Journée banale : 45 personnes noyées

Cela pourrait surprendre les gens qui ne suivent que les média réguliers, mais il y a dans ce monde encore autre chose que les aventures de la corona. Prenons par exemple ce qui s’est passé le 17 août, une journée banale comme tant d’autres. Je traduis un article paru sur il manifesto du 21 août.

« Nous étions à la dérive quand un navire de patrouille libyen nous a rejoints. Les miliciens nous ont dit qu’ils nous sauveraient et ramèneraient en Libye si nous leur donnions nos portables et notre argent, mais nous n’avions pas d’argent. Il y a eu une discussion et à la fin ils ont tiré sur notre zodiac et ils ont atteint le moteur et quelques bidons d’essence. Nous nous sommes jetés à l’eau, mais beaucoup d’entre nous sont morts. » Voici le rapport de quelques survivants du naufrage du (lundi) 17 août, mais dont on n’a reçu la nouvelle que mercredi, et qu’ils avaient raconté aux volontaires de Alarm Phone, la plateforme qui assiste les migrants en difficultés sur la Méditerranée. « Quelques heures plus tard est arrivé un bateau de pêche qui nous a sauvés et débarqués », le témoignage poursuit.

Selon la reconstruction par Alarm Phone, le zodiac avec 81 personnes à bord (et non 65, comme on croyait initialement) était parti de la Libye le 14 ou le 15 août, mais presque immédiatement des problèmes avaient surgi. Dans le naufrage 45 personnes sont mortes, dont cinq enfants, tandis que les 36 survivants ont été transférés vers un centre de détention libyen, géré par le gouvernement de Tripoli. Il s’agit de citoyens provenant du Sénégal, de Mali, du Tchad et de Ghana.

Mais celle du 17 août pourrait bien ne pas être la seule tragédie de ces jours-là. En effet, on n’a plus de nouvelles d’un autre zodiac avec cent migrants qui serait parti dimanche ou lundi d’une localité au nord de Zuara. « Des personnes de la communité érythréenne nous appellent pour nous dire qu’au moins dix de leurs parents se trouvaient à bord », dit-on chez Alarm Phone. Le zodiac aurait coulé après l’explosion d’un des compartiments gonflables. Les nouvelles sont encore incertaines et tout à fait à vérifier, mais il semble que dans ce cas également, un bateau de pêche soit intervenu pour secourir les survivants.

Celui du 17 août est le naufrage le plus grave de cette année et il fait monter le nombre des victimes dans la Méditerranée centrale, qui ainsi se confirme comme la route la plus dangereuse au monde, à au moins 302 personnes dans les huit premiers mois de 2020.

Cette situation est devenue encore plus dramatique par l’absence des navires des ONG, dont quatre sont toujours séquestrés pour cause d’irrégularité. Aujourd’hui devrait arriver dans la zone la Sea Watch 4, que l’ONG allemande gère en coopération avec Médecins sans frontières.

En ce moment, il y des dizaines de navires, partis de la Libye ou de la Tunisie, qui essaient de rejoindre l’Italie. Hier était aussi une journée de débarquements à Lampedusa avec l’arrivée d’un bateau avec 87 migrants à bord et deux petits navires avec 9 et 16 tunisiens. Ainsi s’est encore aggravée la situation de surpeuplement dans le hotspot du quartier Imbriacola, où 1.137 personnes étaient présentes hier en face d’une capacité maximale de 192.

« … un centre de détention libyen, géré par le gouvernement de Tripoli. » L’auriez-vous su en suivant les média grand public, que non seulement la situation dans les camps de détention est horrible, mais que depuis un an et demi la Libye traverse une véritable guerre (civile) où diverses parties font usage de supports militaires actifs de la part de l’Italie, de la France, du Qatar et des Émirats arabes et de l’Égypte, et où des mercenaires russes et d’anciens combattants de l’État islamique (Daesh), engagés par la Turquie, interviennent sur place ? Non, parce qu’ici, c’est le port obligatoire du masque qui est une tragédie sociale et une atteinte profonde aux droits de l’homme.

Fort Corona

Globalisering is niet iets van de afgelopen veertig, vijftig jaar. Tweeduizend jaar geleden waren economie en politiek al ‘globaal’. Het Romeinse keizerrijk voerde goud, wierook en mirre in vanuit Azië; generaals uit Noord-Afrika leidden de Romeinse legers. Europese reizigers brachten verhalen en goederen mee terug uit China, Indië en Perzië. Vikings vestigden zich op Newfoundland. Politieke en economische netwerken waren niet minder globaal in 1347, toen een Genuees schip na zijn terugkeer uit de Krim de rattenvlooien die de yersinia persis bacterie droegen mee naar Marseille bracht. De zwarte pest verspreidde zich van daar over de hele méditerranée en Europa, tot in Scandinavië. Mensen, koopwaar en epidemieën hebben altijd al over de hele wereld gereisd.

Nu heb je Fort Europa en de coronacrisis. Vandaag, in het begin van de lente van 2020, vallen nog steeds talloze slachtoffers aan de muren van Fort Europa. In de eerste vijftien weken van het jaar had het Missing Migrants Project van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) al 241 doden en vermisten geteld in de Middellandse Zee. In de tweede week van april redden schepen van ngo’s en vrijwilligersorganisaties honderden uitgeputte migranten voor de kusten van Libië, Malta en Sicilië. Tegelijk woedt wereldwijd de pandemie toegeschreven aan sars-cov-2. De inmiddels uitpuilende vluchtelingenkampen op de Griekse eilanden zijn door de overheid hermetisch afgesloten. Daar valt niet meer te ontkomen aan besmetting.

Maar niet alleen degenen die radeloos proberen het fort binnen te komen zijn het slachtoffer van covid-19; ook zij die het fort hebben opgetrokken voor hun eigen bescherming, worden nu binnenin bedreigd door de gevreesde ziekte. De beide fenomenen, zij die hun toevlucht zoeken in Europa en het virus dat daar huishoudt, worden in populaire media benaderd als bedreigingen voor de interne veiligheid. En hoewel het fort en de epidemie als beeld in wezen grondig verschillen en dus metaforisch tot andere benaderingen kunnen leiden, is de militaire metafoor op de twee domeinen dominant. Bij de verdediging van Fort Europa is die evident, maar ook inzake de omgang met de epidemie bestoken de media je met verhalen over de dagelijkse strijd van onze helden aan de frontlinie tegen het virus.  Wat Fort Europa en de coronacrisis gemeen hebben is een benadering van pacificatie, waarin zowel leger als politie worden ingezet en waarin het onderscheid tussen landsverdediging en sociale controle is vertroebeld.

Dit heeft zo zijn consequenties voor het denken over macht en weerstand. De manier waarop de bevolking gemobiliseerd wordt om met beide bedreigingen om te gaan, drukt een bepaalde vorm van macht uit, maar constitueert die tegelijk ook. En waar macht is, is weerstand; geen macht zonder weerstand. De vraag is dan: hoe kan je die weerstand vorm geven, en zo invloed uitoefenen op de macht? Het gaat niet om een moreel oordeel, macht is niet juist of fout; het gaat om de vraag hoe je zelf invloed kan uitoefenen op de macht om om te gaan met fenomenen die beschouwd worden als bedreigingen.

 

Oorlog en epidemie

Ik heb al eerder geschreven over de metaforische kracht van Fort Europa, in Recht en kritiek 23/4 (1997), en in de bundel Critical Views on Crime, Policy and Social Control (University of Nicosia Press, 2014). Daarom hier nog slechts even kort. Fort Europa wordt in de jaren 1980 de dominante metafoor in het denken over het binnenlands en internationaal beleid van de Europese Unie om het verblijf van ongewenste migranten te ontmoedigen door ze af te schrikken, af te weren en desnoods uit te zetten. Binnenlandse maatregelen – zoals de uitsluiting van openbare voorzieningen en de reguliere arbeidsmarkt – gaan daarbij gepaard met de versterking en het vooruitschuiven van de Europese grenzen. Europese buitengrenzen worden in snel tempo omgevormd van territoriale scheidingslijnen tot gemilitariseerde zones, volgestouwd met elektronische surveillance en een archipel van detentiecentra. Inmiddels hebben verschillende Oost-Europese lidstaten ook hun nationale grenzen omgevormd tot muren en driedimensionale afrasteringen om toch maar elke mogelijke ‘infiltratie’ van migranten tegen te gaan. De politiek waarbij ‘bufferlanden’ in Afrika en Oost-Europa de verdediging van Fort Europa opnemen, werkt in zekere mate. Vluchtelingen bereiken amper nog de Europese Unie; niet alleen kunnen zij daar geen asiel meer aanvragen, ook worden zij nu vastgezet in landen die noch de logistieke capaciteit, noch de politieke wil hebben om immigranten op te vangen. Zo komen zij terecht onder bevolkingen die zelf leven in precaire omstandigheden en geneigd zijn tot vehemente xenofobe reacties.

In de lidstaten van West-Europa is inmiddels de bewaking van maatschappelijke instellingen door middel van identificatie en registratie veel belangrijker geworden dan de controle van de fysieke grenzen. Informatie en expertise zijn de centrale elementen in het beleid om Europa te verdedigen tegen een ‘invasie’ van migranten: binnenlands in de vorm van uitsluiting van documenten (denk aan de Franse term sans papiers), internationaal als uitsluiting door documenten (Dublinakkoorden, Schengen Informatie Systemen, biometrische registratie, …). Hoe dodelijk zij ook moge zijn, de fysieke controle van de buitengrenzen, o.m. door het beruchte Frontex, is in die zin een ouderwets defensiemechanisme.

Een van de zwakke punten van de metafoor Fort Europa is dat zij alleen negatieve betekenissen heeft, en dus uitsluitend gebruikt wordt door tegenstanders. Het beeld van het fort staat voor veiligheid. Het fort biedt aan degenen die binnen zijn, veiligheid tegen de bedreigingen van buiten. De logica van het fort is de logica van veiligheid, en dus van gevaar. Hoewel, erger dan de dreiging zelf is de angst ervoor. Het fort wordt verondersteld de angst voor de dreiging weg te nemen. Zij die hun toevlucht zoeken in het fort moeten zich veilig voelen omdat zij weten dat zij veilig zijn. Het is echter maar een specifieke categorie van mensen (‘burgers’) die toegelaten is tot de veilige plek. Dat is de paradox van Fort Europa: vlak voor de neus van al diegenen die van over de hele wereld hun toevlucht (asiel) zoeken in veilig Europa, worden de deuren van het fort dichtgegooid om de Europese burgers te beschermen tegen de dreiging van de asielzoekers.

In 2012 schreef ik: “Angst voor de dreiging van invasie impliceert ook een intensieve controle binnen in het fort. De angst voor de externe bedreiging keert zich naar binnen: zo komt een ideologie van binnenlandse veiligheid tot stand, gericht tegen de binnenlandse vijand. Grotere angst voor wat reeds onder ons is, leidt tot scherpere controle over ons allen.” Vervang invasie door coronavirus, en je krijgt: angst voor de dreiging van covid-19 leidt tot een intensieve controle binnen in het fort. De angst voor besmetting keert zich naar binnen: zo komt een ideologie van binnenlandse veiligheid tot stand, gericht tegen verspreiding van het sars-cov-2. Grotere angst voor wat reeds onder ons is, leidt tot scherpere controle over ons allen. Angst is een virus.

Hoewel het fort dus nu vervangen is door een epidemie, is de logica van oorlogsvoering en pacificatie dezelfde. Emmanuel Macron ging misschien nog het verst in zijn oorlogsretoriek, maar in zowat alle media wordt de fronttaal gehanteerd: “Medische strijd tegen falend afweermechanisme” (Apache, 14 april), “Vrijheid stopt waar besmetting begint” (De groene Amsterdammer, 2 april), “La guerra dei dati durante la pandemia” (il manifesto, 27 maart), “L’Europe en ordre très dispersé” (Mediapart, 15 april), “Coronavirus: des nouvelles du front” (Solidaire.org, 16 april) – om alleen enkele publicaties te noemen die ik van nabij volg. Parlementen zijn of hebben zichzelf buiten werking gesteld, regeringen regeren met noodverordeningen of decreten, er is een uitgaansverbod en ook andere grondrechten zijn opgeschort, er wordt openlijk gesproken over noodtoestand.

Dit kan vreemd lijken, zeker wanneer je kijkt naar de gevolgen die de ene of de andere metafoor heeft, wanneer je haar toepast op een maatschappelijk terrein waar zij allebei voorkomen: dat van de verboden roesmiddelen. De war on drugs is een zaak van strijd, justitie en politie: het gaat erom vijanden uit te schakelen, er zijn winnaars en verliezers, er is collateral damage (burgerslachtoffers). De drugsepidemie echter is een zaak van volksgezondheid – althans een moreel oordeel dat in een medisch beeld wordt ondergebracht; het gaat er om de verspreiding van gebruik en besmetting van nieuwe consumenten te beperken, wie slachtoffer wordt van de epidemie kan een beroep doen op behandeling.

Toch is de relatie tussen epidemie en binnenlandse veiligheid nauw. (Je spreekt over pandemie tegenwoordig, die nauwe relatie tussen epidemie en binnenlandse veiligheid manifesteert zich over de hele wereld.) ‘Epidemie’ komt gelukkig nog uit het Grieks, van επίδημος (epi-dèmos), over het volk, iets wat normaal vreemd is spreidt zich uit over het volk. Wat aanvankelijk vreemd was blijft dat tijdens de epidemie, maar het vreemde element nestelt zich in de bevolking en besmetting vindt plaats door contact tussen mensen onderling. Als de epidemie zich incorporeert in de mens, dan is het dus de mens, en niet het virus, die men moet controleren of isoleren. De meeste epidemieën kunnen overwonnen worden (oorlogsmetafoor) doordat zij een eindige snelheid hebben: het verspreiden van het vreemde in een relatief homogene of zuivere (= niet besmette) omgeving neemt tijd in beslag. En die tijd kan je gebruiken om de besmetting in te dijken (isolatie) of in snelheid in te halen en te stoppen (vaccinatie). Bovendien zijn epidemieën per definitie altijd vanzelf eindig; zij kunnen maar doorgaan zolang er voldoende mensen te besmetten zijn.

Epidemie kan de aanduiding zijn van een sanitaire situatie met besmetting, maar het is ook een metafoor voor de beveiligingsreacties die men neemt, een bepaald sanitair model om besmetting tegen te gaan. Die reacties worden deels bepaald door de vraag of je uitgaat van een systeem van besmetting van persoon tot persoon, of van een systeem van uitstraling vanuit een centraal punt van waaruit individuen bereikt worden, afhankelijk van de positie die ze innemen. In beide benaderingen is de centrale notie de blootstelling van het individu aan besmetting, en je ziet nu dat verschillende landen de twee benaderingen combineren, maar wel een klemtoon leggen op de ene of de andere. In België bijvoorbeeld heeft men van in het begin gekozen voor isolatie van individuen en het bewaren van fysieke afstand. Zweden en IJsland, en aanvankelijk ook het Verenigd Koninkrijk en Nederland, kozen voor de ‘groepsimmuniteit’. Het tegengaan van de epidemie is dan niet meer noodzakelijk gebaseerd op de controle van individuele contacten; een panoptische blik over het geheel, met voldoende controle over de besmettingshaarden zodat het geheel niet uit de hand loopt, is voldoende.

In beide benaderingen echter speelt technologie die het toelaat directe sociale verbanden te vervangen door indirecte of gemediatiseerde verbanden over het besmettingspunt heen een cruciale rol. En dan gaan andere mechanismen spelen dan het louter sanitaire model van epidemiebestrijding; het beveiligingsapparaat dat in werking treedt kent zijn eigen logica en autonome ontwikkelingen. Dat is wat speelt in de discussies over de controle-apps en de totalitaire richting die bestuur daarmee kan inslaan.

 

Biopolitiek

Zoals zo vaak, helpt het herlezen van Foucault om zaken van vandaag te begrijpen. In de jaren 1970 beschreef Michel Foucault zeer uitgebreid de omslag van disciplinaire machtsuitoefening naar wat hij biopolitiek en gouvernementalité noemde, en wat bij Gilles Deleuze in 1990 de controlesamenleving zou gaan heten. Bronnen en literatuur daarover zijn alom overvloedig te vinden. In het kort komt het erop neer dat machtsuitoefening die gecentraliseerd was bij een soeverein (dat kon ook de staat zijn), vanaf zowat de tweede helft van de 18de eeuw, in ieder geval in West-Europa en Noord-Amerika, aangevuld, getransformeerd of zelfs verdrongen wordt door andere vormen van machtsrelaties op verschillende niveaus. ‘Recht over de dood’ wordt steeds meer ‘macht over het leven’, stelt Foucault in 1976. Bij de disciplinaire machtsuitoefening gaat het nog om het geheel van niet-gewelddadige technieken en praktijken die gericht zijn op regulering van individuele lichamen en lichamelijke gedragingen. Surveiller et punir uit 1975 gaat daarover. Maar al heel snel introduceert Foucault begrippen als bio-pouvoir, biopolitique en gouvernementalité. Machtsuitoefening vindt dan niet meer uitsluitend plaats op de lichamen op zich, maar via deze op het hele (menselijke) leven, van geboorte tot dood (“Faire vivre et laisser mourir”), op hoe je je voedt en kleedt, wat je leest en maakt, hoe je woont, denkt, praat en je verbindt met anderen. Deze nieuwe machtstechnologie, schrijft Foucault, “kenmerkt een macht waarvan de hoogste functie voortaan misschien niet meer is te doden maar het leven volledig te bezetten”. Biopolitieke macht is niet meer een macht die van buitenaf op je wordt uitgeoefend, maar het geheel van automatische, onzichtbare en alledaagse processen die maken wie je bent, hoe je jezelf ziet, maar ook hoe je onopvallend bestuurd wordt. Politiek maakt en vormt op verschillende manieren en doorheen diverse processen lichamen tot wezens die functioneren, die produceren en reproduceren en consumeren, die in staat zijn zichzelf als subject of als identiteit te benoemen en voor te stellen. Macht, taal en subjectiviteit zijn onlosmakelijk en in alle mogelijke richtingen met elkaar verbonden.

Dat zie je goed in de huidige coronacrisis. Macht wordt niet alleen uitgeoefend door mensen ‘op te sluiten’ of met dwang hun bewegingsvrijheid te beperken; de belangrijkste machtsuitdrukking zit onzichtbaar in het feit dat zoveel mensen zich uit eigen beweging (laten) opsluiten en zonder problemen zichzelf beperkingen aan hun bewegingsvrijheid (laten) opleggen. Of ook: welke mechanismen maken dat ogenschijnlijk slechts een fractie van de bevolking lijkt mee te gaan in de complottheorieën over de oorsprong van het coronavirus, en men blijkbaar wel in meerderheid het idee van een ‘natuurlijke’ fataliteit accepteert? Of nog: ineens is een belangrijk maatschappelijk onderscheid tussen lichamen niet meer gebaseerd op klasse of gender, maar op leeftijd – schoolkinderen, jongeren die normaal aan het werk zouden zijn, ouderen, bejaarden. En zeker: de enorme vloed aan woorden en begrippen die in alle talen ontstaat om nieuwe fenomenen aan te duiden of bestaande fenomenen een nieuwe betekenis te geven in deze speciale coronatijden.

Mondiaal gezien heeft het kapitalisme een stadium bereikt dat wordt gekenmerkt door de inkapseling van contingentie, diversiteit, mobiliteit en flexibiliteit. Het is niet toevallig dat concepten als subsidiariteit, multiculturalisme of multi-level governance sleuteltermen zijn geworden in delen van de politieke filosofie en de bestuurswetenschap. Begrippen als deze drukken de biopolitieke metamorfose van de samenleving uit. Die biopolitieke gouvernementaliteit is in belangrijke mate gebaseerd op een gedifferentieerde benadering van mensen, op het maken van onderscheid en het verschillend behandelen van groepen of individuen in de samenleving. Zo kan je de huidige verschillen in migratieregimes begrijpen. De biopolitiek van mobiliteit manifesteert zich niet alleen door het al dan niet toelaten van bepaalde categorieën van migranten in Europa; een van de belangrijkste manieren waarop macht wordt uitgeoefend in de huidige diversiteit van regimes van mobiliteit (en immobiliteit) is het doordringen van de geest van mensen van categorieën als echte en economische vluchtelingen, radicalisering en deradicalisering, schijnhuwelijk of gelukzoekers.

De beleidsmaatregelen in de coronacrisis drijven de differentiatie van de bevolking nog een eind door. Dankzij de digitalisering van een groot deel van het maatschappelijk leven slaagt men er in de samenleving nog verder te atomiseren: ieder op zijn/haar eigen plekje, op veilige afstand van de ander, virtueel met elkaar verbonden door de wonderen der techniek – althans voor wie geen uitzonderingsregime geldt. En die uitzonderingsregimes zijn er, in ruimte en tijd beperkt en wel omschreven, voor het medisch personeel, voor de essentiële verplaatsingen, voor de vuilnisophaling, voor het kattenvoer, voor de vaste vriend/in met wie het toegestaan is op veilige afstand van elkaar te wandelen in een park nabij de verblijfplaats zonder op een bankje te rusten, voor het uitvoerend personeel dat uiteindelijk er voor moet zorgen dat de samenleving minimaal blijft draaien. Problematisch zijn die categorieën burgers die niet in isolatie bestuurd kunnen worden: de dak- en thuislozen, de asielzoekers in de opvangprocedure, gedetineerden, de armen die uitgesloten zijn van digitale communicatie en controle.

Op Mediapart  ziet ook filosoof Paul Preciado de relatie tussen het Europese migratiebeleid en corona:

Covid-19 heeft de grenspolitiek van het nationale grondgebied of het Europese superterritorium verplaatst naar het individuele organisme. Het lichaam, ons individuele lichaam, als ruimte van leven en als netwerk van macht, als centrum van productie en consumptie van energie, is het nieuwe territorium geworden waarop de gewelddadige grenspolitiek die wij al jaren uittesten op ‘de anderen’, nu de vorm aanneemt van een oorlog tegen het virus. (…) Jarenlang hebben wij de migranten en de vluchtelingen in detentiecentra geplaatst, politieke grensgebieden zonder recht of burgerschap, eeuwige wachtzalen. Vandaag zijn wij het die in de detentiecentra van ons eigen huis leven.

Nee dus, de maatregelen die vandaag genomen worden om covid-19 te beteugelen worden niet toegevoegd aan het arsenaal van ingrepen die voortaan politiek mogelijk zijn; het zijn de ingrepen die al mogelijk waren ten aanzien van migranten, die nu ook worden toegepast binnen het fort, op de inwoners.

P1020619x

 

Macht en verzet

Nogmaals: praten over weerstand in deze context gaat niet op de eerste plaats over kritiek op de manier waarop vandaag de verspreiding van covid-19 wordt aangepakt. Er is kritiek uit te oefenen, en dat gebeurt ook, op de aantasting van grondrechten, de gebrekkige juridische grondslag hiervoor, de manier waarop overheden gebruik maken van noodverordeningen, de onduidelijkheid over wat er kan of zal gebeuren met al de data die mensen vrijwillig gaan afstaan aan de overheid (zolang het aan Google of Facebook was, kraaide er vrijwel geen haan naar),  de retoriek waarin ‘privacy’ gesteld wordt tegenover ‘het broodnodige herstel van de economie’, enzovoort.

Een traditionele vorm van verzet tegen machtsuitoefening bestaat uit het (terug) opeisen van de publieke ruimte. Massademonstraties, heet dat, het tijdelijk in bezit nemen van straten en pleinen om eisen, verlangens of frustraties kenbaar te maken. Die fysieke bezetting van de publieke ruimte, hoe belangrijk die ook mag zijn voor het creëren van een groepsgevoel of voor de symboliek van de (tijdelijke) inbezitname, ik heb het er moeilijk mee – niet alleen omdat ik niet hou van groepsactiviteiten, maar ook omdat ik twijfel aan de inzet en de motivatie van wie daaraan meedoet. In mijn jeugd heb ik wel eens meegelopen in betogingen, waarbij degene met de megafoon op gezette tijden een groepje demonstranten aanmaande om tien seconden neer te hurken zodat er een afstandje ontstond met degenen die gewoon verder liepen, en om daarna hollend over veertig meter de voorgaande groep weer in te halen. Ik vond het altijd gênant belachelijk. Maar wat zie je nu op het omslag van Solidaire n°2 van 2020: een groepje manifestanten dat met open mond lachend en met een blikje bier en een peuk in de hand naar voren komt gelopen. Wat moet je hier mee?

Doordat biopolitieke machtsuitoefening ongemerkt een integraal onderdeel is van je subjectiviteit of identiteit,  zo constituerend is voor wie je bent – aan de verwevenheid van je taal, je identiteit en (je) microfysica van de macht valt niet te ontkomen; dat ben je helemaal zelf – is het ook zo moeilijk om de oude categorieën van weerstand en verzet opnieuw te conceptualiseren. Categorieën als goed of slecht zijn hier niet van toepassing; je kan niet voor of tegen de werking van macht zijn. Wat je wel kan overwegen, is binnen dat kader van biopolitiek te streven naar of te werken aan andere vormen van bestuur, van bewustzijn of van levensomstandigheden.

Hoewel de metafoor van het fort zeker kan helpen om het actuele migratieregime te begrijpen, heeft zij zo haar grenzen wanneer het erom gaat zaken als verzet, ondermijning, sabotage, weerstand of alternatieven te conceptualiseren. In het kapitalisme van de afgelopen decennia heeft zich namelijk een fundamentele ommekeer in de representatie van macht voltrokken. Wat vroeger een sedentaire concrete massa was (het fysieke fort met wallen en een slotgracht) heeft zich in de dagelijkse praktijken ontwikkeld tot een nomadische (elektronische) vloed – en dat geldt des te meer wanneer het gaat om de machtspraktijken met betrekking tot het beheer van de corona-epidemie.

In 1996 stelde het Critical Art Ensemble:

Ooit representeerde de macht zichzelf doorheen verschillende types van spektakel (media, architectuur, …) als een zichtbare sedentaire kracht; nu heeft zij zich teruggetrokken in cyberspace waar zij als nomade over de wereldbol kan zwerven, altijd afwezig voor tegenkrachten, maar altijd aanwezig waar en wanneer zich ergens een opportuniteit voordoet.

Vandaag staan de monumenten van de macht er nog steeds, zichtbaar en stabiel, maar de instanties die de macht uitoefenen zijn allang niet meer zichtbaar of stabiel. En dus kunnen bezettingen of blokkades, acties in de fysieke ruimte, misschien wel tijdelijk de doorstroming van mensen en goederen beïnvloeden, maar de stroom van informatie en kapitaal blijft onaangeroerd. En hoe zou je in vredesnaam fysiek kunnen ingrijpen om de machtsuitoefening te beïnvloeden die de coronacrisis beheert? Een machtsstructuur kan je niet ‘neerslaan’ door, zoals de CAE stelt, “een monumentaal tegenspektakel te construeren dat de symbolische orde van de bunker kan bestrijden (en hopelijk overweldigen)”.

De noodzaak om na te denken over nieuwe vormen van verzet is des te belangrijker omdat nog lang niet duidelijk is wat er op dit ogenblik allemaal wereldwijd aan het veranderen is op het gebied van identiteit, taal en macht door de constante uitbouw van internet en het gebruik van mobiele informatie- en communicatietechnologie, big data, het groeiende klimaatbewustzijn, ontwikkelingen in de biotechnologie en artificiële intelligentie, de wildgroei aan surveillancetechnologie, en niet te vergeten, de crisis van het financiële kapitalisme en zijn mondiale just-in-time productieketens. Voor klassieke marxisten bepaalt de onderbouw de bovenbouw, het geheel van productiekrachten (productieverhoudingen, technologie) vormt de basis voor staat, politiek, cultuur, taal, subjectiviteit. Ja, maar weerstand is niet enkel een kwestie van ingrijpen in de productiekrachten opdat de context zou veranderen; weerstand vereist ook een beeld en een taal en een identiteit die het mogelijk maken te denken over hoe je de macht wil beïnvloeden, met welk doel.

Het is duidelijk dat vandaag weer eens – en scherper dan ooit – de desastreuze gevolgen zichtbaar zijn van de decennia lange afbraak onder het motto There is no such thing as society, en dat de herovering van het gemeengoed een prioriteit is. En ook wat je eigenlijk al lang wist wordt nu elke dag opnieuw bevestigd: als het om veiligheid gaat, zijn zorg en solidariteit veel belangrijker dan de druk om je zelf als individu zo goed mogelijk te positioneren op de markt van winst en verlies. In de populaire media en de verschillende politieke varianten van het sociaaldemocratisch denken gaat het dan al gauw over de terugkeer van ‘de staat’. Nu de vrije markt bewijst dat zij een pandemie als deze niet aankan, moet de staat weer optreden om de meubelen te redden. Maar is het zo simpel? Zijn er geen andere taal, geen andere subjectiviteiten denkbaar dan die van een nieuwe onderwerping aan de staat en ‘de economie’?

Het spel van oorlogsvoering en pacificatie kan je nooit winnen tegen de huidige (boven)statelijke constructies. Bovendien, als je zelf het product bent van onzichtbare biopolitieke processen, en als gouvernementalité zich voordoet als een opeenvolging van mediagebeurtenissen in de spektakelmaatschappij, dan verdwijnen ook de heftige tegenstellingen waarop radicale verandering is gebouwd. Natuurlijk zijn er nog steeds uitbuiting, repressie, honger, ellende, geweld en ontiegelijk veel schoften, maar hebben de revoluties en bijna-revoluties van de afgelopen eeuwen dat ooit fundamenteel veranderd?

Meer dan vijftig jaar geleden gaf Raoul Vaneigem een lesje in tactiek:

Een efficiënt hiërarchisch georganiseerd leger kan een oorlog winnen, maar niet een revolutie; een ongedisciplineerde bende kan geen van beide. [-] Hiërarchische organisatie en volledig gebrek aan discipline zijn allebei inefficiënt. In de klassieke oorlogsvoering is het inefficiëntie van de ene zijde die triomfeert over de inefficiëntie van de tegenstander door haar technische superioriteit. Maar in een revolutionaire oorlog overvalt de poëtische kracht van de rebellen de vijand bij verrassing, en zo ontneemt zij hem zijn enige voordeel, nl. het technologische. Zodra echter de guerrillero’s hun tactiek te vaak herhalen, leert de vijand om het spel toch volgens zijn regels te spelen, en zal een anti-guerrillacampagne alle kansen krijgen om de toch al ingehouden creativiteit van het volk te vernietigen of op zijn minst te blokkeren. [-] De revolutie kan niet gewonnen worden, noch door een opeenstapeling van kleine overwinningen, noch door een algemene frontale aanval.

Onderdrukking is niet langer meer gecentraliseerd, want onderdrukking is overal. Het positieve aspect hiervan is dit: iedereen begint te zien, in een toestand van bijna totaal isolement, dat men op de eerste plaats zichzelf zal moeten redden, dat men zichzelf zal moeten zien als het centrum, en dat het vanuit de eigen subjectiviteit is dat men een wereld zal moeten bouwen waar iedereen zich thuis voelt.

Geen egoïsme dus, een wereld waar iedereen zich thuis voelt, maar wel vertrekkend vanuit de eigen situatie. Als immers politieke antagonismen amper meer zijn dan gemediatiseerde spiegelbeelden van elkaar, rest er weinig anders dan tactieken van subversie of détournement in de zin van de Internationale situationniste.  Zo’n tactiek bestaat uit twee fasen. Eerst moet elk origineel en onafhankelijk element van het spektakel (discursief of niet) losgemaakt worden van zijn actuele betekenis en waarde, om te voorkomen dat de subversieve poging uiteindelijk toch maar leidt tot recuperatie door de dominante mechanismen van de spektakelmaatschappij. Vervolgens moet het dan lege element weer opgeladen worden met een nieuwe en frisse betekenis. In Berlijn worden nu dit soort acties overwogen of voorbereid, schrijft een lokale politicus in de taz. Niettegenstaande het samenscholingsverbod zouden duizenden mensen overal in de stad kunnen gaan joggen (dat mag wel, individueel), met een afgesproken dresscode, waarvan vooraf ruim bekend is gemaakt dat die staat voor een bepaald politiek protest. Of: als de voetpaden te smal blijken te zijn om met veel mensen tegelijk met een tussenafstand van anderhalve meter aan toegestane sport of beweging te doen, neem gecoördineerd de hele straat in.

Het zijn vormen van protest in tijden van beperking, maar is dit werkelijk een ingrijpen in biopolitieke macht-taal-subjectiviteitsprocessen, of zelfs maar in het wezen van de spektakelmaatschappij? Guy Debord, Vaneigems kompaan in de Internationale situationniste, merkte eens op dat het evident is dat geen enkel idee voorbij het bestaande spektakel kan leiden, maar slechts voorbij de bestaande ideeën over het spektakel:  “Car il est évident qu’aucune idée ne peut mener au delà du spectacle existant, mais seulement au delà des idées existantes sur le spectacle”. Als het alleen om ideeën en concepten gaat, als de constructie en de organisatie van de wereld uitsluitend discursief zijn, zal elk kritisch vertoog meewerken aan de constructie van de wereld die het beschrijft of bekritiseert. En dus blijft de vraag: maakt het feit dat een vertoog historisch en sociaal geconstrueerd is, het verzet dat je er van uit wil laten gaan noodzakelijk irrelevant?

Terug dus naar de biopolitiek. Preciado schrijft: “Si nous voulons résister à la soumission, nous devons muter, comme le virus.” Er is nood aan een nieuwe subjectiviteit, aan nieuwe strategieën van waarheid en verzet, aan het formuleren van nieuwe antagonismen die het mogelijk maken nieuwe talen te ontwikkelen om nieuwe gevechten om de macht te voeren. Een belangrijke stap is het opgeven van door nationale grenzen vastgestelde identiteiten en het opzetten van gedecentraliseerde netwerken van wederzijdse hulp. Niet van do ut des, maar uitwisseling van zorg en hulpbronnen op een wijze dat iedereen een motief heeft om naar eigen vermogen bij te dragen. En eigenlijk, als je goed doordenkt, en je houdt rekening met de interacties tussen subjectiviteit, taal en machtsprocessen, vereist dit een politieke transformatie waarin de hele planeet, zowel levend als inert, volop gerespecteerd wordt.

Tiens, hoor je daar echo’s van Latour of van de klimaatdiscussies? Beide moeten mogelijk zijn: initiatieven als het Parlement der dingen of de Ambassade van de Noordzee, die aantonen dat de mens niet de maat der dingen is en luisteren naar wat de ganse planeet te zeggen heeft, èn pogingen om nieuwe vertogen, nieuwe identiteiten, nieuwe machtsprocessen vorm te geven die kunnen bijdragen aan meer sociale rechtvaardigheid. Het een kan trouwens niet zonder het ander.

Allez, circulez!

In zijn analyse van de relaties tussen de twee extreemrechtse partijen Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA) en Vlaams Belang (VB) stelt Loonis Logghe in Lava 11 (‘De pikzwarte tweekoppige leeuw’): “Het grootste verschil tussen N-VA en Vlaams Belang ligt in de mogelijkheden die ze open laten voor wie tot ‘de natie’ kan behoren. N-VA noemt zichzelf ‘civiele nationalisten’, die toelaten dat mensen van over de hele wereld deel kunnen uitmaken van de gemeenschap, zo lang ze zich volledig assimileren met de identiteit van het ‘oorspronkelijke volk’. Het Vlaams Belang laat die mogelijkheid niet toe: voor hen bepalen achtergrond en ras de cultuur, wat niet te omzeilen valt.”

Nu blijkt dat onderscheid misschien wel uit teksten van beide partijen, maar beleidsmatig streeft ook de N-VA er naar integratie, laat staan assimilatie, van nieuwkomers zoveel mogelijk te belemmeren. Na uitgebreid en langdurig overleg tussen de beide nationaal-populistische partijen legde immers de N-VA in oktober 2019 aan haar coalitiepartners een regeerakkoord voor dat stipuleert: “Nieuwkomers die succesvol inburgeren, krijgen alle kansen in onze samenleving.” En vervolgens worden maatregelen aangekondigd om ‘succesvol inburgeren’ zo veel mogelijk te verhinderen. Zo vermeldt hetzelfde regeerakkoord onder meer: “We stappen af van het gratis inburgeringsbeleid. Inburgeraars zullen een financiële vergoeding moeten betalen van twee keer 90 euro wanneer ze een inburgeringscontract tekenen. (…) Bij het afleggen van de toetsen NT2 en maatschappelijke oriëntatie betalen ze voor elk van deze twee toetsen 90 euro. (…) Indien de inburgeraar niet slaagt, dient men opnieuw te betalen voor een nieuwe test. Onkosten die de inburgeraar maakt in het kader van zijn inburgeringstraject (bv. vervoersonkosten) kunnen niet langer worden terugbetaald door de Agentschappen.” En dat gaat dan nog alleen om verplichte cursussen en opleidingen; ook fundamentele zaken als wonen, werk en financiële ondersteuning in nood worden steeds minder bereikbaar gemaakt voor nieuwkomers. In die zin is er steeds meer sprake van één blok N-VA/VB.

Waarin de napo’s van N-VA/VB ook vrij eenstemmig zijn, is hun afkeer van Europa, althans van de Europese Unie en de Europese instellingen. Dat is niet onlogisch. De formele grondslag van de Europese Unie ligt in het bevorderen van het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal (in die volgorde, en althans voor zover die personen enzovoort zich toch al binnen de grenzen van de Unie bevinden). Circuleren, daar gaat het bij de EU om, niet om integreren. Integratie is in wezen een nationalistische doelstelling: wie op een bepaald ogenblik ophoudt te circuleren, moet zich integreren in de natie. Alleen, als je geen ‘integratie’ van vreemd gespuis in je zuivere ‘natie’ wil, moet je dus ook dat circuleren tegengaan. Europa, allemaal goed & wel, maar dan wel als een vrije samenwerking van blanke organische naties, die zelf hun grenzen beschermen. Niet voor niets beschreef in DS weekblad een vriend de ideoloog van N-VA, Joachim Pohlmann, in deze woorden: “Joachim is een van de weinige mensen in Vlaanderen met wie je kan doordiscussiëren over de Duitse idealisten. Denkers die de waarden van de klassieke oudheid verbinden met die van de verlichting, de romantiek en het christendom. Het zijn échte Europeanen.” Tot daar de omschrijving van echte Europeanen.

Maar wat moet je dan met personen die uitgecirculeerd zijn? Is het ‘succesvol inburgeren’ van N-VA hetzelfde als ‘integratie’? De partij stuurt een Vlaams Agentschap Integratie en Inburgering aan, dus blijkbaar gaat het om twee verschillende zaken. Ik weet het, tien jaar geleden nog bestond inburgering uit het leren van de taal, van de ‘normen en waarden’ van de Vlaamse samenleving (voortaan de Vlaamse Canon), en van wat praktische zaken zoals het gebruik van de 10-rittenkaart van De Lijn. Integratie was dan weer een wederzijds proces waarin nieuwkomers en autochtonen leerden samenleven met elkaar. Integratie betekende letterlijk opgenomen worden in de ontvangende  gemeenschap.

Sinds de erkenning van het begrip superdiversiteit zijn die simpele vormen van integratie en inburgering een stuk complexer geworden. De decennia lange circulatie naar en binnen Europa heeft overal neerslagen en sporen nagelaten, die maken dat er niet meer zo maar één gemeenschap is waarin je kan inburgeren en integreren. Zelfs de officiële ‘ontvangende’ gemeenschap heeft al lang niet meer één eenduidig kader van normen, waarden en cultuur. Het erkennen van superdiversiteit komt er eigenlijk op neer dat je per context kan uitmaken welke integratie je wil. Traditioneel maak je om te beginnen een simpel onderscheid tussen liberale integratie of burgerschap (het recht om rechten te hebben) en republikeinse integratie of burgerschap (politieke deelname). Wil je gewoon het recht hebben om aanspraak te maken op een tegemoetkoming, of wil je zelf mee kunnen bepalen wie dat recht kan hebben, wanneer en hoe?

Uit alles blijkt dat de napo’s het moeilijk hebben met zowel de liberale als de republikeinse vorm van burgerschap of integratie (de enkele vrouwelijke N-VA-boegbeelden met Marokkaanse of Koerdische achtergrond doen daar niet aan af). Van oudsher was nationaliteit (het behoren tot de formele natie) het criterium en het bewijs van volwaardige integratie en burgerschap, tegelijk liberaal en republikeins.  De napo’s zagen het gevaar: als al wie circuleert na verloop van tijd en onder bepaalde omstandigheden de nationaliteit kan verwerven, dan zijn wij nog even ver van huis. Naturalisering (de toekenning van de Belgische nationaliteit) is moeilijker geworden, daarover kon men al een tijd geleden een brede nationale consensus creëren – al goed dat er (voorlopig) niet ook een Vlaamse nationaliteit is. Wat er nu, ironisch genoeg, voor de N-VA/VB overblijft om te voorkomen dat de volksgemeenschap blijvend geïnfiltreerd wordt door nieuwkomers, is een perverse interpretatie van het motto van de Europese Unie: Allez, circulez!

Un monde sans frontières

Un des thèmes sur lesquels est construit ce site s’appelle a better life – une meilleure vie. Mais, comme tient à le préciser le philosophe africain Achille Mbembe, nous avons hérité d’une histoire dans laquelle il paraît normal que la meilleure vie des uns soit le fruit du sacrifice constant de celle d’autres. Un instrument crucial dans ce mécanisme de bénéfices et pertes, de mieux et pire, est la redistribution de la terre – non seulement dans un sens concret, mais aussi comme concept : l’attribution et la reconnaissance de la terre où l’on pourra vivre sa vie.

En effet, si les uns croient pouvoir rendre leur monde plus sûr et sauf en éliminant tout risque, ambiguïté ou incertitude et en s’enfermant une bonne fois pour toutes dans une identité fixe, leurs politiques envers les autres n’envisagent pas seulement le contrôle des corps de ceux-ci, mais aussi bien de leurs mouvements, leur mobilité.  Les politiques actuelles de libre échange et de contrôle des migrations acceptent bien le principe de libre circulation. Libre circulation de capital, libre circulation de marchandises ou de services … oh oui ! mais la libre circulation de personnes est restreinte à celles originaires des états économiquement riches.  

La production d’images et de récits catastrophiques sur des futurs apocalyptiques tourne à plein régime, que ce soit sur les terrains de la migration ou du climat – pour autant que les deux ne soient pas liés. Dans ce contexte le principe de libre circulation est considéré simultanément comme une manifestation de liberté et comme une menace à l’ordre – l’ordre étant l’organisation de rapports de propriété inégaux et la manifestation de suprématie culturelle. Ce n’est d’ailleurs même pas le principe en-soi de la libre circulation des personnes qui est conçu comme une menace à l’ordre public, mais plutôt la circulation incontrôlable de personnes présumées inassimilables. Et c’est exactement là que l’aspect « racial » et la situation économique et sociale se renforcent. (Rappelez-vous comment le Japon, qui fut dès le début en 1920 membre permanent du conseil de la Société des Nations, après quelques années devint de plus en plus agressif dans la région et enfin se retira de l’organisation en 1933 par frustration de ne pas être reconnu parmi les pouvoirs coloniaux « blancs » comme la France ou la Grande Bretagne.)

Une part de la circulation est donc perçue comme manifestation de liberté (la circulation de capital, de marchandises, de services, et de personnes issues de l’ordre établi), une autre part est considérée comme dangereuse (la circulation des personnes extérieures à cet ordre). Ce que l’on essaie de faire alors, est gérer et contrôler la mobilité et la circulation des personnes étrangères en renforçant les frontières – géographiques, politiques, physiques, mais également celles imaginaires, narratives, mentales – qui sont érigées pour défendre la meilleure vie des uns en sacrifiant celle des autres.

Pourtant, le concept même de frontière implique qu’elle puisse être franchie. Une frontière que l’on ne pourrait pas franchir serait une limite ou une fin ou un terminus. En paraphrasant une farceuse que l’on préférerait oublier : Une frontière a toujours pour fonction d’être traversée. A tel point même que l’idée d’un monde sans frontières est de tous les temps. Utopique ? Certainement, l’idée même d’utopie fait référence à un lieu sans frontières, sans localisation exacte, sans détermination précise. L’imagination peut avoir ses limites, mais elle est sans frontières.

En tout cas, s’il y a un facteur qui a contribué au changement et à la transformation du monde, c’est bien la mobilité, la circulation de gens et la traversée de frontières. Historiquement l’échange à longue distance de contacts, de récits et de personnes a toujours été crucial à la production d’ expressions culturelles, de modèles politiques, de développements sociaux ou économiques. La mobilité, peut-être plus encore que la lutte des classes, a toujours été le moteur de l’histoire. (Negri et Hardt ont, dans Empire, magistralement combiné les deux dans leur analyse politique du monde contemporain.)

Réseaux et carrefours. Vous me direz que de nos jours il n’est plus nécessaire que les gens communiquent et se rencontrent physiquement. Tout le monde peut rester à sa place et capter ou informer le reste du monde. Oui, mais le monde est plus qu’un conglomérat de lignes et de points virtuels. C’est la mobilité qui produit la conscience d’espace-temps, nécessaire pour tout développement social.  Une meilleure vie ne peut être basé sur l’accumulation de biens et la peur de l’autre. La panique qui semble dominer aujourd’hui les attitudes politiques et sociales de beaucoup de gens engendre des politiques agoraphobes. Toute politique qui multiplie l’austéritaire par le sécuritaire et l’identitaire creuse en peu plus le fossé entre les démunis et ceux qui croient avoir sauvé leur petit bout de terre. Mais plus tard, quand la distinction sera devenue celle entre victimes et bourreaux, une bonne part de ceux qui se croient saufs maintenant, risquent de se retrouver du côté des perdants.

Ceux et celles qui ne cessent de manifester leur angoisse concernant l’évolution du climat savent déjà que leur problème outrepasse les frontières. Mais il en va de même pour la peur des effets de la mondialisation. Ce dont on a besoin est un imaginaire sans frontières, qui englobe une vision sur la vie humaine et non-humaine, sur le sol et la nature, sur la technologie, l’art et la distribution de richesses matérielles et immatérielles. Oui, le fascisme et le national-socialisme ont été l’expression de la volonté du peuple triomphant, sûr de sa souveraineté et de sa supériorité. Mais dire que ces philosophies du mépris ont apporté un brin de bonheur ou une meilleure vie ?

Atlantische oversteek

In 1939, aan het einde van de Spaanse burgeroorlog, werden ruim 20.000 republikeinen afgemaakt tijdens de zogenaamde operaciones de castigo y de limpieza (straf- en zuiveringsoperaties). Meer nog stierven er in de concentratiekampen, de gevangenissen en de werkkampen van het Franco-regime. Duizenden gevangenen uit de burgeroorlog eindigden in Duitse kampen. Van het half miljoen vluchtelingen die in enkele weken tijd de Pyreneeën waren overgestoken stierven er veel in de Franse interneringskampen. Vluchtelingen die de Franse overheid voor ‘gevaarlijk’ hield, werden overgebracht naar het Algerijnse kamp van Djelfa. In het algemeen verliep de repressie door het Franco-regime volgens het model dat de Generalísimo en zijn trawanten eerder in Noord-Afrika hadden uitgewerkt. Voor hen was er weinig verschil tussen het Spaanse proletariaat en de Marokkanen: allebei een inferieur ras, dat je met meedogenloos geweld moest onderwerpen. De Engelse historicus Paul Preston spreekt van een Spaanse holocaust.

Voeg daarbij de algemene toestand van extreme ellende na de oorlog: het gemiddelde inkomen per hoofd daalde op een bepaald ogenblik tot onder de laagste niveaus uit de negentiende eeuw. Niet moeilijk om te begrijpen dat niet alleen politieke opposanten probeerden weg te komen, maar ook tallozen die de vlucht namen voor de werkloosheid en de honger. De Spaanse overheid probeerde de emigratie zoveel mogelijk tegen te gaan, onder meer met allerlei bureaucratische maatregelen. Voor velen die de Atlantische oceaan wilden oversteken naar het beloofde land van Amerika, werd de tocht ofwel onbetaalbaar, ofwel legaal onmogelijk. Getuigen die het allemaal zelf hebben meegemaakt zijn er steeds minder, maar er is onderzoek en literatuur over te vinden, bijvoorbeeld over de clandestiene migratie vanuit de Canarische eilanden naar Venezuela in de jaren 1940 en 1950.

Tot de eerste decennia van de twintigste eeuw was de emigratie – legaal en illegaal – van canarios naar Amerika bijna een traditie. Die werd onderbroken tijdens de Republiek, maar kwam weer volop op gang na de (burger)oorlog, en dan vooral naar een land in volle ontwikkeling: Venezuela. Nacht na nacht scheepten clandestiene migranten in op scheepjes, ofwel gecharterd door mensen die politiek vervolgd werden, of anders voor veel geld ter beschikking gesteld door wie een kans op winst zag. De ‘politieke’ overtochten waren over het algemeen beter georganiseerd en minder duur; men betaalde wat men kon (soms alleen proviand of een geit), en men waakte ervoor de boot niet te overladen en zo mogelijk een minimum aan veiligheid te garanderen. De speculanten daarentegen eisten grote bedragen – waarvoor de emigranten zich vaak in de schulden moesten steken bij vrienden en familie –, en overlaadden de boten, die vaak alleen maar een geïmproviseerde bemanning hadden van migranten zelf.

De scheepjes waren overwegend vissersboten of kleine coasters, die konden gemist worden door de lokale eigenaars omdat zij toch in slechte staat waren, weinig navigatie-instrumenten hadden, en een motor die het niet noodzakelijk de hele overtocht zou uithouden (was het niet vanwege onherstelbare technische mankementen,  dan wel door gebrek aan brandstof). Het enige wat de opvarenden dan nog voortdreef, waren de passaatwinden, die vanaf de Canarische eilanden altijd naar het westen waaien. Wie zonder brandstof uit de koers van de passaatwinden geraakte, liep het risico om gewoon te blijven dobberen, terwijl intussen wel de voorraden en het water op geraakten. Als alles goed ging, en het scheepje niet aanspoelde op de kusten van Senegal, Guyana of Brazilië, kon men Venezuela bereiken in vijfentwintig tot dertig dagen, maar veel vaker werden het er veertig, zestig, of nog meer. Van grote lijnschepen was meestal geen hulp te verwachten; soms werd er wat voedsel en water over boord gezet, of gaf men aan welke koers aan te houden om Venezuela te bereiken.

Wie uiteindelijk zijn bestemming haalde kwam terecht in een staat die zich voortdurend heen en weer bewoog tussen militaire dictatuur en korte perioden van democratie. Het was dan ook altijd afwachten hoe de ontvangst zou zijn. Het eerste scheepje dat na de oorlog Venezuela haalde, de Mariuchi, had een groep anti-franquisten aan boord. Zij werden met enige welwillendheid ontvangen door de sociaaldemocratische regering van Rómulo Gallegos, die geen diplomatieke banden onderhield met Spanje en de vluchtelingen registreerde en verblijfsdocumenten bezorgde. Maar na de staatsgreep van 1948 kwam een militaire junta aan het bewind; die knoopte weer banden aan met het Franco-regime en beschouwde de immigranten als “ongewensten, delinquenten, communisten en piraten”.

Men verhinderde de bootjes om de havens binnen te varen, of ze werden weer naar volle zee gesleept. De migranten reageerden door hun scheepjes te laten zinken of tegen de rotsen te laten lopen of anderszins te doen stranden, zodat de autoriteiten gedwongen werden hen aan land te nemen. Daar werden zij dan echter gearresteerd en getransporteerd naar de kampen voor dwangarbeid op eilandjes als Gualsina of Orchila. Later werden zij gewoon opgesloten in gevangenissen of in kampen op het vasteland; in ieder geval iets minder erg dan de tropische hel op de eilandjes. (Ik bezocht ooit les îles du Salut voor de kust van Frans-Guyana, waar zich vanaf 1852 een Franse strafkolonie bevond – ik kan mij wat voorstellen bij die tropische strafkampen.) Uiteraard leefden de gevangen migranten in de angst om teruggestuurd te worden, maar vaak werden zij na enkele maanden gewoon los gelaten en verdwenen zij in de natuur en probeerden zij weer de kost te verdienen en een leven op te bouwen. Eind 1952 maakte het Franco-regime de emigratie vanuit Spanje een stuk makkelijker: grote groepen Spanjaarden kwamen nu legaal aan in Venezuela.

En nu, sinds een jaar of vijf, vluchten Venezolanen weer weg uit dat land: naar Spanje, naar Colombia, naar Curaçao. Vluchten is van alle tijden.

Deze tekst is gebaseerd op Francesca Lazzarato, Barche fantasma attraverso l’Atlantico