nederlands

eerlijke zuivel uit de supermarkt

Het is dat ik vrijwel nooit in Delhaize kom, anders had ik waarschijnlijk wel gemerkt dat die supermarktketen een eigen biozuivelmerk heeft, een eigen huismerk voor biologische melk, yoghurt, room, brie of abdijkaas.  Die staan in de rekken naast de klassieke Fairebel producten; over dat merk heb ik eerder al eens geschreven (Boerenbedrog?). Gek genoeg is die Delhaize huisbio, die gemaakt wordt met melk van de coöperatieve Biomilk.be, misschien nog wel een stuk fairder dan de zuivelproducten in de gekende verpakkingen met die gezellige Belgische koe.

Dat zit zo. Hoe verwacht je dat idealiter de winkelprijs van een bepaald product, bijvoorbeeld halfvolle melk, wordt vastgesteld? De producent, in dit geval de boerin met haar koeien, bepaalt wat de productie van een liter melk haar moet opbrengen, en stelt zo de initiële verkoopprijs vast. Elke volgende schakel (de ophaler van de rauwe melk bij de boeren, de melkerij die de melkproducten bewerkt, de vervoerder naar de winkel, het verkooppunt zelf, …) voegt daar de eigen kosten plus een winstmarge aan toe, en zo ontstaat uiteindelijk voor de consument een eerlijke prijs, die tegemoetkomt aan de behoeften van de verschillende betrokken partijen. Finaal is het die consument die tussen de verschillende concurrerende aanbiedingen een keuze maakt op basis van, zoals dat heet, de prijs/kwaliteitverhouding van de verschillende aangeboden producten. In het vaststellen van die prijs/kwaliteitverhouding kunnen verschillende criteria spelen (kwaliteit, smaak, prijs, verpakking, beschikbaarheid, afkomst, …).

Maar zo gaat het dus niet in de zuivel. Makro-economisch gezien hebben de producenten zelfs vrijwel niets in de pap te brokkelen. Belgische melkveehouders produceren nog steeds overwegend melk(poeder) voor de export. Zo had bijvoorbeeld de ‘zuivelcrisis’ van 2016-2018 veel te maken met het feit dat de EU in 2015 de productiequota voor melk opdoekte. Dat systeem was ingevoerd in 1984 in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid, met het idee de geproduceerde volumes, en zo ook het inkomen van de boeren, enigszins te reguleren. Na de ‘liberalisering’ van de markt in 2015 konden en gingen de Europese boeren plots veel meer produceren, zodat Europa in 2018 op een voorraad zat van bijna 400.000 ton melkpoeder, en dat terwijl op hetzelfde ogenblik de internationale vraag terugviel. Als dan tegelijkertijd Rusland zijn markt (goed voor een derde van de Europese melkexport) afsluit als reactie op Europese sancties (toen wegens de bezetting van de Krim), en China en het Midden-Oosten minder importeren vanwege hun eigen makro-economische motieven, ontstaat er al gauw een melkoverschot dat de prijzen naar beneden drukt.

Die afhankelijkheid van mondiale krachten die je gezichtsveld ver overschrijden, lijk je te kunnen omzeilen door te produceren voor de binnenlandse markt, waar je misschien zelf nog enigszins over prijzen kan onderhandelen. Maar hier zijn het de ketens van grandes surfaces, van de supermarkten, die op basis van hun onderlinge concurrentieverhoudingen vooraf vaststellen wat zij uiteindelijk de klant willen aanrekenen voor die liter halfvolle melk. Zo was er in de zomer van 2021 even sprake van een ‘prijzenslag’ tussen Albert Heijn (AH) en Aldi; Aldi verlaagde de verkoopprijs van halfvolle melk van 65 naar 55 cent per liter, terwijl AH met het huismerk Zaanse Hoeve nog maar 49 cent vroeg voor een liter halfvolle. De supermarktketens ‘rekenen dan terug’: als de verkoopprijs aan de consument zeg maar maximum 65 cent de liter mag zijn, en je trekt daar alle kosten van de tussenliggende keten (het uiteindelijke verkooppunt, verpakking, vervoer, reclame, verwerking, het ophalen bij de boeren, …) van af, dan krijgt de melkveehouder uiteindelijk betaald wat er van de verkoopprijs overblijft. Bovendien bepaalt een standaardcontract tussen een melkerij en een producent op de eerste plaats de hoeveelheid melk die zal geleverd worden, niet het bedrag dat de boerin daarvoor zal ontvangen. Dat bedrag hoeft dus uiteindelijk bijlange niet haar reële kosten te dekken.

Ook Faircoop, de coöperatie achter het merk Fairebel, werkt deels vanuit dit ‘afdalende’ systeem. Het is maar dat gedeelte van haar melkproductie dat aan het eind van het jaar onder de merknaam Fairebel is verkocht, dat een literprijs van ongeveer 45 cent oplevert; die opbrengst wordt verdeeld onder de coöperanten. Hun melkproductie die geen Fairebel-label krijgt, die wordt gewoon door Inex of Campina of Luxlait afgerekend aan de dumpingprijzen die op de uiteindelijke afzetmarkt tot stand komen. Zo kon bijvoorbeeld een van de bestuursleden van Faircoop over 2019 maar drie procent van haar jaarproductie verkopen aan de coöperatieve, aan 42 cent de liter. Over datzelfde jaar konden de coöperanten samen zo’n elf miljoen liter als Fairebel verkopen; dat is eigenlijk nog geen liter melk per jaar per Belg, die aan een ‘faire’ prijs wordt verkocht.

Om wat voor bedragen gaat het eigenlijk? Ik lees in de zomer van 2021 dat Colruyt sinds 2019 melkveehouders via melkerij Inex vijf jaar lang een prijszekerheid biedt van 34,76 cent per liter. (Boeren verkopen niet per liter, natuurlijk; een coöperatie als Biomilk.be levert met haar 46 leden zo’n vijf miljoen liter per jaar aan Delhaize – nog altijd maar een plasje, als je het vergelijkt met wat één industriële melkveehouder op een jaar uit zijn/haar koeien kan persen: om en bij een miljoen liter.) Volgens een ander bericht uit die periode zouden boeren in de regel contracten van zes maanden hebben met de industrie, wat hen zo’n 36 cent de liter zou opleveren. Vandaag ligt volgens biomelkveehouder Wim De Middeleer de normale prijs die de boeren ontvangen rond de 40 cent. Dat is voor een echte boer – dus niet voor de uitbater van een industriële megastal – onvoldoende voor een redelijk inkomen. De coöperatie Biomilk.be, die voor de prijsstelling de ‘normale’, ‘opklimmende’ weg volgt van boer naar consument, verzekert haar leden nu, op basis van de prijsbepaling in de boekhouding, een prijs van 47 cent per liter. Delhaize zou op dit ogenblik zelfs iets meer dan 47 cent betalen.

Je zou denken dat een slimme boerin de twee coöperaties probeert te combineren: een deel van haar melk aanbieden via Biomilk.be voor een boekhoudkundig correcte prijs, en een deel verkopen via Faircoop om zo aan het eind van het jaar aanspraak te maken op het tarief voor de Fairebel-afzet. Het blijft voor elke aangesloten melkveehouder passen en meten natuurlijk om het juiste evenwicht te vinden tussen de hoeveelheid melk die hij zijn koeien moet laten produceren, en de hoeveelheid die een coöperatie als Biomilk.be kan afzetten (aan Delhaize, en/of aan andere, kleine producenten van biologische zuivel). Voor verse producten (zoals yoghurt, of brie kazen) is er weinig flexibiliteit mogelijk, voor lang houdbare producten (UHT-melk) kan er wat ‘gespeeld’ worden met de volumes door in perioden met meer melk een voorraad aan te houden.

De meeste melkveehouders weten niet wat er uiteindelijk zal worden van de melk die zij afleveren aan de melkerij: melkpoeder, lokale mozzarella of feta, boter of yoghurt, industriële kaas? De boeren van Biomilk.be hebben wel enig idee. Een deel van hun melk gaat rechtstreeks naar artisanale producenten, zoals de Fromagerie biologique de Vielsalm (uitstekende Vieux Liège, ook te koop in de fabriek), of de gekende kaasmakerijen Het Hinkelspel of Passendale, of zij wordt gebruikt in de biologische berloumi en ricotta van De Zuivelarij. De befaamde ‘korte keten’ dus: van de producent rechtstreeks naar de verwerker, en vandaar naar de consument, via de hoevewinkel of fabrieksverkoop, de (boeren)markt, of een initiatief als Boeren & Buren.

November 2016 publiceerde Nature et Progrès Belgique een lijvig (128 pagina’s) rapport over de toestand van de melkveehouderij in Wallonië: Pistes d’avenir pour le secteur laitier wallon. Op basis van een uitgebreid onderzoek, inclusief bedrijfsbezoeken en debatavonden, kwam de organisatie tot twaalf ‘sporen’ om de positie van de zelfstandige melkveehouders en van de consumenten in Wallonië te versterken.

Wat de markt betreft, was er een vrij grote overeenstemming tussen producenten en consumenten over de noodzaak om lokale productie te versterken. Het Europese landbouwbeleid is immers nog steeds vooral gericht op mondialisering, met vrijhandelsakkoorden, import van goedkoop geproduceerd voedsel uit de rest van de wereld en tegelijk gesubsidieerde export van eigen productie naar het mondiale zuiden. Een korte keten tussen productie en consumptie van voedsel versterkt echter het vertrouwen, de solidariteit en de kwaliteit. Vandaag lijkt plots iedereen in het Westen te beseffen dat een te grote energie-afhankelijkheid van andere landen nare gevolgen kan hebben. Wel, zelf kunnen voorzien in je voedsel is misschien ook wel een nastrevenswaardig doel.

Wat de melkveehouderij zelf betreft, wijst het rapport op het belang van meer autonomie van de producenten. Dat betekent op de eerste plaats dat zij zoveel mogelijk zelf kunnen voorzien in het voeder voor de dieren (op de eerste plaats gras uit eigen weiden). De voordelen zijn legio: verlaging van de productiekosten, toezicht op de kwaliteit van de grondstoffen, minder vervuiling door het (verre) transport en, als gevolg van dit alles, versterking van de maatschappelijke acceptatie. Volgens de Pistes d’avenir zou dit wel leiden tot een vermindering van de melkproductie, maar met een hogere kwaliteit en een betere levensvatbaarheid voor de bedrijven.

Nature et Progrès pleit ervoor om zelf meer kaas te maken. Voor kaas is België nog steeds overwegend een invoerland, maar er zou wel degelijk een markt zijn voor meer lokaal geproduceerde kazen. Ook blijkt uit het onderzoek dat de betrokken consumenten en producenten wel wat zien in meer gezamenlijke coöperaties. Producenten en consumenten zouden productie, distributie, marketing, zelf in handen kunnen nemen – een trend, trouwens, die je niet alleen op het gebied van voedselproductie ziet, denk maar aan media als Apache of Médor.

Is met dat hele korteketenbioverhaal het probleem opgelost? Twijfelachtig – al was het alleen maar vanwege het volume. Als je kijkt naar de biologische melkveehouderijen in Wallonië, zie je boeren met enkele tientallen, maximaal honderd melkkoeien. Dat is vanuit het standpunt van biologische veehouderij volstrekt te verantwoorden, maar met de melk die deze koeien opleveren, voorzie je de Belgische bevolking niet van de melkproducten waar zij naar verlangt. Voor veganisten lijkt de oplossing misschien simpel: het is toch al geen goed idee om dierlijke producten te consumeren, dus een tekort aan zuivel helpt mensen daarmee op te houden. OK, maar wat is dan het alternatief, de sojaproducten van Alpro? Dan kom je terecht bij de multinational Danone, die in 2010 nog van een Nederlandse consumentenorganisatie het Gouden Windei ontving voor de meest misleidende gezondheidsclaim in hun reclame voor Actimel.

Votre commentaire

Entrez vos coordonnées ci-dessous ou cliquez sur une icône pour vous connecter:

Logo WordPress.com

Vous commentez à l’aide de votre compte WordPress.com. Déconnexion /  Changer )

Image Twitter

Vous commentez à l’aide de votre compte Twitter. Déconnexion /  Changer )

Photo Facebook

Vous commentez à l’aide de votre compte Facebook. Déconnexion /  Changer )

Connexion à %s