Boerenbedrog?

Soms is er ook goed nieuws – lijkt het. Wanneer het op voedsel aankomt, neemt de tendens om lokale, duurzame of biologische producten te kopen nog steeds toe. De Belgische coöperatie Faircoop verwijst naar die trend als verklaring voor haar succes. In heel wat Belgische supermarkten (maar vooral in het Franstalige landsgedeelte, lijkt mij) zie je sinds ruime tijd haar melkproducten – melk, boter, ijs – onder de naam Fairebel. Het logo is een zwart-geel-rode koe. Advertenties in de kranten tonen steevast een glunderende boer of boerin naast zijn of haar koeien, gezellig samen in de wei naar de camera kijkend. Een duurzame en kleinschalige melkproductie, dat is waar Fairebel voor staat.

De coöperatie verkocht in 2018 zo’n 9,5 miljoen liter melk(producten), tegen nog 8,3 miljoen in 2017. En ik moet zeggen: wanneer het kon, kocht ik ook Fairebel. Om twee belangrijke redenen: de belofte dat de boeren een eerlijke prijs voor hun melk krijgen, en het lokale karakter van de productie (de Belgische koe op de verpakking).

Boeren hebben het moeilijk vandaag, dat lees je overal – en niet alleen de melkboeren. Tien jaar geleden was een dieptepunt: de prijs die de boeren kregen voor een liter melk daalde tot onder de 20 cent. Een paar jaar later, in 2015, hief de Europese Unie het systeem van de melkquota op. Familiale bedrijven konden steeds moeilijker concurreren met de grootschalige goedkope melkproductie van multinationals. Vandaag liggen de marktprijzen voor de boer tussen 33 en 35 cent de liter, genoeg om de productiekosten te dekken, maar niet voldoende om van te leven. Faircoop, dat na de crisis van 2009 werd opgericht, telt nu zo’n vijfhonderd melkveeboeren, aan wie de coöperatie 45 cent per liter garandeert voor een deel van hun productie. Dat kan, omdat de Fairebelproducten iets duurder zijn in de supermarkt dan de grote fabrieksmerken. Tot daar het argument van de eerlijke prijs.

Maar hoe gaat dat in zijn werk dan? Hier begon ik mij plots wat bedrogen te voelen met het verhaal van duurzaamheid en lokale productie. Want de melk die je bij Faircoop aan een eerlijke prijs koopt, is helemaal niet de melk die de koeien produceren die op de foto gezellig met de boer in de wei staan. Op de website klinkt het: “Voor elke liter melk verkocht onder de naam Fairebel, gaat een eerlijk inkomen naar de Faircoop coöperatie. Het ingezamelde bedrag wordt vervolgens elk jaar eerlijk herverdeeld tussen de deelnemende leden, ongeacht de omvang van hun exploitatie.” Maar de melk die je in de supermarkt koopt onder het merk Fairebel wordt gefabriceerd en verpakt door Luxlait in Luxemburg; de melk van de koeien op de advertenties gaat gewoon naar de traditionele melkfabrieken (Inza, Campina, …), aan de heersende lage marktprijzen. Met andere woorden, de iets hogere prijs voor Fairebel komt wel de boeren ten goede, maar betekent niet dat die boeren voor elke liter die hun koeien produceren ook correct betaald worden; het volume waarvoor zij een prijs van 45 cent ontvangen hangt af van hoeveel er van het merk Fairebel het afgelopen jaar verkocht is. En die Fairebelmelk komt dus helemaal niet van die boeren hun koeien. De prijs die je als consument betaalt heeft dus ook niets te maken met het feit dat je melk op een duurzame manier dicht bij huis is geproduceerd. Pas in 2020 zou Faircoop beginnen met het inzamelen van melk van een aantal coöperanten om die dan verder door Luxlait te laten verpakken.

Ik begrijp het probleem wel. Als alle coöperanten van Faircoop samen meer melk produceren dan de consumenten bereid zijn te kopen aan een correcte prijs, dan blijven zij zitten met een onverkoopbaar overschot. Dus zit er voor hen niets anders op dan een deel van hun melk te verkopen tegen de wisselende dumpingprijzen die de grote afnemers (melkfabrieken, supermarktketens) er voor willen betalen. Opdat boeren al hun melk zouden kunnen verkopen aan een prijs die hen in staat stelt ervan te leven, kan men in twee richtingen denken. Ofwel moeten boeren niet meer produceren dan wat zij aan 45 cent kunnen verkopen, ofwel moeten voldoende consumenten bereid zijn om die eerlijke prijs te betalen. Uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid dus toch bij de consument, want als de boer maar weinig melk verkocht krijgt aan een correcte prijs, kan hij of zij er natuurlijk ook niet van leven.

Dat brengt mij bij een ander recent bericht, over de productie en verkoop van biologisch voedsel in België. Natuurlijk, biologisch staat niet noodzakelijk voor lokale productie en korte keten, maar in ieder geval wel voor duurzaamheid en kwaliteit. Wat blijkt nu? Volgens cijfers van de sectororganisatie Biowallonie – die daarbij ook gebruik maakt van materiaal van VLAM, Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing – zijn de Belgische consumentenuitgaven voor verse bioproducten in 2018 met 18% gestegen ten opzichte van 2017. In Wallonië gaat het om een toename van veertig procent, in Brussel om vijf procent. In het Vlaamse gewest is de consumptie gelijk gebleven. In heel België werd vorig jaar ongeveer 522 miljoen euro uitgegeven aan verse bio. De sector doet het trouwens helemaal goed in Wallonië, ook op het gebied van de productie. Volgens recente statistieken is elf procent van de Waalse landbouwoppervlakte in gebruik voor biologische teelten, in Vlaanderen is dat 1,3%.

Dat roept bij mij de vraag op of er een relatie is tussen voedselvoorkeuren en het stemgedrag tijdens de afgelopen Europese, Belgische en gewestelijke verkiezingen. Kan de kwaliteit van de voedselconsumptie in Vlaanderen een rol gespeeld hebben bij de keuze van bijna de helft van de lokale bevolking om voor fascisten te stemmen? Of omgekeerd, geven die Vlamingen niet om duurzame voedselproductie en lekker en gezond eten, juist omdat zij fascisten zijn? En kan de aandacht voor duurzaam en gezond voedsel meegespeeld hebben bij de Waalse keuze voor rode en groene partijen? Of zijn socialisten en ecolo’s meer geïnteresseerd in goed en lekker eten, dat duurzaam geproduceerd is? Dat laatste lijkt evident, maar is daarmee ook de vraag over Vlamingen, fascisten en hùn voeding beantwoord?

 

Sucre

Le régime européen des quotas sucriers est venu à sa fin le 30 septembre. Pendant près de cinquante ans la quantité de sucre destiné à la nourriture était limitée sur le marché européen. On craint maintenant que, à l’instar de la suppression des quotas laitiers en 2015, cette réforme mènera à des problèmes sérieux pour les producteurs de betteraves sucrières. En effet, comme il n’y a plus de limites à la production de betteraves sucrières, beaucoup de cultivateurs ont déjà augmenté leur production cette année-ci. Pour la Belgique, on compte 64.439 ha de betteraves sucrières en 2017, soit une augmentation de plus de 14 % par rapport à 2016. En plus, 2017 semble être une bonne année pour la récolte. On s’attend donc aussi à une augmentation de la production de sucre.

Mais ces productions augmentées ont leurs conséquences : les prix sont en baisse. Fin 2016, on payait environ 500 euros par tonne de sucre de betterave ; cette année-ci le prix a baissé d’environ 28 %, jusqu’à 340-350 euros par tonne. La situation rappelle celle des agriculteurs producteurs de lait. Après la suppression des quotas, la surproduction de lait faisait baisser les prix ; des agriculteurs essayaient de neutraliser cette perte de prix par unité en produisant encore plus, ce qui mena à des prix encore plus bas, et encore plus de production, etc. … jusqu’au moment où l’on a dû constater l’existence d’un lac de lait et (encore une fois) d’une montagne de beurre.

L’argument de la Commission européenne pour supprimer les quotas sucriers est qu’une production croissante et des prix plus bas soutiendraient les producteurs de sucre européens dans leur conquête d’un plus grande partie du marché mondial. Deux remarques pourtant.

Ce ne sont pas les agriculteurs qui profiteront de ce marché grandissant. En Belgique par exemple il n’y a que deux producteurs de sucre : Iscal Sugar à Fontenoy et Tiense Suikerrafinaderij à Tirlemont. Ce sont eux qui encaissent la valeur ajoutée dans la chaîne de production sucrière.

Et puis, bien que l’UE soit le plus grand producteur mondial de sucre à base de betteraves, ce sucre ne compte que pour 20 % de la production sucrière mondiale. Les 80 % sont d’origine de canne à sucre, dont le Brésil est le premier producteur et vendeur. Le prix mondial du sucre est donc pour une bonne partie déterminée par la situation politique et économique de ce pays-là – menant récemment à une forte baisse du taux de change de la monnaie nationale, le real.

Une fois de plus, la « libéralisation » du marché pourrait se passer au dépens des producteurs de la matière première.