Fort Corona

Globalisering is niet iets van de afgelopen veertig, vijftig jaar. Tweeduizend jaar geleden waren economie en politiek al ‘globaal’. Het Romeinse keizerrijk voerde goud, wierook en mirre in vanuit Azië; generaals uit Noord-Afrika leidden de Romeinse legers. Europese reizigers brachten verhalen en goederen mee terug uit China, Indië en Perzië. Vikings vestigden zich op Newfoundland. Politieke en economische netwerken waren niet minder globaal in 1347, toen een Genuees schip na zijn terugkeer uit de Krim de rattenvlooien die de yersinia persis bacterie droegen mee naar Marseille bracht. De zwarte pest verspreidde zich van daar over de hele méditerranée en Europa, tot in Scandinavië. Mensen, koopwaar en epidemieën hebben altijd al over de hele wereld gereisd.

Nu heb je Fort Europa en de coronacrisis. Vandaag, in het begin van de lente van 2020, vallen nog steeds talloze slachtoffers aan de muren van Fort Europa. In de eerste vijftien weken van het jaar had het Missing Migrants Project van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) al 241 doden en vermisten geteld in de Middellandse Zee. In de tweede week van april redden schepen van ngo’s en vrijwilligersorganisaties honderden uitgeputte migranten voor de kusten van Libië, Malta en Sicilië. Tegelijk woedt wereldwijd de pandemie toegeschreven aan sars-cov-2. De inmiddels uitpuilende vluchtelingenkampen op de Griekse eilanden zijn door de overheid hermetisch afgesloten. Daar valt niet meer te ontkomen aan besmetting.

Maar niet alleen degenen die radeloos proberen het fort binnen te komen zijn het slachtoffer van covid-19; ook zij die het fort hebben opgetrokken voor hun eigen bescherming, worden nu binnenin bedreigd door de gevreesde ziekte. De beide fenomenen, zij die hun toevlucht zoeken in Europa en het virus dat daar huishoudt, worden in populaire media benaderd als bedreigingen voor de interne veiligheid. En hoewel het fort en de epidemie als beeld in wezen grondig verschillen en dus metaforisch tot andere benaderingen kunnen leiden, is de militaire metafoor op de twee domeinen dominant. Bij de verdediging van Fort Europa is die evident, maar ook inzake de omgang met de epidemie bestoken de media je met verhalen over de dagelijkse strijd van onze helden aan de frontlinie tegen het virus.  Wat Fort Europa en de coronacrisis gemeen hebben is een benadering van pacificatie, waarin zowel leger als politie worden ingezet en waarin het onderscheid tussen landsverdediging en sociale controle is vertroebeld.

Dit heeft zo zijn consequenties voor het denken over macht en weerstand. De manier waarop de bevolking gemobiliseerd wordt om met beide bedreigingen om te gaan, drukt een bepaalde vorm van macht uit, maar constitueert die tegelijk ook. En waar macht is, is weerstand; geen macht zonder weerstand. De vraag is dan: hoe kan je die weerstand vorm geven, en zo invloed uitoefenen op de macht? Het gaat niet om een moreel oordeel, macht is niet juist of fout; het gaat om de vraag hoe je zelf invloed kan uitoefenen op de macht om om te gaan met fenomenen die beschouwd worden als bedreigingen.

 

Oorlog en epidemie

Ik heb al eerder geschreven over de metaforische kracht van Fort Europa, in Recht en kritiek 23/4 (1997), en in de bundel Critical Views on Crime, Policy and Social Control (University of Nicosia Press, 2014). Daarom hier nog slechts even kort. Fort Europa wordt in de jaren 1980 de dominante metafoor in het denken over het binnenlands en internationaal beleid van de Europese Unie om het verblijf van ongewenste migranten te ontmoedigen door ze af te schrikken, af te weren en desnoods uit te zetten. Binnenlandse maatregelen – zoals de uitsluiting van openbare voorzieningen en de reguliere arbeidsmarkt – gaan daarbij gepaard met de versterking en het vooruitschuiven van de Europese grenzen. Europese buitengrenzen worden in snel tempo omgevormd van territoriale scheidingslijnen tot gemilitariseerde zones, volgestouwd met elektronische surveillance en een archipel van detentiecentra. Inmiddels hebben verschillende Oost-Europese lidstaten ook hun nationale grenzen omgevormd tot muren en driedimensionale afrasteringen om toch maar elke mogelijke ‘infiltratie’ van migranten tegen te gaan. De politiek waarbij ‘bufferlanden’ in Afrika en Oost-Europa de verdediging van Fort Europa opnemen, werkt in zekere mate. Vluchtelingen bereiken amper nog de Europese Unie; niet alleen kunnen zij daar geen asiel meer aanvragen, ook worden zij nu vastgezet in landen die noch de logistieke capaciteit, noch de politieke wil hebben om immigranten op te vangen. Zo komen zij terecht onder bevolkingen die zelf leven in precaire omstandigheden en geneigd zijn tot vehemente xenofobe reacties.

In de lidstaten van West-Europa is inmiddels de bewaking van maatschappelijke instellingen door middel van identificatie en registratie veel belangrijker geworden dan de controle van de fysieke grenzen. Informatie en expertise zijn de centrale elementen in het beleid om Europa te verdedigen tegen een ‘invasie’ van migranten: binnenlands in de vorm van uitsluiting van documenten (denk aan de Franse term sans papiers), internationaal als uitsluiting door documenten (Dublinakkoorden, Schengen Informatie Systemen, biometrische registratie, …). Hoe dodelijk zij ook moge zijn, de fysieke controle van de buitengrenzen, o.m. door het beruchte Frontex, is in die zin een ouderwets defensiemechanisme.

Een van de zwakke punten van de metafoor Fort Europa is dat zij alleen negatieve betekenissen heeft, en dus uitsluitend gebruikt wordt door tegenstanders. Het beeld van het fort staat voor veiligheid. Het fort biedt aan degenen die binnen zijn, veiligheid tegen de bedreigingen van buiten. De logica van het fort is de logica van veiligheid, en dus van gevaar. Hoewel, erger dan de dreiging zelf is de angst ervoor. Het fort wordt verondersteld de angst voor de dreiging weg te nemen. Zij die hun toevlucht zoeken in het fort moeten zich veilig voelen omdat zij weten dat zij veilig zijn. Het is echter maar een specifieke categorie van mensen (‘burgers’) die toegelaten is tot de veilige plek. Dat is de paradox van Fort Europa: vlak voor de neus van al diegenen die van over de hele wereld hun toevlucht (asiel) zoeken in veilig Europa, worden de deuren van het fort dichtgegooid om de Europese burgers te beschermen tegen de dreiging van de asielzoekers.

In 2012 schreef ik: “Angst voor de dreiging van invasie impliceert ook een intensieve controle binnen in het fort. De angst voor de externe bedreiging keert zich naar binnen: zo komt een ideologie van binnenlandse veiligheid tot stand, gericht tegen de binnenlandse vijand. Grotere angst voor wat reeds onder ons is, leidt tot scherpere controle over ons allen.” Vervang invasie door coronavirus, en je krijgt: angst voor de dreiging van covid-19 leidt tot een intensieve controle binnen in het fort. De angst voor besmetting keert zich naar binnen: zo komt een ideologie van binnenlandse veiligheid tot stand, gericht tegen verspreiding van het sars-cov-2. Grotere angst voor wat reeds onder ons is, leidt tot scherpere controle over ons allen. Angst is een virus.

Hoewel het fort dus nu vervangen is door een epidemie, is de logica van oorlogsvoering en pacificatie dezelfde. Emmanuel Macron ging misschien nog het verst in zijn oorlogsretoriek, maar in zowat alle media wordt de fronttaal gehanteerd: “Medische strijd tegen falend afweermechanisme” (Apache, 14 april), “Vrijheid stopt waar besmetting begint” (De groene Amsterdammer, 2 april), “La guerra dei dati durante la pandemia” (il manifesto, 27 maart), “L’Europe en ordre très dispersé” (Mediapart, 15 april), “Coronavirus: des nouvelles du front” (Solidaire.org, 16 april) – om alleen enkele publicaties te noemen die ik van nabij volg. Parlementen zijn of hebben zichzelf buiten werking gesteld, regeringen regeren met noodverordeningen of decreten, er is een uitgaansverbod en ook andere grondrechten zijn opgeschort, er wordt openlijk gesproken over noodtoestand.

Dit kan vreemd lijken, zeker wanneer je kijkt naar de gevolgen die de ene of de andere metafoor heeft, wanneer je haar toepast op een maatschappelijk terrein waar zij allebei voorkomen: dat van de verboden roesmiddelen. De war on drugs is een zaak van strijd, justitie en politie: het gaat erom vijanden uit te schakelen, er zijn winnaars en verliezers, er is collateral damage (burgerslachtoffers). De drugsepidemie echter is een zaak van volksgezondheid – althans een moreel oordeel dat in een medisch beeld wordt ondergebracht; het gaat er om de verspreiding van gebruik en besmetting van nieuwe consumenten te beperken, wie slachtoffer wordt van de epidemie kan een beroep doen op behandeling.

Toch is de relatie tussen epidemie en binnenlandse veiligheid nauw. (Je spreekt over pandemie tegenwoordig, die nauwe relatie tussen epidemie en binnenlandse veiligheid manifesteert zich over de hele wereld.) ‘Epidemie’ komt gelukkig nog uit het Grieks, van επίδημος (epi-dèmos), over het volk, iets wat normaal vreemd is spreidt zich uit over het volk. Wat aanvankelijk vreemd was blijft dat tijdens de epidemie, maar het vreemde element nestelt zich in de bevolking en besmetting vindt plaats door contact tussen mensen onderling. Als de epidemie zich incorporeert in de mens, dan is het dus de mens, en niet het virus, die men moet controleren of isoleren. De meeste epidemieën kunnen overwonnen worden (oorlogsmetafoor) doordat zij een eindige snelheid hebben: het verspreiden van het vreemde in een relatief homogene of zuivere (= niet besmette) omgeving neemt tijd in beslag. En die tijd kan je gebruiken om de besmetting in te dijken (isolatie) of in snelheid in te halen en te stoppen (vaccinatie). Bovendien zijn epidemieën per definitie altijd vanzelf eindig; zij kunnen maar doorgaan zolang er voldoende mensen te besmetten zijn.

Epidemie kan de aanduiding zijn van een sanitaire situatie met besmetting, maar het is ook een metafoor voor de beveiligingsreacties die men neemt, een bepaald sanitair model om besmetting tegen te gaan. Die reacties worden deels bepaald door de vraag of je uitgaat van een systeem van besmetting van persoon tot persoon, of van een systeem van uitstraling vanuit een centraal punt van waaruit individuen bereikt worden, afhankelijk van de positie die ze innemen. In beide benaderingen is de centrale notie de blootstelling van het individu aan besmetting, en je ziet nu dat verschillende landen de twee benaderingen combineren, maar wel een klemtoon leggen op de ene of de andere. In België bijvoorbeeld heeft men van in het begin gekozen voor isolatie van individuen en het bewaren van fysieke afstand. Zweden en IJsland, en aanvankelijk ook het Verenigd Koninkrijk en Nederland, kozen voor de ‘groepsimmuniteit’. Het tegengaan van de epidemie is dan niet meer noodzakelijk gebaseerd op de controle van individuele contacten; een panoptische blik over het geheel, met voldoende controle over de besmettingshaarden zodat het geheel niet uit de hand loopt, is voldoende.

In beide benaderingen echter speelt technologie die het toelaat directe sociale verbanden te vervangen door indirecte of gemediatiseerde verbanden over het besmettingspunt heen een cruciale rol. En dan gaan andere mechanismen spelen dan het louter sanitaire model van epidemiebestrijding; het beveiligingsapparaat dat in werking treedt kent zijn eigen logica en autonome ontwikkelingen. Dat is wat speelt in de discussies over de controle-apps en de totalitaire richting die bestuur daarmee kan inslaan.

 

Biopolitiek

Zoals zo vaak, helpt het herlezen van Foucault om zaken van vandaag te begrijpen. In de jaren 1970 beschreef Michel Foucault zeer uitgebreid de omslag van disciplinaire machtsuitoefening naar wat hij biopolitiek en gouvernementalité noemde, en wat bij Gilles Deleuze in 1990 de controlesamenleving zou gaan heten. Bronnen en literatuur daarover zijn alom overvloedig te vinden. In het kort komt het erop neer dat machtsuitoefening die gecentraliseerd was bij een soeverein (dat kon ook de staat zijn), vanaf zowat de tweede helft van de 18de eeuw, in ieder geval in West-Europa en Noord-Amerika, aangevuld, getransformeerd of zelfs verdrongen wordt door andere vormen van machtsrelaties op verschillende niveaus. ‘Recht over de dood’ wordt steeds meer ‘macht over het leven’, stelt Foucault in 1976. Bij de disciplinaire machtsuitoefening gaat het nog om het geheel van niet-gewelddadige technieken en praktijken die gericht zijn op regulering van individuele lichamen en lichamelijke gedragingen. Surveiller et punir uit 1975 gaat daarover. Maar al heel snel introduceert Foucault begrippen als bio-pouvoir, biopolitique en gouvernementalité. Machtsuitoefening vindt dan niet meer uitsluitend plaats op de lichamen op zich, maar via deze op het hele (menselijke) leven, van geboorte tot dood (“Faire vivre et laisser mourir”), op hoe je je voedt en kleedt, wat je leest en maakt, hoe je woont, denkt, praat en je verbindt met anderen. Deze nieuwe machtstechnologie, schrijft Foucault, “kenmerkt een macht waarvan de hoogste functie voortaan misschien niet meer is te doden maar het leven volledig te bezetten”. Biopolitieke macht is niet meer een macht die van buitenaf op je wordt uitgeoefend, maar het geheel van automatische, onzichtbare en alledaagse processen die maken wie je bent, hoe je jezelf ziet, maar ook hoe je onopvallend bestuurd wordt. Politiek maakt en vormt op verschillende manieren en doorheen diverse processen lichamen tot wezens die functioneren, die produceren en reproduceren en consumeren, die in staat zijn zichzelf als subject of als identiteit te benoemen en voor te stellen. Macht, taal en subjectiviteit zijn onlosmakelijk en in alle mogelijke richtingen met elkaar verbonden.

Dat zie je goed in de huidige coronacrisis. Macht wordt niet alleen uitgeoefend door mensen ‘op te sluiten’ of met dwang hun bewegingsvrijheid te beperken; de belangrijkste machtsuitdrukking zit onzichtbaar in het feit dat zoveel mensen zich uit eigen beweging (laten) opsluiten en zonder problemen zichzelf beperkingen aan hun bewegingsvrijheid (laten) opleggen. Of ook: welke mechanismen maken dat ogenschijnlijk slechts een fractie van de bevolking lijkt mee te gaan in de complottheorieën over de oorsprong van het coronavirus, en men blijkbaar wel in meerderheid het idee van een ‘natuurlijke’ fataliteit accepteert? Of nog: ineens is een belangrijk maatschappelijk onderscheid tussen lichamen niet meer gebaseerd op klasse of gender, maar op leeftijd – schoolkinderen, jongeren die normaal aan het werk zouden zijn, ouderen, bejaarden. En zeker: de enorme vloed aan woorden en begrippen die in alle talen ontstaat om nieuwe fenomenen aan te duiden of bestaande fenomenen een nieuwe betekenis te geven in deze speciale coronatijden.

Mondiaal gezien heeft het kapitalisme een stadium bereikt dat wordt gekenmerkt door de inkapseling van contingentie, diversiteit, mobiliteit en flexibiliteit. Het is niet toevallig dat concepten als subsidiariteit, multiculturalisme of multi-level governance sleuteltermen zijn geworden in delen van de politieke filosofie en de bestuurswetenschap. Begrippen als deze drukken de biopolitieke metamorfose van de samenleving uit. Die biopolitieke gouvernementaliteit is in belangrijke mate gebaseerd op een gedifferentieerde benadering van mensen, op het maken van onderscheid en het verschillend behandelen van groepen of individuen in de samenleving. Zo kan je de huidige verschillen in migratieregimes begrijpen. De biopolitiek van mobiliteit manifesteert zich niet alleen door het al dan niet toelaten van bepaalde categorieën van migranten in Europa; een van de belangrijkste manieren waarop macht wordt uitgeoefend in de huidige diversiteit van regimes van mobiliteit (en immobiliteit) is het doordringen van de geest van mensen van categorieën als echte en economische vluchtelingen, radicalisering en deradicalisering, schijnhuwelijk of gelukzoekers.

De beleidsmaatregelen in de coronacrisis drijven de differentiatie van de bevolking nog een eind door. Dankzij de digitalisering van een groot deel van het maatschappelijk leven slaagt men er in de samenleving nog verder te atomiseren: ieder op zijn/haar eigen plekje, op veilige afstand van de ander, virtueel met elkaar verbonden door de wonderen der techniek – althans voor wie geen uitzonderingsregime geldt. En die uitzonderingsregimes zijn er, in ruimte en tijd beperkt en wel omschreven, voor het medisch personeel, voor de essentiële verplaatsingen, voor de vuilnisophaling, voor het kattenvoer, voor de vaste vriend/in met wie het toegestaan is op veilige afstand van elkaar te wandelen in een park nabij de verblijfplaats zonder op een bankje te rusten, voor het uitvoerend personeel dat uiteindelijk er voor moet zorgen dat de samenleving minimaal blijft draaien. Problematisch zijn die categorieën burgers die niet in isolatie bestuurd kunnen worden: de dak- en thuislozen, de asielzoekers in de opvangprocedure, gedetineerden, de armen die uitgesloten zijn van digitale communicatie en controle.

Op Mediapart  ziet ook filosoof Paul Preciado de relatie tussen het Europese migratiebeleid en corona:

Covid-19 heeft de grenspolitiek van het nationale grondgebied of het Europese superterritorium verplaatst naar het individuele organisme. Het lichaam, ons individuele lichaam, als ruimte van leven en als netwerk van macht, als centrum van productie en consumptie van energie, is het nieuwe territorium geworden waarop de gewelddadige grenspolitiek die wij al jaren uittesten op ‘de anderen’, nu de vorm aanneemt van een oorlog tegen het virus. (…) Jarenlang hebben wij de migranten en de vluchtelingen in detentiecentra geplaatst, politieke grensgebieden zonder recht of burgerschap, eeuwige wachtzalen. Vandaag zijn wij het die in de detentiecentra van ons eigen huis leven.

Nee dus, de maatregelen die vandaag genomen worden om covid-19 te beteugelen worden niet toegevoegd aan het arsenaal van ingrepen die voortaan politiek mogelijk zijn; het zijn de ingrepen die al mogelijk waren ten aanzien van migranten, die nu ook worden toegepast binnen het fort, op de inwoners.

P1020619x

 

Macht en verzet

Nogmaals: praten over weerstand in deze context gaat niet op de eerste plaats over kritiek op de manier waarop vandaag de verspreiding van covid-19 wordt aangepakt. Er is kritiek uit te oefenen, en dat gebeurt ook, op de aantasting van grondrechten, de gebrekkige juridische grondslag hiervoor, de manier waarop overheden gebruik maken van noodverordeningen, de onduidelijkheid over wat er kan of zal gebeuren met al de data die mensen vrijwillig gaan afstaan aan de overheid (zolang het aan Google of Facebook was, kraaide er vrijwel geen haan naar),  de retoriek waarin ‘privacy’ gesteld wordt tegenover ‘het broodnodige herstel van de economie’, enzovoort.

Een traditionele vorm van verzet tegen machtsuitoefening bestaat uit het (terug) opeisen van de publieke ruimte. Massademonstraties, heet dat, het tijdelijk in bezit nemen van straten en pleinen om eisen, verlangens of frustraties kenbaar te maken. Die fysieke bezetting van de publieke ruimte, hoe belangrijk die ook mag zijn voor het creëren van een groepsgevoel of voor de symboliek van de (tijdelijke) inbezitname, ik heb het er moeilijk mee – niet alleen omdat ik niet hou van groepsactiviteiten, maar ook omdat ik twijfel aan de inzet en de motivatie van wie daaraan meedoet. In mijn jeugd heb ik wel eens meegelopen in betogingen, waarbij degene met de megafoon op gezette tijden een groepje demonstranten aanmaande om tien seconden neer te hurken zodat er een afstandje ontstond met degenen die gewoon verder liepen, en om daarna hollend over veertig meter de voorgaande groep weer in te halen. Ik vond het altijd gênant belachelijk. Maar wat zie je nu op het omslag van Solidaire n°2 van 2020: een groepje manifestanten dat met open mond lachend en met een blikje bier en een peuk in de hand naar voren komt gelopen. Wat moet je hier mee?

Doordat biopolitieke machtsuitoefening ongemerkt een integraal onderdeel is van je subjectiviteit of identiteit,  zo constituerend is voor wie je bent – aan de verwevenheid van je taal, je identiteit en (je) microfysica van de macht valt niet te ontkomen; dat ben je helemaal zelf – is het ook zo moeilijk om de oude categorieën van weerstand en verzet opnieuw te conceptualiseren. Categorieën als goed of slecht zijn hier niet van toepassing; je kan niet voor of tegen de werking van macht zijn. Wat je wel kan overwegen, is binnen dat kader van biopolitiek te streven naar of te werken aan andere vormen van bestuur, van bewustzijn of van levensomstandigheden.

Hoewel de metafoor van het fort zeker kan helpen om het actuele migratieregime te begrijpen, heeft zij zo haar grenzen wanneer het erom gaat zaken als verzet, ondermijning, sabotage, weerstand of alternatieven te conceptualiseren. In het kapitalisme van de afgelopen decennia heeft zich namelijk een fundamentele ommekeer in de representatie van macht voltrokken. Wat vroeger een sedentaire concrete massa was (het fysieke fort met wallen en een slotgracht) heeft zich in de dagelijkse praktijken ontwikkeld tot een nomadische (elektronische) vloed – en dat geldt des te meer wanneer het gaat om de machtspraktijken met betrekking tot het beheer van de corona-epidemie.

In 1996 stelde het Critical Art Ensemble:

Ooit representeerde de macht zichzelf doorheen verschillende types van spektakel (media, architectuur, …) als een zichtbare sedentaire kracht; nu heeft zij zich teruggetrokken in cyberspace waar zij als nomade over de wereldbol kan zwerven, altijd afwezig voor tegenkrachten, maar altijd aanwezig waar en wanneer zich ergens een opportuniteit voordoet.

Vandaag staan de monumenten van de macht er nog steeds, zichtbaar en stabiel, maar de instanties die de macht uitoefenen zijn allang niet meer zichtbaar of stabiel. En dus kunnen bezettingen of blokkades, acties in de fysieke ruimte, misschien wel tijdelijk de doorstroming van mensen en goederen beïnvloeden, maar de stroom van informatie en kapitaal blijft onaangeroerd. En hoe zou je in vredesnaam fysiek kunnen ingrijpen om de machtsuitoefening te beïnvloeden die de coronacrisis beheert? Een machtsstructuur kan je niet ‘neerslaan’ door, zoals de CAE stelt, “een monumentaal tegenspektakel te construeren dat de symbolische orde van de bunker kan bestrijden (en hopelijk overweldigen)”.

De noodzaak om na te denken over nieuwe vormen van verzet is des te belangrijker omdat nog lang niet duidelijk is wat er op dit ogenblik allemaal wereldwijd aan het veranderen is op het gebied van identiteit, taal en macht door de constante uitbouw van internet en het gebruik van mobiele informatie- en communicatietechnologie, big data, het groeiende klimaatbewustzijn, ontwikkelingen in de biotechnologie en artificiële intelligentie, de wildgroei aan surveillancetechnologie, en niet te vergeten, de crisis van het financiële kapitalisme en zijn mondiale just-in-time productieketens. Voor klassieke marxisten bepaalt de onderbouw de bovenbouw, het geheel van productiekrachten (productieverhoudingen, technologie) vormt de basis voor staat, politiek, cultuur, taal, subjectiviteit. Ja, maar weerstand is niet enkel een kwestie van ingrijpen in de productiekrachten opdat de context zou veranderen; weerstand vereist ook een beeld en een taal en een identiteit die het mogelijk maken te denken over hoe je de macht wil beïnvloeden, met welk doel.

Het is duidelijk dat vandaag weer eens – en scherper dan ooit – de desastreuze gevolgen zichtbaar zijn van de decennia lange afbraak onder het motto There is no such thing as society, en dat de herovering van het gemeengoed een prioriteit is. En ook wat je eigenlijk al lang wist wordt nu elke dag opnieuw bevestigd: als het om veiligheid gaat, zijn zorg en solidariteit veel belangrijker dan de druk om je zelf als individu zo goed mogelijk te positioneren op de markt van winst en verlies. In de populaire media en de verschillende politieke varianten van het sociaaldemocratisch denken gaat het dan al gauw over de terugkeer van ‘de staat’. Nu de vrije markt bewijst dat zij een pandemie als deze niet aankan, moet de staat weer optreden om de meubelen te redden. Maar is het zo simpel? Zijn er geen andere taal, geen andere subjectiviteiten denkbaar dan die van een nieuwe onderwerping aan de staat en ‘de economie’?

Het spel van oorlogsvoering en pacificatie kan je nooit winnen tegen de huidige (boven)statelijke constructies. Bovendien, als je zelf het product bent van onzichtbare biopolitieke processen, en als gouvernementalité zich voordoet als een opeenvolging van mediagebeurtenissen in de spektakelmaatschappij, dan verdwijnen ook de heftige tegenstellingen waarop radicale verandering is gebouwd. Natuurlijk zijn er nog steeds uitbuiting, repressie, honger, ellende, geweld en ontiegelijk veel schoften, maar hebben de revoluties en bijna-revoluties van de afgelopen eeuwen dat ooit fundamenteel veranderd?

Meer dan vijftig jaar geleden gaf Raoul Vaneigem een lesje in tactiek:

Een efficiënt hiërarchisch georganiseerd leger kan een oorlog winnen, maar niet een revolutie; een ongedisciplineerde bende kan geen van beide. [-] Hiërarchische organisatie en volledig gebrek aan discipline zijn allebei inefficiënt. In de klassieke oorlogsvoering is het inefficiëntie van de ene zijde die triomfeert over de inefficiëntie van de tegenstander door haar technische superioriteit. Maar in een revolutionaire oorlog overvalt de poëtische kracht van de rebellen de vijand bij verrassing, en zo ontneemt zij hem zijn enige voordeel, nl. het technologische. Zodra echter de guerrillero’s hun tactiek te vaak herhalen, leert de vijand om het spel toch volgens zijn regels te spelen, en zal een anti-guerrillacampagne alle kansen krijgen om de toch al ingehouden creativiteit van het volk te vernietigen of op zijn minst te blokkeren. [-] De revolutie kan niet gewonnen worden, noch door een opeenstapeling van kleine overwinningen, noch door een algemene frontale aanval.

Onderdrukking is niet langer meer gecentraliseerd, want onderdrukking is overal. Het positieve aspect hiervan is dit: iedereen begint te zien, in een toestand van bijna totaal isolement, dat men op de eerste plaats zichzelf zal moeten redden, dat men zichzelf zal moeten zien als het centrum, en dat het vanuit de eigen subjectiviteit is dat men een wereld zal moeten bouwen waar iedereen zich thuis voelt.

Geen egoïsme dus, een wereld waar iedereen zich thuis voelt, maar wel vertrekkend vanuit de eigen situatie. Als immers politieke antagonismen amper meer zijn dan gemediatiseerde spiegelbeelden van elkaar, rest er weinig anders dan tactieken van subversie of détournement in de zin van de Internationale situationniste.  Zo’n tactiek bestaat uit twee fasen. Eerst moet elk origineel en onafhankelijk element van het spektakel (discursief of niet) losgemaakt worden van zijn actuele betekenis en waarde, om te voorkomen dat de subversieve poging uiteindelijk toch maar leidt tot recuperatie door de dominante mechanismen van de spektakelmaatschappij. Vervolgens moet het dan lege element weer opgeladen worden met een nieuwe en frisse betekenis. In Berlijn worden nu dit soort acties overwogen of voorbereid, schrijft een lokale politicus in de taz. Niettegenstaande het samenscholingsverbod zouden duizenden mensen overal in de stad kunnen gaan joggen (dat mag wel, individueel), met een afgesproken dresscode, waarvan vooraf ruim bekend is gemaakt dat die staat voor een bepaald politiek protest. Of: als de voetpaden te smal blijken te zijn om met veel mensen tegelijk met een tussenafstand van anderhalve meter aan toegestane sport of beweging te doen, neem gecoördineerd de hele straat in.

Het zijn vormen van protest in tijden van beperking, maar is dit werkelijk een ingrijpen in biopolitieke macht-taal-subjectiviteitsprocessen, of zelfs maar in het wezen van de spektakelmaatschappij? Guy Debord, Vaneigems kompaan in de Internationale situationniste, merkte eens op dat het evident is dat geen enkel idee voorbij het bestaande spektakel kan leiden, maar slechts voorbij de bestaande ideeën over het spektakel:  “Car il est évident qu’aucune idée ne peut mener au delà du spectacle existant, mais seulement au delà des idées existantes sur le spectacle”. Als het alleen om ideeën en concepten gaat, als de constructie en de organisatie van de wereld uitsluitend discursief zijn, zal elk kritisch vertoog meewerken aan de constructie van de wereld die het beschrijft of bekritiseert. En dus blijft de vraag: maakt het feit dat een vertoog historisch en sociaal geconstrueerd is, het verzet dat je er van uit wil laten gaan noodzakelijk irrelevant?

Terug dus naar de biopolitiek. Preciado schrijft: “Si nous voulons résister à la soumission, nous devons muter, comme le virus.” Er is nood aan een nieuwe subjectiviteit, aan nieuwe strategieën van waarheid en verzet, aan het formuleren van nieuwe antagonismen die het mogelijk maken nieuwe talen te ontwikkelen om nieuwe gevechten om de macht te voeren. Een belangrijke stap is het opgeven van door nationale grenzen vastgestelde identiteiten en het opzetten van gedecentraliseerde netwerken van wederzijdse hulp. Niet van do ut des, maar uitwisseling van zorg en hulpbronnen op een wijze dat iedereen een motief heeft om naar eigen vermogen bij te dragen. En eigenlijk, als je goed doordenkt, en je houdt rekening met de interacties tussen subjectiviteit, taal en machtsprocessen, vereist dit een politieke transformatie waarin de hele planeet, zowel levend als inert, volop gerespecteerd wordt.

Tiens, hoor je daar echo’s van Latour of van de klimaatdiscussies? Beide moeten mogelijk zijn: initiatieven als het Parlement der dingen of de Ambassade van de Noordzee, die aantonen dat de mens niet de maat der dingen is en luisteren naar wat de ganse planeet te zeggen heeft, èn pogingen om nieuwe vertogen, nieuwe identiteiten, nieuwe machtsprocessen vorm te geven die kunnen bijdragen aan meer sociale rechtvaardigheid. Het een kan trouwens niet zonder het ander.

Pacificatie

Lange tijd heb ik gedacht dat de Engelse term pacification in zwang kwam rond 1970, als een nog cynischer variant van ‘vredesproces’ – zoals in: het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen. Het was de periode toen duidelijk werd dat de Verenigde Staten de oorlog in Vietnam militair niet zouden winnen. Pacificatie werd het nieuwe doel, niet alleen maar de bevolking platbranden en -bombarderen, maar er ook hospitalen voor inrichten en gezondheidsvoorlichting verzorgen, hearts and minds winnen. In de ogen van de strategen van de RAND Corporation ging het om het creëren van een sociaal-politieke omgeving waarin “future insurgency would not flourish again”.

Later bleek dat het VSAmerikaanse concept nogal schatplichtig was aan de Franse koloniale ervaringen in Afrika in de 19de eeuw. In 1899 publiceerde een zekere generaal Galliéni, toen gouverneur van Madagascar, een handleiding met de titel Rapport d’ensemble sur la pacification, l’organisation et la colonisation de Madagascar. De beste manier om de nieuwe kolonie te pacificeren, zegt Galliéni, is de combinatie van geweld (force) en politiek, wat neerkomt op vernietiging en heropbouw (destruction en reconstruction).

L’emploi des colonnes a été trop souvent synonyme de destruction systématique des villages et des ressources de l’ennemi, parce qu’on assimile la guerre coloniale à la guerre d’Europe, dans laquelle le but à atteindre réside dans la ruine des forces principales de l’adversaire. – Aux colonies, il faut « ménager le pays et ses habitants, puisque celui-là est destiné à recevoir nos entreprises de colonisation future et que ceux-ci seront nos principaux agents et collaborateurs pour mener à bien ces entreprises. Chaque fois que les incidents de guerre obligent l’un de nos officiers coloniaux à agir contre un village ou un centre habité, il ne doit pas perdre de vue que son premier soin, la soumission des habitants obtenue, sera de reconstruire le village, d’y créer immédiatement un marché et d’y établir une école. Il doit donc éviter avec le plus grand soin toute destruction inutile … ». De tekst tussen aanhalingstekens bevat de instructies die hij aan zijn legeraanvoerders heeft gegeven.

Volgens Galliéni houdt pacification dus zeker niet de systematische verwoesting van dorpen in; dat is immers een benadering uit de Europese oorlogen, waar het er wel om gaat de belangrijkste krachten van de tegenstander te vernietigen. Maar wat lees ik nu in Hannah Arendts The Origins of Totalitarianism over de introductie van het concept ‘ras’ in de negentiende-eeuwse koloniale politiek (dat is ook de aanleiding voor dit stukje):

This (…) resulted in the most terrible massacres in recent history, the Boers’ extermination of Hottentot tribes, the wild murdering by Carl Peters in German Southeast Africa, the decimation of the peaceful Congo population – from 20 to 40 million reduced to 8 million people; and finally, perhaps worst of all, it resulted in the triumphant introduction of such means of pacification into ordinary, respectable foreign policies.

Is Arendt hier sarcastisch, of beschouwt ze de genocides en massamoorden die zij vermeldt – en afkeurt – als betreurenswaardige, maar, nou ja, bestaande methoden van pacificatie? Tja, het is ook een manier om vrede te bereiken: roei de tegenstand gewoon uit. Als je het zo bekijkt, zijn de massamoorden die het regime van Bashar al-Assad en het Russische leger in Syrië uitvoeren ook een vorm van vrede brengen.

Gedichtentrein – Hamletmachine

Plots ontvang ik in mijn postvak twee berichten met als onderwerp Gedichtentrein. Zowel Luk als Leen stelt mij voor om mee te doen aan een soort kettingbrief of pyramide “om de stille kracht van gedichten mee te verspreiden – kies een gedicht, tekst of bezinning waar je een goede herinnering aan hebt of wanneer het wat moeilijk ging”.

Ik dacht meteen aan een van de eerste verzen van Hans Faverey, uit 1968, en dat is ook wat ik verzonden heb.

Stilstand

 in aanbouw, afbraak

in aanbouw. ‘Leegte,

 zo statig op haar stengel’;

land in zicht, geblinddoekt.

 

Ik kan er blijven naar kijken, ik hou nog steeds van Faverey zijn vroege werk.

Achteraf las ik de e-mails nog eens over, en toen drong de vermelding “tekst of bezinning” pas goed tot me door. Nu, als er een tekst of bezinning is die ik op gelijk welk moment kan oproepen, omdat die voor mij symbool staat voor een hele geschiedenis van denken en leven, is het deze:

Een spook waart door Europa – het spook van het communisme. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden, de paus en de tsaar, …

De eerste alinea van het Manifest der Communistische Partij, eerste editie 1848.

Voor mij is dat een opening van hetzelfde kaliber als

In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. …

Genesis, 1: 1-3

Of nog veel beter:

In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.

Johannes, 1: 1-3

God buiten beschouwing gelaten, is dit ook zowat mijn motto geworden: dingen bestaan pas door ze te benoemen.

Maar eigenlijk is de tekst die misschien wel het allermeest indruk ooit op mij heeft gemaakt, deze, die begint met:

Ik was Hamlet. Ik stond aan de kust en praatte met de branding BLABLA, in de rug de ruïnes van Europa. …

Even later volgt het fragment

HET EUROPA VAN DE VROUW

 Ik ben Ophelia. Die de stroom niet heeft gehouden. De vrouw aan de strop. De vrouw met de opengesneden polsaders. De vrouw met de overdosis OP DE LIPPEN SNEEUW De vrouw met het hoofd in het gasfornuis. Gisteren heb ik opgehouden me te doden. Ik ben alleen met mijn borsten mijn dijen mijn schoot. …

Enzovoort. Het is de vertaling door Sigrid Vinks & Jan Decorte van Die Hamletmaschine van Heiner Müller. Eigenlijk, vind ik, moet je de tekst in het Duits lezen of horen.

Ich war Hamlet. Ich stand an der Küste und redete mit der Brandung BLABLA, im Rücken die Ruinen von Europa.

 (…)

 Ich bin Ophelia. Die der Fluß nicht behalten hat. Die Frau am Strick Die Frau mit den aufgeschnittenen Pulsadern Die Frau mit der Überdosis AUF DEN LIPPEN SCHNEE Die Frau mit dem Kopf im Gasherd. Gestern habe ich aufgehört mich zu töten. Ich bin allein mit meinen Brüsten meinen Schenkeln meinem Schoß. Ich zertrümmre die Werkzeuge meiner Gefangenschaft den Stuhl den Tisch das Bett. Ich zerstöre das Schlachtfeld das mein Heim war. Ich reiße die Türen auf, damit der Wind herein kann und der Schrei der Welt. Ich zerschlage das Fenster. Mit meinen blutenden Händen zerreiße ich die Fotografien der Männer die ich geliebt habe und die mich gebraucht haben auf dem Bett auf dem Tisch auf dem Stuhl auf dem Boden. Ich lege Feuer an mein Gefängnis. Ich werfe meine Kleider in das Feuer. Ich grabe die Uhr aus meiner Brust die mein Herz war. Ich gehe auf die Straße, gekleidet in mein Blut.

 

In mijn lange leven heb ik wat voorstellingen gezien van de Hamletmachine. Ik was bijzonder enthousiast over die van Het Trojaanse Paard (Decorte & Vinks) in de Beursschouwburg 1981; de versie op het Holland Festival 1983 vond ik dan weer “pijnlijk in haar achterhaald avant-gardisme uit de jaren zeventig, dat niets toevoegde aan tekst noch teater”. Heiner Müller, die gestorven is in 1995, wordt vandaag amper nog gespeeld. Misschien heeft dat te maken met de achtergrond van zijn werk. Müller is steeds in de Duitse Democratische Republiek blijven werken en wonen – dat wil zeggen, zolang die nog bestond en niet opgeslorpt was door het huidige Duitsland – en veel van zijn werk was een zeer kritische benadering van het ‘reëel bestaand socialisme’. Nou ja, dat reëel bestaand socialisme bestaat niet meer, dus je zou kunnen zeggen dat Müllers werk ook achterhaald is.

Maar nu toevallig heeft Le monde diplomatique van maart 2020 het nog over hem in een kort boeksignalement. De auteur verwijst naar Müllers opvatting dat er veel oplossingen zijn, maar te weinig problemen, en dat het belangrijk is problemen uit te vinden of te zoeken en ze belangrijk te maken – de oplossingen vind je dan vanzelf wel, die vind je in alle vuilnisbakken. Doctrine moet je zo diep mogelijk begraven, zodat de honden ze niet kunnen vinden – en dat tot wanneer je ze weer kan opgraven en confronteren met een nieuwe werkelijkheid.

Zou het nu eens geen tijd worden om ze weer op te graven, vraagt Le monde diplomatique zich af.

On/over/sur rivers & lakes – rivieren & meren – rivières & lacs (2020)

Rivers & lakes is about thinking a better life. A life, good to yourself and to others, without causing damage – to humans, animals, plants, nature, air and earth, rivers and lakes. A life, aimed at autonomy for all, at everyone’s opportunity to be their own reason, at pursuing what you want to be or what you think is important.

Aiming at autonomy includes resisting the unwanted control by others. Today people are submitted to a wide variety of control mechanisms of which the state is only one. In the affluent Western world the main technology of control consists of the permanent indoctrination by the ideology of liberal freedom, the freedom to compete for the best positions on the market of profit and loss.  Control is not concentrated in one centre of power; it is scattered and pluriform.

Opposite to that stands the idea of libertarian freedom: the freedom to be. Resistance is therefore rather molecular than monolithic, rather intricate and diffuse than massively frontal. Against the exploitation and repression by which a minority affirms itself at the cost of a submitted majority, communist-libertarian ethics require the struggle for power – not necessarily or in the first place to weaken the strong (although that might well be unavoidable), but rather to strengthen the weak.

The way you consider the world is heavily influenced by the material context in which you find yourself. But thinking about a better life also requires better ways of watching, thinking and talking. The acknowledgement of the complexity of everyday life – phenomena seen as events or situations, in which the observer is an essential part of the process – is a precondition to truly thinking and talking about a better life. The language and the metaphors by which you describe the world suggest the problems you will be able to define and the solutions you might want to construct. Language is not neutral. The battle for autonomy takes place as well on the field of material life as on the one of representation.

When you want to reflect on a better life, complexity, language, autonomy, control and resistance are closely intertwined. This is the main theme of rivers & lakes.

Rivieren & meren gaat over het denken van een beter leven. Een leven dat goed is voor jezelf en voor anderen, zonder schade te berokkenen – aan mens, dier, plant, natuur, lucht en aarde, rivieren en meren. Een leven, gericht op autonomie voor iedereen, op ieders kans om het eigen doel te zijn, om na te streven wat je zelf wil zijn of belangrijk vindt.

Streven naar autonomie betekent ook zich verzetten tegen de ongewenste controle door anderen. Mensen worden vandaag onderworpen aan een grote diversiteit van controlemechanismen, waarvan de staat er maar één is. De belangrijkste controletechnologie in het rijke Westen is de permanente  indoctrinatie met een ideologie van liberale vrijheid, de vrijheid om te concurreren voor de beste plaatsen op de markt van winst en verlies. Controle is niet gelokaliseerd in één machtscentrum, maar verspreid en veelvormig.

Daar tegenover staat de idee van libertaire vrijheid: de vrijheid om te zijn. Weerstand en verzet zijn dan ook eerder moleculair dan monolithisch, eerder fijnmazig en diffuus dan massaal frontaal. Tegenover de uitbuiting en onderdrukking waardoor een minderheid zich kan realiseren ten koste van een onderworpen meerderheid, plaatst een libertair-communistische ethiek de strijd om de macht – niet noodzakelijk of in de eerste plaats om de sterken te verzwakken (al is dat vaak onvermijdelijk), maar eerder om de zwakken te versterken.

De manier waarop je de wereld ziet, wordt in belangrijke mate bepaald door de materiële context waarin je je bevindt. Maar denken over een beter leven vereist ook een betere manier van kijken, denken en praten. Het erkennen van de complexiteit van de alledaagse sociale werkelijkheid – verschijnselen zien als gebeurtenissen of situaties, waarbij de beschouwer wezenlijk deel uitmaakt van het proces – is een noodzakelijke voorwaarde om werkelijk over een beter leven te kunnen denken en praten. De taal en de metaforen waarin je de werkelijkheid omschrijft geven aan wat je als problemen kan definiëren en hoe je oplossingen kan construeren. Taal is niet neutraal. De strijd voor autonomie speelt zich af zowel op het terrein van het materiële leven, als op dat van de representatie.

Wanneer je wil nadenken over een beter leven, zijn complexiteit, taal, autonomie, controle en verzet niet los te denken van elkaar. Dat is het thema van rivieren & meren.

Rivières & lacs traite de la réflexion sur une meilleure vie. Une bonne vie pour soi-même et pour les autres, sans causer des dommages, que ce soit aux humains, aux animaux, plantes, air et terre, rivières et lacs. Une vie, visant à l’autonomie pour tous, à la capacité à être pour soi sa propre fin, à poursuivre ce que l’on désire être ou atteindre.

Poursuivre son autonomie signifie aussi s’opposer au contrôle indésirable imposé par d’autres. Aujourd’hui les gens sont soumis à une grande diversité de mécanismes de contrôle, dont l’état n’en est qu’un seul. Dans le riche Occident la technologie de contrôle la plus importante consiste en l’endoctrinement permanent d’une idéologie de liberté libérale, la liberté de compétition pour les meilleurs places sur le marché de pertes et profits. Le contrôle n’est pas concentré dans un centre de pouvoir, mais se présente dispersé et multiforme.

A l’opposé se trouve l’idée de liberté libertaire : la liberté d’être. La résistance et l’opposition se font alors plutôt moléculaires que monolithiques, plutôt plurielles et diffuses que massivement frontales. Face à l’exploitation et la répression par lesquelles une minorité se maintient au détriment d’une majorité assujettie,  une éthique communiste libertaire affirme la lutte de pouvoir – moins dans le but d’affaiblir les plus forts (bien que ce soit souvent inévitable) que de renforcer les faibles.

Pour une bonne part la façon dont on voit le monde est déterminée par le contexte matériel dans lequel on se trouve. Mais réfléchir sur un monde meilleur a aussi à faire avec une meilleure manière de regarder, de penser et de parler. La conscience de la complexité de la réalité sociale quotidienne – considérer les phénomènes en tant qu’événements ou situations dans lesquels l’observateur fait partie essentielle du procès – est une condition préalable à pouvoir vraiment réfléchir et communiquer sur une meilleure vie. Le langage et les métaphores que l’on emploie pour décrire la réalité déterminent ce que l’on peut définir comme problème et suggèrent comment on pourrait construire des solutions. La langue n’est pas neutre. La lutte pour l’autonomie se joue aussi bien sur le terrain de la vie matérielle que sur celui de la représentation.

Si l’on veut penser une meilleure vie, on ne peut dissocier complexité, langage, autonomie, contrôle et résistance. Voilà le thème de rivières & lacs.

Malapropisme

Bij toeval een oud blogje van me, uit 2006, teruggevonden – en wie prijkt daar al?

Kees Vendriks (die van het volplempen) met het malapropisme ’Ik sta met mijn oren te fluiten’; even later is voor hem ’de kous afgedaan’.

Nog uit die tijd:

Bij de plechtige opening noemt toenmalig Antwerps schepen van Cultuur Philip Heylen het nieuwe stadsarchief in het Felixpakhuis “het kloppend hart van het geheugen van Antwerpen”.

De directeur van De Brakke Grond, Leen Laconte, schrijft trots bij de vijfentwintigste verjaardag van het cultuurcentrum: “Met volle borst vooruit positioneert het zich …”

En nu een recente:

Aukje van Roessel in De groene Amsterdammer, 7 november 2019: “Of zou de betrokkenheid van burgers er ook nog toe kunnen leiden dat de natuur en het klimaat een tandje lager moeten zingen?”

Geen leedvermaak; het kan iedereen overkomen.

Paralipse

(Nederlandse versie op http://durieux.eu/blog/paralipsis)

Ce dont je ne veux pas parler ici est la longue durée d’inactivité sur mes sites web. Sur durieux.eu la dernière contribution, le long essai hoe (een) intellectueel zijn? date déjà du 10 juin. Et sur rivieren & meren – rivières & lacs – rivers & lakes le dernier article a exactement trois mois, mais en fait Het kind en de zee zijn van zichzelf n’était rien de plus qu’une annonce à peine agrémentée d’un événement organisé par des tiers.

Peu importe comment on en est venu là. Je ne m’interroge pas sur le pourquoi. Demander le pourquoi est comme aller à la recherche d’une raison, et une raison implique une intention ou un objectif. Souvent les intentions et les objectifs ne sont point à découvrir ; ce que l’on peut détecter au contraire est comment les choses ou les situations sont devenues telles qu’elles se présentent aujourd’hui. Mais sur ce sujet, je ne veux pas m’étendre, c’est-à-dire sur l’impact des déménagements de l’année passée. Je ne gaspillerai pas de l’espace pour décrire toute l’énergie investie dans le ménage d’une archive de décennies, dans la recherche d’instances qui veulent reprendre les parties précieuses, dans la réduction nécessaire de ma bibliothèque jusque presque la moitié. Tôt ou tard, tout cela aurait dû arriver, et maintenant que je pouvais encore l’organiser moi-même, je pouvais ainsi éviter qu’un jour mes proches s’en débarrassent sans scrupules.

Cela n’a pas de sens non plus d’aborder la déprime causée par le déménagement des Ardennes belges, de la maison au petit parc où j’ai vécu avec plaisir pendant presque dix ans. Ni le fait que je venais de me retrouver en Flandre, la région que je voulais quitter il y a dix ans à cause du nationalisme, de la xénophobie et des tendances fascistoïdes dans la politique et les média – une autre circonstance qui ne contribuait pas à reprendre l’écriture avec beaucoup d’énergie. Dorénavant j’habite un bel et agréable appartement avec vue et au bord de l’eau, mais cela non plus, je veux l’aborder ici.

Il ne faut pas sous-estimer la situation de se trouver pendant plus d’un an dans un mode de déménagement. Et constater que tout ce qui se présentait il y a dix ans comme une menace politique est devenu entretemps la réalité dominante à l’endroit où tu vis, cela ne te rend pas vraiment joyeux non plus. Il m’a fallu donc quelque temps pour me convaincre que je devais reprendre le fil de mes sites, que cela pourrait avoir du sens d’écrire – de préférence régulièrement – si ce n’est parce qu’il pourrait y avoir des gens qui sont intéressées, du moins pour me stimuler moi-même à formuler mes idées et à les exprimer avec plus ou moins de cohérence.

Mais en réalité ce petit article-ci ne s’agit surtout pas de tout cela. Ce dont je voulais parler vraiment est de la paralipse. La paralipse est cette figure rhétorique qui consiste à dire que l’on ne va pas parler de tout ce que l’on va dire par après. « Je ne voudrais pas dire que tout cela soient des conneries, mais quand-même, si vous vous souvenez de … »

En fin de compte ce petit texte ne traite pas non plus de paralipse. Ce n’est qu’un exercice et une tentative à reprendre la routine de l’écriture.