
Cratos: Hij is weggegaan en loopt nu rond onder de mensen. Hij neemt de weg door de valleien, en houdt stil tussen de wijngaarden of aan de oever van de zee. Soms gaat hij door tot aan de poorten van een stad. Niemand zou zeggen dat hij Vader en Heerser is. Ik vraag me soms af wat-ie wil, wat-ie zoekt. Nadat er zo gevochten is om hem de wereld – de velden, de bergtoppen en de wolken – in handen te geven. Hij zou ongestoord hierboven kunnen zetelen. Maar nee, meneertje. Hij loopt rond.
Bia: Wat is daar gek aan? Wie heerst, leeft zich uit.
Cratos: Ver van de berg en van ons, snap je dat? En hij is het aan ons, zijn dienaren, verschuldigd dat hij de heerser is. Laat-ie tevreden zijn dat de wereld hem vreest en hem bidt. Wat kunnen hem die mensjes uitmaken?
Bia: Ook zij zijn een deel van de wereld, mijn beste.
[-]
Cratos: Ik begrijp hem niet, dat is het juist. Toen wij ons op de bergen stortten, glimlachte hij alsof hij al gewonnen had. Zijn gevecht voerde hij door instructies en met korte parolen. Nooit zei hij dat hij boos was; zijn vijand lag al ter aarde en hij glimlachte nog steeds. Zo verpletterde hij Titanen en mensen. Toen beviel hij me wel; hij had geen medelijden. En hij glimlachte ook zo een andere keer, toen hij bedacht dat hij aan de mensen de vrouw zou schenken, Pandora, om hen te straffen voor de diefstal van het vuur. Hoe is het mogelijk dat hij vandaag genoegen vindt in wijngaarden en steden?
Bia: Misschien is de vrouw, Pandora, niet alleen maar een kwaal. Waarom wil je niet dat hij daar genoegen in vindt, als zij een geschenk van hem was?
[-]
Cratos: Wandelde hij maar gewoon rond, die zoon van Kronos. Luisterde en strafte hij maar gewoon, naar de wet. Maar hoe komt hij erbij te genieten en te laten genieten, hoezo dat hij vrouwen en kinderen kaapt van die stervelingen?
Bia: Als je er zelf gekend had, zou je het begrijpen. Het zijn arme wormen maar alles bij hen is onvoorzien en een ontdekking. Men kent het beest, men kent de god, maar niemand, en wij al helemaal niet, begrijpt de grond van hun hart. Er zijn er zelfs bij, die durven opstaan tegen het noodlot. Alleen door met hen en door hen te leven proef je de smaak van de wereld.
Cratos: Of van de vrouwen, van de dochters van Pandora, die beesten?
Bia: Vrouwen of beesten, dat is gelijk. Wat bedoel je te zeggen? Zij zijn de rijkste vrucht van het sterfelijke leven.
Cratos: Maar benadert Zeus ze als beest of als god?
Bia: Gekkie, hij benadert ze als man. Dat is het hem juist.
Begin, midden en slot van de dialoog Gli uomini (‘De mensen’) van Cesare Pavese. In 1947 publiceerde Pavese zevenentwintig gefingeerde gesprekken onder de titel Dialoghi con Leucò. In 1987 verscheen bij De Bezige Bij een Nederlandse vertaling door Van Gruting-Venlet en Tavanti-van Gruting onder de titel ‘Gesprekken met Leuco’. Die Leucò (Leucotea) is een nimf, die overigens maar aan twee gesprekken deelneemt.
Een nimf? Ja, de zevenentwintig korte dialogen die Pavese verzon, gaan steeds tussen twee minder of meer bekende figuren uit de klassieke Griekse mythologie. Wanneer men zo rond de achtste, zevende eeuw voor de christelijke tijdrekening in wat nu Griekenland is begint een mythologie vast te leggen, zijn er aanvankelijk twee oergoden: Ouranos, de god van de hemel, en Gaia, de godin van de aarde. Samen hebben zij zes zonen en zes dochters; dat zijn de Titanen (Pavese noemt onder andere de Nacht, de Aarde en de Chaos.) Die Titanen komen met succes in opstand tegen hun ouders en verfijnen en herverdelen vervolgens de verantwoordelijkheden over hemel en aarde. Onder elkaar verwekken zij dan weer verder nageslacht. Zo ontstaan bijvoorbeeld de zon (Helios), de maan (Selene) en de dageraad (Eos). En Kronos, een van die zes zonen, verwekt bij een zus van hem de latere Olympische goden: Demeter (de landbouw), Hades (het dodenrijk), Hera (het huwelijk), Hestia (de haard en het gezin), Poseidon (de zee en de aarde) en Zeus (de hemel).
Ook Zeus en zijn neven en nichten beginnen aan een generatieconflict en komen in opstand tegen Kronos en de andere Titanen; na tien jaar strijd (de Titanomachie) slagen zij erin, met de hulp van allerlei mythische figuren, de oude heersers te vervangen en vanop de berg Olympos een einde te maken aan de oertijd. Vanaf dan zal een hele resem machtige, minder machtige en halfgoden de wereld bestieren en direct of indirect ook het leven van de mensen. De hiërarchie tussen al die personages is niet altijd helder (Zeus is wel de absolute heerser, maar iedereen kent ook zijn zwakke kanten), en hun onderlinge verhoudingen zijn gekenmerkt door zeer menselijke trekken als eerzucht, jaloezie, gekrenkte trots of sadisme. Nimfen als Leucò zijn ‘halfgoden’, hiërarchisch niet erg belangrijk, maar zij kunnen wel zorgen voor vruchtbaarheid en voorspoed; er zijn bergnimfen, bosnimfen, waternimfen, … die telkens een spiritueel karakter geven aan het natuurelement waaraan zij gekoppeld zijn.
Cratos en Bia – en hun zus Nike (Overwinning) en broer Zelos (IJver) – moeten ergens neven en nichten zijn van Zeus, de Vader en Heerser waarover zij het hebben, de nieuwe oppergod. Cratos en Bia hebben hem geholpen om in de Titanenstrijd af te rekenen met de oude wereldorde en er een nieuwe te vestigen waarbij de heersers verblijven op de berg Olympos. Als blijk van erkenning hebben zij ook een plek gekregen op de berg, in de nabijheid van Zeus. Maar vooral zijn zij bekend omdat zij op last van de oppergod zijn neef Prometheus gevangen hebben genomen en met geweld vastgeklonken aan een rots, als onderdeel van de straf omdat hij van de goden het vuur had gestolen en aan de mensen gegeven. (Dat stelen van het vuur en het straffen van Prometheus is op zich ook weer een prachtig verhaal.)
Dat geheel van mythen, dat een hele wereldconstructie verbeeldt, was meer dan alleen maar een bundel fictieve verhalen. Mythen kan je zien als de onmiddellijke reactie van mensen op hun lichamelijke en geestelijke ervaringen. In de antieke Griekse samenleving waren goden geen fantasiebeelden, maar een wezenlijk onderdeel van de wereld zoals die aan de mensen verscheen, zowel innerlijk als uiterlijk. Mythen, tragedies en epossen hielden zich tegelijkertijd met gevoelens, feiten en structuren bezig, zij gaven vorm en betekenis aan de wanorde en de enorme hoeveelheid futiliteiten die het leven kenmerken. Volgens Paul Feyerabend hadden zij “een diepe en weldoende invloed op de samenlevingen waarin zij thuis waren”.
De Dialoghi con Leucò tonen in verschillende relaties de veelheid van goden, halfgoden en stervelingen uit de oud-Griekse verhalen. Pavese deed ruim vijftien maanden over het schrijven van die 27 gesprekken, en dat van Cratos en Bia over de mensen was daarvan het laatste. In notitietjes ordende de auteur zelf de verschillende dialogen in allerlei categorieën, bv. thematisch als ‘tragedie van mensen die verpletterd worden door het lot’ of ‘menselijke reddingen en goden in de problemen’ of ‘goede goden’. Misschien doordat het de laatste tekst was, komt Gli uomini in geen van die lijstjes voor – maar, zoals voor elk gesprek, schrijft Pavese wel een introductie van enkele regels. Hij stelt Cratos en Bia voor als il Potere en la Forza – de Van Grutings vertalen dat in 1987 als ‘de Kracht en het Geweld’. Wikipedia gebruikt, onder verwijzing naar enkele Engelse vertalingen, Strength and Force. Zelf ik zou zeggen ‘de Macht en de Kracht’.
Dat heeft dan niet in de eerste plaats te maken met de persoonlijke kenmerken van resp. Cratos en Bia, maar puur met het taalkundige of filosofische onderscheid tussen macht en kracht. Daar is een goede verklaring voor: macht en kracht, zijn dat niet twee centrale begrippen in het werk van Michel Foucault, twee begrippen trouwens die voor mij onontkoombaar waren in de tijd dat ik nog bezig was met onderzoek en onderwijs?
Verder over kracht en macht binnenkort, in Kracht en macht 2.
Ontdek meer van rivieren & meren - rivières & lacs - rivers & lakes
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.