nederlands

mit andere verter 2

Gisteren nog postte ik een berichtje over meertaligheid en ‘wonen in een andere taal’ (En d’autres mots 1). Dat stukje eindigde met een verwijzing naar het Jiddisch. Vanochtend lees ik in de Forward (Jewish, Independent, Nonprofit)een hulde van een zoon aan de vader die hem in het Jiddisch opvoedde. Ik geef ze even kort weer, als aanloop naar een korte beschouwing over een plek vinden in een nieuwe of andere levende taal.

‘Mijn vader was, net zoals mijn moeder, een overlevende van de Holocaust en van verschillende kampen en getto’s. Zij kwam elk afzonderlijk naar Amerika, mijn vader vanuit Duitsland, mijn moeder via Zweden. Zij ontmoetten elkaar in Cleveland en trouwden in 1954. Ik, Sheldon (Shulem Dovid) werd geboren in 1955, mijn broer Ronnie (Srul Riven) in 1959.

Mijn beide ouders waren meertalig. Mijn vader sprak Engels, Yiddish, Pools, Duits en wat Russisch. Mijn moeder sprak Engels zoals een native, Yiddish, Pools, Zweeds, Hongaars en een mondje Hebreeuws. Maar de taal thuis was mameloshn.’

Hier moet ik even inbreken. Mame-loshn betekent letterlijk moeder-taal. Dus thuis spraken zij gewoon de moedertaal, maar dan wel in het Jiddisch.

‘Voor mijn ouders was Yiddish hun moedertaal, en zij genoten ervan ze te spreken en ermee te spelen. Zij hadden een uitstekende woordenschat en kenden tientallen, zo niet honderden uitdrukkingen en spreekwoorden, die ik nooit ergens anders heb gehoord. Ik herinner mij bijvoorbeeld dat mijn vader, in zijn Pools-Yiddish, wel eens zei: ikh vel dir derlangen aza klap, vest zikh bagrisn mit der elter-boben – ik zal je zo’n pak slaag geven, dat je je overgrootmoeder zal begroeten (in het hiernamaals).

Yiddisch was voor mij en mijn broer de eerste taal. En dat ging niet om stam (oud) Yiddish, maar om levend poylishn yidish, gekruid met wat loshn-koydesh (de taal van de heilige geschriften), met Hebreeuwse en Aramese uitdrukkingen.

Mijn broer en ik hebben altijd graag Yiddish gesproken. Een vriendin van de familie, nu in de negentig, zei mij ooit dat zij altijd graag langskwam om ons te zien rondhollen terwijl wij ‘cowboy en indiaan’ of ‘polies en dief’ speelden in vloeiend Yiddish.

Ik wilde altijd zoveel mogelijk Yiddische woorden bijleren, en bijna dagelijks vroeg ik mijn vader: “Ta, vi azoy zogt men dos oyf Yiddish?”’

Pap, hoe zeg je dat in het Jiddisch? Dit is het moment om even terug te gaan naar de tekst van James Baldwin, die ik ook al vermeldde in En d’autres mots 1. Ik vertaal hier grofweg de hele passage.

‘Een Fransman uit Parijs spreekt een subtiel en cruciaal andere taal dan iemand van Marseille; en geen van beiden klinkt echt zoals iemand uit Quebec. Allemaal zouden zij grote moeite hebben om te vatten wat iemand uit Guadeloupe of Martinique zegt, of nog maar te zwijgen van iemand uit Senegal.  En dat, ondanks dat de ‘gemeenschappelijke’ taal van al deze gebieden het Frans is. Maar elk van hen heeft een verschillende prijs betaald – en betaalt die nog steeds – voor deze ‘gemeenschappelijke’ taal waarin, zo blijkt, zij niet hetzelfde zeggen, of kunnen zeggen. Zij hebben elk heel verschillende werkelijkheden uit te drukken of te beheersen.’

Dat is ook het probleem van de buitenstaander, degene die niet ‘in het Jiddisch woont’, wanneer die de taal wil leren. Want Jiddisch is niet dood of stervende. De hedendaagse sprekers van Jiddisch (Yiddish) zijn overwegend chassidische joden. Maar hun Jiddisch verschilt nogal van het ‘standaard-Jiddisch’ dat rond 1950 tot stand kwam en dat nu – terecht – aangeleerd wordt aan would-be exofonen (mensen die zich uitdrukken in een andere taal dan hun moedertaal of thuistaal: zie Emma Goldman, Chika Unigwe, Julien Green, Kader Abdolah, Jhumpa Lahiri, …).

Het standaard-Jiddisch is een taal die artificieel in elkaar gewrocht is op basis van verschillende levende dialecten uit die tijd, en waar dus sprekers vanuit verschillende delen van de (joodse) wereld zich konden in terugvinden. Maar van in het begin zag je ook al dat er gerespecteerde auteurs waren die daarvan afweken, omdat hun Pools of Lets Jiddisch net iets anders was. Heel duidelijk merk je dat bij het geslacht van de zelfstandige naamwoorden. Chassidim wijzen in het algemeen amper een geslacht toe aan substantieven. OK, er zijn overduidelijk der tate (de vader), di mame (de moeder) en dos kind (het kind), maar nogal wat sprekers en schrijvers kennen geen onzijdig zelfstandig naamwoord of gebruiken gewoon overal di: di tisch (voor de tafel, der tisch) of di benkl (voor dos benkl, het bankje). Zo zijn er volgens literatuurprof Zelda Kahan Newman wel meer belangrijke ontwikkelingen in het levende, chassidische Yiddish, waar de tekstboeken geen aandacht aan besteden.

Ik kan er over meepraten. In de les groeten wij elkaar met een welgemeend sjolem aleichem. Maar toen ik dat bij mijn laatste winkelronde in de buurt van het Antwerpse Centraal Station ook probeerde, was het even welgemeende antwoord bij de koosjere viswinkel, traiteur en bakker: ‘goede middag’ of ‘hallo!’ Dat het anders kon en moest, bleek uiteindelijk bij De Heimishe Bakkerij waar vlak na mij een jong meisje binnenkwam, die (dat?) vrolijk sjlum! riep en prompt in het Jiddisch verder werd geholpen.

Schrijft Kahan Newman: “Het is tijd dat wij de feiten onder ogen zien. Het slaat nergens op mensen die Yiddish studeren aan te leren dat de taal grammaticale geslachten kent, als de enige gemeenschappen van native speakers die niet gebruiken in hun taal. Voor de Engelstaligen onder ons: zou het zinnig zijn dat leraren Engels hun studenten aanleren dat Engelse zelfstandige naamwoorden geslachten hebben, alleen maar omdat zij dat ooit wel hebben gehad? Als je een levende taal aanleert, kijk dan naar de levende sprekers ervan als modellen voor de standaardtaal.”

Zou het? Herinner je het voorbeeld van Baldwin: hoe kan je al die levende sprekers inzetten als modellen voor de standaardtaal? En dan heeft hij nog niet eens over Belgisch Frans. Het Latijn dat je op school leerde/leert, werd natuurlijk ook niet zo gesproken toen het nog een levende taal was. En voor het Jiddisch speelt hetzelfde: de taal van de Antwerpse chassieden is ongetwijfeld behoorlijk verschillend van die in Parijs. Ik denk dat er niks mis is met het aanleren van een kunstmatige standaardtaal, zolang afwijkingen niet meteen beschouwd worden als fouten, maar als mogelijke varianten. Maar om werkelijk in de taal te gaan wonen, moet je met die varianten leren spelen. Dat is lastig.

Votre commentaire

Entrez vos coordonnées ci-dessous ou cliquez sur une icône pour vous connecter:

Logo WordPress.com

Vous commentez à l’aide de votre compte WordPress.com. Déconnexion /  Changer )

Image Twitter

Vous commentez à l’aide de votre compte Twitter. Déconnexion /  Changer )

Photo Facebook

Vous commentez à l’aide de votre compte Facebook. Déconnexion /  Changer )

Connexion à %s