Zelf slachten

Terwijl iedereen al jaren wordt aangeraden minder vlees te eten vanwege de nefaste ecologische gevolgen van grootschalige veeteelt, zegt een prof aan de faculteit Diergeneeskunde van de ULiège: “Herkauwers zijn een meevaller voor onze planeet. Zij eten plantaardige eiwitten van lage kwaliteit en zetten die om in melk, vlees, wol, leer … en in mest. Die helpt om de bodem vruchtbaarder te maken, grondwatervoorraden in stand te houden en erosie en overstromingen tegen te gaan.” Het moet gezegd: de man is wel bestuurder van de nieuwe veehouderscoöperatie En direct de mon élévage.

Als je de Luikse gemeente Trois-Ponts uitrijdt richting Basse-Bodeux, zie je bijna aan het eind van het dorp aan de linkerkant van de baan een bakstenen pand, niet veel groter dan een doorsnee woonhuis, met het verweerde opschrift Abattoir. Dat was het gemeentelijke slachthuis, zoals wel meer gemeenten dat vroeger hadden. De toename aan richtlijnen en verplichte voorzorgen, samen met de drang naar schaalvergroting en goedkopere prijzen in de vleesindustrie hebben de laatste jaren veel van die kleine slachthuizen doen sluiten. Ook de kleine rundveehouders kunnen niet optornen tegen de giganten van het goedkope vlees. Niet dat overigens de gezondheidsvoorschriften en de industrialisering van de vleesproductie per definitie tot veiliger en beter voedsel hebben geleid. De vleesschandalen van de afgelopen jaren tonen aan dat er soms behoorlijk geknoeid wordt in de sector.

Nu heeft in het zuiden van België weer een aantal boeren een coöperatie opgericht om zoveel mogelijk de controle over hun werk te behouden en om de keten tussen producent en consument zo kort mogelijk te maken. (De eigenlijke producent van het vlees is de koe natuurlijk, maar goed.) En direct de mon élévage (‘rechtstreeks vanuit mijn veehouderij’) is de niet erg swingende naam van de vereniging – maar hij dekt wel de lading. Een negentigtal rundveehouders hebben zich verenigd om samen in Perwez (Brabant wallon) een hal uit te baten voor het versnijden van hun dieren. Het vlees leveren zij dan zelf aan slagers en enkele supermarkten, en steeds meer gaat op de boerderij zelf in de rechtstreekse verkoop aan de consument. Het doden van de dieren vindt voorlopig nog plaats in vijf lokale slachthuizen, maar de coöperatie hoopt op korte termijn een eigen abattoir te vinden.

Bij de betrokken boeren zijn er die bio Limousin telen of kwaliteitsrassen als Salers, Angus en Blonde de Gallice, maar ook veehouders met het meestal kapotgefokte blanc bleu belge (BBB). Het aardige is wel dat alle coöperanten dezelfde voedselrichtlijnen moeten volgen: gebruik van lokale voedergewassen (gras, maïs, …), bietenpulp of lijnzaadkoeken, aangevuld met vitamine E en selenium (als antioxidant).

Interessant is dat, naast het streven van En direct de mon élévage om een eigen slachthuis te hebben, men in Wallonië ook serieus overweegt groot vee op de boerderij te laten slachten, of zelfs te laten afschieten in de wei. Op 27 februari 2019 nam het Waalse parlement unaniem een resolutie aan waarin de Waalse regering gevraagd wordt uit te zoeken wat een mobiele slachteenheid zou kosten en stappen te zetten bij de nationale regering om een wettelijk kader voor thuisslacht uit te werken. Daarnaast kijken boeren en natuurorganisaties nog steeds met veel belangstelling naar experimenten in bijvoorbeeld Zwitserland en Duitsland, waarbij runderen in de wei afgeschoten worden.

Ik weet nog steeds niet goed wat ik moet denken van de manier waarop Nature et Progrès Belgique drie jaar geleden het thema onder woorden bracht: “Pour procurer une mort dénuée de stress à leurs animaux et produire une viande de très haute qualité nutritionnelle et gustative, des éleveurs choisissent d’abattre leurs animaux dans leur environnement familier, en prairie et au milieu de leurs congénères.” Misschien heeft de koe in kwestie inderdaad niet te lijden onder stress, omdat zij bij verrassing gepakt wordt, maar het lijkt mij dat Bella of Mieke plots afgeschoten zien worden toch wel enige stress zal veroorzaken bij hun collega’s in de wei.

In België is thuisslacht niet toegelaten, behalve in noodgevallen of voor eigen consumptie (en dan nog alleen voor varkens, schapen en geiten), of voor ‘gekweekt wild’; runderen moeten altijd naar een erkend slachthuis. Tot het gekweekt wild behoren o.m. hertachtigen (reeën), loopvogels (struisvogels) en bizons. Die kunnen op hun verblijfplaats geslacht worden, met name indien men ze niet kan vervoeren vanwege de risico’s voor de behandelaars of vanwege het welzijn van de dieren zelf.

In Zwitserland en in Duitsland werden aan enkele boeren vergunningen verleend om hun runderen in de wei neer te schieten, mits zij – de koeien – onmiddellijk (binnen de minuut) verbloeden en vervolgens meteen naar een slachthuis worden gebracht voor de versnijding. Men schiet de dieren vanuit een soort jagersuitkijkpost neer en voert ze af met een speciale takelwagen. Met name voor bijvoorbeeld Highland en Salers, prachtige runderen met grote horens, die het hele jaar door in de wei staan, zou dit een oplossing kunnen zijn. Voor hen is de stress van vervoer naar het slachthuis uiteraard enorm. Bovendien worden zij meestal gedood op de parking, aangezien de gangen naar de slachtplek binnen niet breed genoeg voor ze zijn.

 

Eerder schreef ik over hetzelfde thema goed vlees.

 

Boerenbedrog?

Soms is er ook goed nieuws – lijkt het. Wanneer het op voedsel aankomt, neemt de tendens om lokale, duurzame of biologische producten te kopen nog steeds toe. De Belgische coöperatie Faircoop verwijst naar die trend als verklaring voor haar succes. In heel wat Belgische supermarkten (maar vooral in het Franstalige landsgedeelte, lijkt mij) zie je sinds ruime tijd haar melkproducten – melk, boter, ijs – onder de naam Fairebel. Het logo is een zwart-geel-rode koe. Advertenties in de kranten tonen steevast een glunderende boer of boerin naast zijn of haar koeien, gezellig samen in de wei naar de camera kijkend. Een duurzame en kleinschalige melkproductie, dat is waar Fairebel voor staat.

De coöperatie verkocht in 2018 zo’n 9,5 miljoen liter melk(producten), tegen nog 8,3 miljoen in 2017. En ik moet zeggen: wanneer het kon, kocht ik ook Fairebel. Om twee belangrijke redenen: de belofte dat de boeren een eerlijke prijs voor hun melk krijgen, en het lokale karakter van de productie (de Belgische koe op de verpakking).

Boeren hebben het moeilijk vandaag, dat lees je overal – en niet alleen de melkboeren. Tien jaar geleden was een dieptepunt: de prijs die de boeren kregen voor een liter melk daalde tot onder de 20 cent. Een paar jaar later, in 2015, hief de Europese Unie het systeem van de melkquota op. Familiale bedrijven konden steeds moeilijker concurreren met de grootschalige goedkope melkproductie van multinationals. Vandaag liggen de marktprijzen voor de boer tussen 33 en 35 cent de liter, genoeg om de productiekosten te dekken, maar niet voldoende om van te leven. Faircoop, dat na de crisis van 2009 werd opgericht, telt nu zo’n vijfhonderd melkveeboeren, aan wie de coöperatie 45 cent per liter garandeert voor een deel van hun productie. Dat kan, omdat de Fairebelproducten iets duurder zijn in de supermarkt dan de grote fabrieksmerken. Tot daar het argument van de eerlijke prijs.

Maar hoe gaat dat in zijn werk dan? Hier begon ik mij plots wat bedrogen te voelen met het verhaal van duurzaamheid en lokale productie. Want de melk die je bij Faircoop aan een eerlijke prijs koopt, is helemaal niet de melk die de koeien produceren die op de foto gezellig met de boer in de wei staan. Op de website klinkt het: “Voor elke liter melk verkocht onder de naam Fairebel, gaat een eerlijk inkomen naar de Faircoop coöperatie. Het ingezamelde bedrag wordt vervolgens elk jaar eerlijk herverdeeld tussen de deelnemende leden, ongeacht de omvang van hun exploitatie.” Maar de melk die je in de supermarkt koopt onder het merk Fairebel wordt gefabriceerd en verpakt door Luxlait in Luxemburg; de melk van de koeien op de advertenties gaat gewoon naar de traditionele melkfabrieken (Inza, Campina, …), aan de heersende lage marktprijzen. Met andere woorden, de iets hogere prijs voor Fairebel komt wel de boeren ten goede, maar betekent niet dat die boeren voor elke liter die hun koeien produceren ook correct betaald worden; het volume waarvoor zij een prijs van 45 cent ontvangen hangt af van hoeveel er van het merk Fairebel het afgelopen jaar verkocht is. En die Fairebelmelk komt dus helemaal niet van die boeren hun koeien. De prijs die je als consument betaalt heeft dus ook niets te maken met het feit dat je melk op een duurzame manier dicht bij huis is geproduceerd. Pas in 2020 zou Faircoop beginnen met het inzamelen van melk van een aantal coöperanten om die dan verder door Luxlait te laten verpakken.

Ik begrijp het probleem wel. Als alle coöperanten van Faircoop samen meer melk produceren dan de consumenten bereid zijn te kopen aan een correcte prijs, dan blijven zij zitten met een onverkoopbaar overschot. Dus zit er voor hen niets anders op dan een deel van hun melk te verkopen tegen de wisselende dumpingprijzen die de grote afnemers (melkfabrieken, supermarktketens) er voor willen betalen. Opdat boeren al hun melk zouden kunnen verkopen aan een prijs die hen in staat stelt ervan te leven, kan men in twee richtingen denken. Ofwel moeten boeren niet meer produceren dan wat zij aan 45 cent kunnen verkopen, ofwel moeten voldoende consumenten bereid zijn om die eerlijke prijs te betalen. Uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid dus toch bij de consument, want als de boer maar weinig melk verkocht krijgt aan een correcte prijs, kan hij of zij er natuurlijk ook niet van leven.

Dat brengt mij bij een ander recent bericht, over de productie en verkoop van biologisch voedsel in België. Natuurlijk, biologisch staat niet noodzakelijk voor lokale productie en korte keten, maar in ieder geval wel voor duurzaamheid en kwaliteit. Wat blijkt nu? Volgens cijfers van de sectororganisatie Biowallonie – die daarbij ook gebruik maakt van materiaal van VLAM, Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing – zijn de Belgische consumentenuitgaven voor verse bioproducten in 2018 met 18% gestegen ten opzichte van 2017. In Wallonië gaat het om een toename van veertig procent, in Brussel om vijf procent. In het Vlaamse gewest is de consumptie gelijk gebleven. In heel België werd vorig jaar ongeveer 522 miljoen euro uitgegeven aan verse bio. De sector doet het trouwens helemaal goed in Wallonië, ook op het gebied van de productie. Volgens recente statistieken is elf procent van de Waalse landbouwoppervlakte in gebruik voor biologische teelten, in Vlaanderen is dat 1,3%.

Dat roept bij mij de vraag op of er een relatie is tussen voedselvoorkeuren en het stemgedrag tijdens de afgelopen Europese, Belgische en gewestelijke verkiezingen. Kan de kwaliteit van de voedselconsumptie in Vlaanderen een rol gespeeld hebben bij de keuze van bijna de helft van de lokale bevolking om voor fascisten te stemmen? Of omgekeerd, geven die Vlamingen niet om duurzame voedselproductie en lekker en gezond eten, juist omdat zij fascisten zijn? En kan de aandacht voor duurzaam en gezond voedsel meegespeeld hebben bij de Waalse keuze voor rode en groene partijen? Of zijn socialisten en ecolo’s meer geïnteresseerd in goed en lekker eten, dat duurzaam geproduceerd is? Dat laatste lijkt evident, maar is daarmee ook de vraag over Vlamingen, fascisten en hùn voeding beantwoord?

 

Black Cat

Today, despite IWW’s distancing from the use of the black cat symbol by anarchists (anarcho-syndicalists) and promotors of direct action, the French CNT-AIT (Confédération Nationale du Travail – Association Internationale des Travailleurs) carries it proudly in their logo. CNT states clearly from the first line of its presentation: “CNT is a confederation of trade-unions whose principles and aims are libertarian”.

Read the full text on http://durieux.eu/blog/black-cat

Dieren en marxisme

Onlangs publiceerde ik hier onder de titel ‘Une idée absurde et contre nature’ een lang citaat van Friedrich Engels. Daarin heeft hij het over de relatie tussen mens en ‘natuur’. Enigszins verwant daaraan is nu een bijdrage van Eva Meijer aan het laatste nummer van Krisis – Journal for contemporary philosophy. In ‘Animals’ geeft zij in het kort aan hoe concepten uit het marxisme een licht kunnen werpen op de specifieke positie van dieren in kapitalistische maatschappijen, en hoe aandacht voor dieren de aandacht kan vestigen op dimensies van het kapitalisme die anders verborgen zouden blijven. (Eva Meijer heeft het consequent over nonhuman animals wanneer zij over dieren praat; ik begrijp de redenering, als je zoals zij uitgaat van de brede categorie humans and other animals, maar voor de gemakkelijkheid en de leesbaarheid heb ik het hier verder simpelweg over mensen en dieren.)

Meijer geeft aan dat onze economische, culturele en sociale structuren in belangrijke mate gebouwd zijn op de arbeid en de bijdrage van dieren. Dan gaat het om dierlijk materiaal dat verwerkt wordt in talloze objecten en materialen die deel uitmaken van het dagelijks leven van mensen: niet alleen voeding(sbestanddelen), maar ook onnoemelijk veel andere zaken, “van aspirine over brandstof tot porselein”. Het product van hun arbeid (eieren, melk, …) is dan ook een belangrijke economische factor.

Bovendien is het niet omdat dieren behandeld worden als objecten, dat zij niet zelf over agency beschikken, dat wil zeggen dat zij autonoom een situatie of een toestand kunnen creëren. (Als je de benadering van Bruno Latour zou volgen – en ik wijk hier af van de tekst van Eva Meijer – dan zijn gedomesticeerde, en zeker industrieel gekweekte dieren, eerder hybriden of quasi-objecten: wezens die zowel cultuur als natuur zijn, zowel politiek als wetenschap. Dat betekent echter niet dat zij dan ook meteen actoren zijn; zij ondernemen in het algemeen zelf geen autonome actie, maar zij kunnen wel acties uitvoeren en de acties van actoren beïnvloeden.) Meijer verwijst echter naar de historicus Jason Hribal. Die stelt dat dieren een deel zijn van de arbeidersklasse.  Niet alleen waren zij een belangrijk element in de industriële revolutie en de opkomst van het kapitalisme; hun medewerking of juist verzet heeft mede vorm gegeven aan de menselijke arbeid. In die zin is er vaak een relatie tussen de uitbuiting van kwetsbare menselijke en dierlijke groepen. De afgelopen tijd was ik in Albanië, Griekenland en Marokko, en hoe goed zie je daar nog dat voor arme families de arbeid van dieren (ezels, ossen, …) noodzakelijk is om te overleven. Meijer geeft het voorbeeld van de westerse eetgewoonten die leiden tot dierlijk lijden in de industriële voedselketen, en tegelijk tot de vernietiging van menselijke en dierlijke habitat, die moet wijken voor de productie van soja voor die industriële kweek.

Het andere onderdeel van Meijers betoog gaat over de bijdrage die marxistische concepten kunnen leveren aan een beter begrip van de positie van dieren in de kapitalistische samenleving – waarbij moet aangestipt worden dat de uitbuiting van dieren (en mensen) zeker geen exclusieve is van het kapitalisme. De theorie van gebruikswaarde en ruilwaarde kan echter wel duidelijk maken hoe dieren beschouwd worden als objecten, en vervolgens als goederen, die verhandeld kunnen worden met het oog op maximale winst.

Verder, je kijkt heel anders naar dieren, als je ze beschouwt als wezens die arbeiden. Zij werken niet alleen met en voor mensen, in entertainment, de politie, de gezondheidszorg, het leger, … Ook wat zij voor zichzelf doen, kan je zien als arbeid: nesten bouwen, voedsel zoeken, jagen, dammen aanleggen, … Er zijn diersoorten die andere dieren voor zich aan het werk zetten (al dan niet onder druk). Kortom, het vergelijken van de arbeidsverhoudingen onder dieren en onder mensen, en tussen mensen en dieren, kan leiden tot een beter begrip van de mogelijke eerlijke verhoudingen tussen human and nonhuman animals. Erkenning van de arbeid van dieren zou ertoe kunnen leiden dat mensen een beter inzicht krijgen in hoe mensen en dieren samen gemeenschappen vormen.

 

P.S. Eva Meijer heeft ook een leuke website: http://www.evameijer.nl.