nederlands

dubbeldoelkoe

Schrijft een filmrecensent: “Filmmakers vragen ons om te kijken door de ogen van varkens, schapen en koeien. Ook in de rechtspraak wint het idee terrein dat dieren geen figuranten zijn in het leven van de mens.” Aardig van die filmmakers, maar intussen zijn er veehouders die hun dieren zonder schroom als  ‘dubbeldoelkoeien’ beschouwen – en dan gaat het nog om boeren die het goed voor hebben.

Het blijft toch raar, zo over dieren praten, alsof het alleen maar productiemiddelen zijn. Ik ben gek op koeien. Het zijn zo’n leuke beesten, met dat grote logge lijf, altijd nieuwsgierig als je aan de rand van de wei komt staan, en altijd schrikachtig als je voorzichtig je hand naar ze uitsteekt. (Ja, voor mij horen koeien in de wei, niet in fabriekshallen.) Het mooist zijn ze als hun horens niet verwijderd zijn (overigens bijzonder pijnlijk voor de dieren), maar vooral bij het begin van de lente, als zij na een lange winter in de stal voor het eerst weer in de wei de zon zien. Dan zie je die grote logge beesten uitgelaten rennen en springen met hun paar honderd kilo. De lachende koe.

Nu heb je dus ook de dubbeldoelkoe. Er bestaat vrij algemeen overeenstemming dat de veestapel (ook zo’n woord!) in West-Europa veel te groot is. Dat is om allerlei redenen slecht voor het milieu (daarover verder meer) en overigens ook voor de kwaliteit van het voedsel en voor het dierenwelzijn. Sinds geruime tijd fokt men in de westerse landbouw ofwel vleeskoeien, ofwel melkkoeien. De dubbeldoelkoe nu (die noemde je vroeger gewoon een ‘koe’), die zorgt voor vlees èn voor melk. Dan zou je denken: daarmee halveer je alvast die koestapel: één koe voor vlees en melk, in plaats van twee aparte gespecialiseerde koeien. Of is dat te simpel gedacht? Want als die ene koe gedood is voor het vlees, maakt zij natuurlijk ook geen melk meer aan. Heb je dan niet net meer koeien nodig, als je dezelfde hoeveelheden vlees en melk op de markt wil gooien? Of is het juist een slimme truc om het aanbod en dus de consumptie van vlees en melk te verminderen? Of maakt het allemaal niets uit?

In ieder geval, het Boerenforum vindt dat men goed en strategisch moet nadenken over de toekomst van de veestapel en dat de dubbeldoelkoe daarbij een onmisbare schakel is. Zij pleiten voor het herwaarderen van lokale veerassen die zowel melk als vlees opleveren. Je moet ervan uitgaan dat alle koeienrassen, ook degene die nu traditioneel of erfgoed-ras of landras worden genoemd, alsof zij altijd al hebben bestaan, er voor zeg maar 1880 niet waren. Zij zijn het resultaat van de coöperatieve en gedecentraliseerde arbeid van fokkers in de verschillende regio’s. Boerenforum omschrijft het zo: “Onder een landras verstaan we alle landbouwdieren en -plantenvariëteiten die ontstonden op boerenerven zonder al te veel kunst- en vliegwerk. Rassen die ‘aankwamen’ in een regio en dan vaak met de lokale genetica werden gekruist onder invloed van het lokale klimaat, de lokale bodemgesteldheid en geografie en de lokale ‘goesting’ van de boeren of de tuinders. Doordat er weinig transport was van vee of van landbouwgewassen bleven deze populaties stabiel en verankerden ze zich op het lokaal niveau. Daar pasten ze zich aan aan de lokale omstandigheden.”

Vandaag zijn de meeste telers in het kader van de massaproductie onderdeel geworden van een productieketen, gaande van de veevoederfabrikanten, over de banken, tot aan de  producenten van de piepschuim vleeswarenschaaltjes voor de supermarkt. Een beslissing aan het einde van die keten kan direct gevolgen hebben voor de dierenhouders aan het begin. Als de supermarkten besluiten dat de koteletjes tien procent kleiner moeten omdat kleinere vleesschaaltjes beter stapelen, zullen de veehouders de teelt van hun dieren daarop moeten aanpassen. Een veeteler die volop geïntegreerd zit in zo’n keten, zal dus fokmethoden moeten toepassen, die niet vertrekken van de kenmerken van de kudde of van het land (de landstreek), maar van de wetten van de grootdistributie en de normen die gelden voor aanspraak op subsidies.

De hoop dat met de opkomst van de bio landbouw de lokale rassen van dubbeldoelkoeien een nieuwe kans zouden krijgen, bleek ijdel, in ieder geval in het Vlaamse gewest: er zijn te weinig bio bedrijven, en daarvan doet dan nog geen kwart aan koeien. Of anders, zoals in Frankrijk, is tegenwoordig de bio veeteelt in hoge mate geïndustrialiseerd. Industriële bio-veeteelt berust op twee principes. Ten eerste, om massaconsumptie van voedsel van gecertificeerde bio kwaliteit te bereiken, moet je gebruik maken van methoden van massaproductie. Ten tweede, er is niets mis met het gebruik van methoden van massaproductie in de landbouw, aangezien werkinstrumenten in principe niet bepalend zijn voor wat je ermee doet en welk resultaat je behaalt. Met andere woorden, het gebruik van industriële productiemethoden hoeft niet te leiden tot industriële landbouwproducten; het hangt er gewoon maar van af hoe je ze effectief aanwendt.

Dat is quatsch natuurlijk. Bio veeteelt is meer dan alleen maar 60% voer van biologische teelt geven. Kijk even naar wat de site Alles over bio vermeldt: de biorundveeteler kiest sterke rassen die zich goed kunnen aanpassen aan de lokale omstandigheden; het aantal dieren in de wei wordt beperkt om overbegrazing, bodemerosie en te veel mest te voorkomen – de mest wordt op biologische gronden hergebruikt; de dieren krijgen biologisch voer, dat lokaal wordt geteeld, op het bedrijf zelf of op boerderijen in de regio; bij de voortplanting worden alleen natuurlijke methoden gebruikt – kunstmatige inseminatie is ok, maar het gebruik van hormonen of klonen niet; zogende kalfjes krijgen natuurlijke melk, bij voorkeur moedermelk; bij ziekte worden dieren behandeld met fytotherapeutische of homeopathische producten – klassieke medicatie kan alleen onder strikte voorwaarden worden gebruikt.

Kom daar allemaal eens om in een fabriekshal waar duizend koeien bij elkaar staan.

Boerenforum haalt verschillende economische argumenten aan waarom het voor landbouwers slim is om landrassen of dubbeldoelrassen te houden. Hoge melkkwaliteit, vanwege ‘stevig hoef- en beenwerk’ de mogelijkheid om te grazen op extensievere percelen (land waarop minimaal wordt ingegrepen), lage veeartskosten, heel lage voerkosten door de kleine hoeveelheid of zelfs de afwezigheid van krachtvoer. Zij verwijzen ook naar een rapport van Université Catholique de Louvain la Neuve (UCL) dat aangeeft dat “de dubbeldoelkoe door haar robuustheid een onderdeel is van een duurzaam veeteelt scenario waar de melkproductie en de productie van kwaliteitsvol vlees uit dezelfde kuddes komen die worden gehouden op duurzame bedrijven met veel productie van gras-klaver en een doordachte weidegang (rotational grazing is het buzz-woord).”

Maar ja, dat dacht ik dus ook: geen mais uit Zuid-Amerika, geen krachtvoer, gewoon gras uit de eigen korte keten en vanop de wei van de boer. Te simpel gedacht, meent De Groene Amsterdammer. “Nederlandse koeien verbreken elk jaar records. Goed voor de sector. Slecht voor de natuur (stikstof). En nóg slechter voor het klimaat: hoe meer melk een koe geeft, hoe meer methaan ze uitstoot, een broeikasgas dat dertig keer krachtiger is dan CO2.” En als Nederland tegen 2030 de doelen van de klimaatakkoorden van Parijs wil halen, zou het de uitstoot van het broeikasgas methaan tegen die tijd moeten halveren. Wereldwijd is de veehouderij (varkensfokkers en zuivelboeren) de grootste uitstoter van methaan. Maar terwijl het methaan van de varkens opgesloten zit in hun uitwerpselen, stoten koeien het gas vooral uit in de vorm van boeren en winden. Nu zou je wel koeien kunnen fokken die minder methaan uitstoten, maar die produceren dan ook minder melk. Of je kan hun menu aanpassen. “Gras eerder oogsten, als het minder hard is, kan al veel opleveren. Ook meer mais of krachtvoer voorzetten, in plaats van gras, zorgt voor een reductie”, schrijft De Groene.

Ja, wat nu? Eigen lokale productie van gras en klaver, of mais en krachtvoer? Probeer het hier maar eens goed te doen.

In het algemeen, denk ik, is er veel te zeggen voor een agro-ecologische landbouw, die streeft naar voedselsoevereiniteit, voederautonomie op de boerenbedrijven, een verbetering van de bodemvruchtbaarheid en de versterking van ecosysteemdiensten zoals gezonde lucht en zuiver water, zoals Boerenforum het formuleert. Op het Nyéléni Forum 2007 in Mali kwamen honderden vertegenwoordigers van verschillende internationale organisaties, landbouwers, vissers, inlandse volkeren, landloze volkeren, landarbeiders, migranten, herders, consumenten, … tot een standpunt inzake voedselsoevereiniteit. Die omvat onder meer:

■ la priorité donnée à la production agricole locale pour nourrir la population, l’accès des paysan(ne)s et des sans-terre à la terre, à l’eau, aux semences, au crédit. D’où la nécessité de réformes agraires, de lutter contre les OGM pour le libre accès aux semences, et de garder l’eau comme un bien public à répartir durablement ;

■ le droit des paysan(ne)s à produire des aliments et le droit des consommateurs de décider des aliments qu’ils veulent consommer, de qui les produit et comment ;

■ le droit des Etats à se protéger des importations agricoles et alimentaires à trop bas prix, et des prix agricoles liés aux coûts de production. Pour cela, les Etats ou Unions doivent avoir le droit de taxer les importations à trop bas prix, s’engagent pour une production paysanne durable et maîtrisent la production sur le marché intérieur pour éviter des excédents structurels ;

■ la participation des populations aux choix de politique agricole ;

■ la reconnaissance des droits des paysan(ne)s, qui jouent un rôle majeur dans la production agricole et l’alimentation.

Tot slot toch nog even terug naar de terminologie van Boerenforum. Ik vraag mij af hoe je agro-ecologisch bezig kan zijn, als je zo economistisch denkt over gemeengoed als gezonde lucht en zuiver water (“ecosysteemdiensten”) en zo weinig respect betoont in je taal voor de dieren met wie je werkt. De koe herleid tot wat zij oplevert. Ik ben natuurlijk geen boer, ik sta niet midden in de methaanwinden en de vlaaien van die schattige koeien, maar ik bevind mij in goed gezelschap (o.m. Via Campesina) als ik ervan uitga dat een boer, of een veehouder, deel uitmaakt van een kluwen van ecosystemen, van complexe relaties tussen dieren, planten, mensen, leven en dood, natuur en cultuur. Daarin dieren herleiden tot niet meer dan grondstof die je voor één of twee doelen kan exploiteren, lijkt mij een grove miskenning van het streven naar ecologisch evenwicht dat juist ook in de agro-ecologie een leidend principe is.

1 réflexion au sujet de “dubbeldoelkoe”

Votre commentaire

Entrez vos coordonnées ci-dessous ou cliquez sur une icône pour vous connecter:

Logo WordPress.com

Vous commentez à l’aide de votre compte WordPress.com. Déconnexion /  Changer )

Image Twitter

Vous commentez à l’aide de votre compte Twitter. Déconnexion /  Changer )

Photo Facebook

Vous commentez à l’aide de votre compte Facebook. Déconnexion /  Changer )

Connexion à %s