niet-menselijk, en tot een herverdeling van de rijkdom en de middelen die nodig zijn voor een klimaatneutrale economie. Dat betekent dat je niet kan rekenen op de grote bedrijven, van wie de bestaansreden juist ligt in het maken van winst, of op de overheid, die er is om in onzekere tijden met alle kracht eigendom en bestaande machtsstructuren te verdedigen. Neen, je zal er zelf wat moeten aan doen – in je dagelijks leven. Niet alleen druk zetten op overheden of instellingen die uitbuiting en vervuiling in stand houden, maar ook zelf kiezen voor een leven dat staat in het teken van respect voor je omgeving, levend of niet levend, menselijk of niet menselijk.

Niemand heeft om het leven gevraagd. Het is een geschenk dat je niet kan weigeren; je kan er hoogstens afstand van doen. Zij die kunnen spijbelen en demonstreren ‘voor het klimaat’ mogen zich gelukkig prijzen, niet alleen dat zij daar materieel toe in staat zijn, maar ook dat zij niet in de gevangenis terechtkomen, waar marteling en honderd zweepslagen hen wachten. Wat maken van je leven en er zorg voor dragen dat anderen dat ook kunnen, en dat alles zonder jezelf of anderen te schaden. Dat is nogal een opdracht – en voor de een al makkelijker dan voor de ander, afhankelijk van de energie die je moet besteden om simpelweg te overleven. Maar “het klimaat redden” zal niet lukken zonder jezelf in vraag te stellen, en bewust wat te doen aan je eigen omgang met de wereld en aan een systeem dat gebaseerd is op meedogenloze groei en exploitatie. Geen rechtvaardig klimaatbeleid zonder sociale rechtvaardigheid.