“Als de oorzaken niet meer kunnen worden gereproduceerd, blijft er niets anders over dan ze af te leiden uit de gevolgen.” Prachtige zin. Maar klopt het ook wat er staat? Kan je uit een bestaande toestand afleiden hoe die is tot stand gekomen? En is dat wel relevant?
In het recht blijkbaar niet altijd. Ik denk terug aan twee concrete voorvallen. Wij wonen nog in het centrum van Antwerpen, en op een vroege zaterdagavond parkeer ik de auto op de hoek van de straat, de kont tegen de hoek aan, vooraan is nog volop ruimte voor een andere wagen. ’s Ochtends is onze auto weggetakeld. Blijkt dat een chauffeur A zijn/haar wagen vrijwel tegen de onze aan heeft geparkeerd, en vervolgens is klemgezet door weer een andere (B) die zich voor hem of haar plaatste. Gevolg: A kan er ’s nachts niet meer uit, belt de politie en die vindt er niets beters op dan maar de onze, de laatste (eigenlijk de eerste) in de rij, weg te takelen. Kon je uit de situatie van drie tegen elkaar aan geparkeerde auto’s de oorzaak van de situatie afleiden? Neen, en blijkbaar was dat ook niet relevant.
Min of meer in dezelfde orde ligt een Nederlands arrest, dat ik ooit aan studenten voorlegde. In mijn herinnering ging het ongeveer zo: een reglement voorziet dat in een bepaald kanaal maar twee binnenschepen (A en B) naast elkaar aangemeerd mogen liggen. Op een ochtend blijken er zich drie naast elkaar te bevinden. De oorzaak lijkt evident: het derde schip (C) heeft aangemeerd naast B, waardoor een situatie ontstond die reglementair niet is toegelaten. Maar is dat relevant? Het reglement spreekt zich uit over de situatie van drie naast elkaar, niet over de totstandkoming daarvan. Hoe los je dat op? Moet de laatst gearriveerde C weer weg, of misschien eerder de vermoedelijk eerst aangekomen A, die er toch al langer ligt en ook de kans moet laten aan anderen om aan te meren?
Maar goed, de openingszin over de oorzaken en de gevolgen is niet van een jurist, maar van historicus Carlo Ginzburg. Die publiceerde in 1979 een bijna vijftig pagina’s lang artikel over methoden van historisch onderzoek. Hij noemde het Spie. Radici di un paradigma indiziario. Daarin wil hij aantonen hoe aan het einde van de negentiende eeuw in de menswetenschappen een nieuw epistemologisch model ontstond, dat hij ‘indicatie-paradigma’ noemt en dat eerder kwalitatief is dan kwantitatief, dat zich baseert op concreet, praktisch, lokaal weten eerder dan op abstracties, dat kijkgaatjes, aanwijzingen, symptomen gebruikt om een opake werkelijkheid te doorgronden.
Dat ziet er op het eerste gezicht nogal hoogdravend uit, maar Ginzburg begint zijn verhaal met drie historische figuren: een Italiaanse kunstcriticus, Giovanni Morelli (die zich ook voordoet als een Russische geleerde en als diens Duitse vertaler), de Sherlock Holmes van Arthur Conan Doyle, en de jonge Sigmund Freud van vóór de formulering van de psychoanalyse. De clou is dat ze alle drie aan het eind van de negentiende eeuw een onderzoeksmethode ontwikkelen die probeert een actuele toestand te verklaren door het onderzoek van sporen of marginale gegevens, die zij gaan beschouwen als onthullende details. Bij Freud zijn dat symptomen, bij Sherlock Homes aanwijzingen, clues,en bij Morelli details in het schilderij (denk aan de plooien in stoffen, oorlellen en vingers).
Ik las de tekst voor het eerst in het Nederlands, in Raster, het legendarische driemaandelijkse ‘tijdschrift in boekvorm’ van De Bezige Bij (nummer 17, 1981). Daar is al meteen in de titel iets geks aan de hand. Vertaalster Annie M. C. van Rest maakt van de titel ‘Sporen. Wortels van een indicatie-paradigma’. Het Italiaanse spia, dat Ginzburg gebruikt, staat voor spion of verklikker, maar ook voor een kijkgat of een kijkraampje (in het Vlaams sprak men wel eens over ‘het spionnetje’ in een deur of een poort). Zijn term voor ‘sporen’ is orme of tracce (zoals traces in het Frans). Waar Ginzburg met spie dus verwijst naar de techniek van het kijken of speuren, pakt de Nederlandse vertaling meteen door naar het resultaat van dat speuren, nl. de sporen van het verleden.
Soit. Het inleidende tekstje bij ‘Sporen’ verwijst naar Ginzburgs studie Il formaggio e i vermi uit 1976. Die heb ik dan ook maar gelezen, in de Engelse vertaling uit 1980 van John en Anne Tedeschi, The Cheese and the Worms. The Cosmos of a Sixteenth-Century Miller. (In 1989 verscheen bij Bert Bakker een Nederlandse editie als De kaas en de wormen.)
The Cheese and the Worms vertelt de vervolging en terechtstelling op de brandstapel van Domenico Scandella (67), die ook Menocchio werd genoemd. Het verhaal speelt zich af aan het eind van de zestiende eeuw in en rond een dorp in de bergen van Friuli, de Italiaanse bergregio die vandaag grenst aan Oostenrijk en Slovenië. In de maatschappelijke verhoudingen tussen de burgerij van Venèsia, de lokale adel, de vertegenwoordigers van de Katholieke Kerk en de boeren en ambachtslieden in de dorpen, hoort Scandella bij wat Ginzburg, in navolging van Gramsci, de classi subalterne (de ondergeschikte klassen) noemt. Hoewel hij het niet breed had, genoot Menocchio een zekere reputatie in zijn omgeving. Hij kon lezen en schrijven en rekenen, waardoor hij soms een administratieve functie vervulde in het dorp. Op basis van verschillende documenten kon Ginzburg traceren dat Scandella in ieder geval elf boeken in zijn bezit heeft gehad en/of gelezen.
Maar vooral was hij iemand die altijd en overal met iedereen in discussie ging – en niet over de geringste onderwerpen. Een geliefkoosd thema was god, de Kerk als instituut, de Heilige Geest, de Onbevlekte Ontvangenis, de kruisdood van Christus, de sacramenten en nog wat meer verwante onderwerpen als de hel, de zonde en de duivel. Het is in die context, in gesprekken met dorpelingen, met de landsheer, zelfs met de lokale priester, dat Menocchio uitspraken doet als (ik vertaal uit het Engels): “Alles was chaos, dat wil zeggen, aarde, lucht, water en vuur werden door elkaar gemengd; en uit die massa ontstond een klomp – net zoals kaas gemaakt wordt van melk – en er verschenen wormen in, en dat waren de engelen.”
Waar komt zo’n uitspraak vandaan, vraagt Ginzburg zich af. Twee belangrijke ontwikkelingen spelen volgens hem op de achtergrond. Enerzijds was er de uitvinding van de boekdrukkunst, waardoor het mogelijk werd boeken (onder meer de bijbel) in de volkstaal te drukken en te verspreiden. Scandella kon zo ideeën uit zijn orale traditie confronteren met geleerde tekst, en die gaf hem dan weer de woorden en de concepten die hij kon gebruiken om zijn eigen ideeën en voorstellingen uit te werken. Anderzijds was er de Reformatie, die hem de moed gaf om zijn opvattingen kenbaar te maken aan de dorpelingen, aan de priester, zelfs aan de inquisiteurs van het Heilig Officie.

Tot Menocchio moeten dus verhalen zijn doorgedrongen over het opkomend protestantisme (Lutheranisme) en het brede verlangen bij het volk naar radicale sociale verandering en religieuze tolerantie. Zijn persoonlijke overtuigingen zijn niet terug te voeren tot een specifiek boek dat hij ooit gelezen had, maar moeten volgens Ginzburg begrepen worden als een mix van wel zeer eigen interpretaties van teksten en een obscure, oude en haast ondoorgrondelijke laag van boerentradities die door de invloed van de Reformatie plots aan de oppervlakte konden komen.
Wat Ginzburg probeert aan te tonen in de geschiedenis van deze specifieke zestiende-eeuwse molenaar is dat populaire cultuur (in de zin van een complex geheel van attitudes, overtuigingen, gedagscodes, en dergelijke) niet alleen maar een verbastering is van geleerde cultuur, maar dat er een circulaire, wederzijdse beïnvloeding is tussen de cultuur van ondergeschikte en heersende klassen.
De meeste dorpelingen halen hun schouders op wanneer Menocchio (weer eens) tegen hen begint over de oorsprong van de wereld of het feit dat priesters de evangelies geschreven hebben om er winst uit te slaan. “Ach man, dat is niks voor ons, laat dat over aan de geleerde heren, die weten immers hoe alles in elkaar zit.” Wanneer hij in het eerste proces niet ter dood wordt veroordeeld, maar tot een gevangenisstraf (later omgezet in huisarrest), wordt dat onder meer verantwoord door het feit dat hij blijkbaar door goddelijke interventie niet geslaagd was in het corrumperen van de simpele geesten in zijn dorp. Maar Menocchio geeft nooit op, hij is trots op wat hij allemaal ontdekt en geassembleerd heeft, soms gewoon door metaforen uit een tekst letterlijk te nemen en daar op voort te bouwen. Zelfs wanneer hij al terechtstaat, gaat hij over al deze thema’s in discussie met de inquisiteurs.
De Romeinse Inquisitie, opgericht in 1542, was niet te vergelijken met de inquisitie uit de middeleeuwen of met de rechtbanken in Europa en Amerika die geïnspireerd waren door de Spaanse inquisitie. De Romeinse inquisitie was weliswaar ontstaan als reactie op de groei van het protestantisme in Italië, maar zij sprak in de eerste plaats recht op basis van de wet, niet op basis van het geloof in de onwrikbare waarheid van de Heilige Katholieke Kerk – hoewel natuurlijk in die tijd de wet in de Italiaanse staten in belangrijke mate geïnspireerd was door het katholieke geloof. De Inquisitie van Roma hield toezicht op de provinciale rechtbanken, en je ziet dat in de beide processen van Domenico Scandella een afgezant uit Roma bij de procedure wordt betrokken. Het kan zijn dat die afstand – geografisch en ten opzichte van de kerkleer – meegespeeld heeft bij Menocchio’s relatief lichte straf op het eerste proces. Anderzijds is het juist vanuit Roma, en zelfs rechtstreeks vanuit het kabinet van de paus, dat in het tweede proces aangedrongen wordt op een gepaste sanctie voor ketterij: de brandstapel.
De Romeinse Inquisitie mocht dan wel verschillen van de samenstelling en praktijken van de middeleeuwse of de Spaanse Inquisitie, kenmerkend in alle organisaties en procedures voor de vervolging van ketters was de uitgebreide en gedetailleerde weergave van de verhoren. Steeds was een griffier belast met het noteren van alle antwoorden en mededelingen van de verdachte, zelfs van zijn of haar reacties gedurende de tortuur (kreten, zuchten, klachten, tranen). Het is deze schriftelijke neerslag plus het feit dat men weet wat Domenico Scandella las en zelfs zelf schreef, die een beeld schetst van aspecten van een populaire of subalterne cultuur, die gewoonlijk slechts oraal werd doorgegeven.
Ginzburg is natuurlijk niet de enige die gebruik maakte van de notulen van verhoren door het Heilig Officie. Ik denk aan het boek dat historica Hélène Jahwara Piñer publiceerde op basis van haar doctoraatsonderzoek: Sephardi – Cooking the History: Recipes of the Jews of Spain and the Diaspora, from the 13th Century to Today. Een belangrijke bron voor dat onderzoek waren verslagen van de inquisitie in Spanje, Mexico en Brazilië.
Vanaf het eind van de vijftiende eeuw was een belangrijke taak van de inquisitie in die landen het opsporen en ontmaskeren van conversos, joden die zich formeel bekeerd hadden tot het katholicisme, maar stiekem hun joodse geloof bleven uitoefenen. Uit verhoren blijkt o.m. dat conversos werden ‘betrapt’ doordat zij de regels van de kasjroet in acht namen, sabbatkaarsen brandden op vrijdagavond, baden in het Hebreeuws, niet wilden werken op zaterdag en ook niet naar de mis gingen op zondag. Verder blijkt dat de Inquisitie bewijzen zocht op basis van kook- en eetgewoonten: koosjere keuken (bv. geen varkensvlees of schaaldieren, scheiding tussen zuivel en vlees), matza bakken voor het paasfeest, uitgebreid koken op vrijdag zodat dat op de sabbat niet hoeft, speciale recepten die hoorden bij specifieke feesten. In de vervolging van de conversos noteerdende rechtbanken het allemaal, inclusief de naam van gerechten, recepten, kooktechnieken, materialen, … Dankjewel, inquisitie.
De kaas en de wormen is overigens meer dan een reconstructie van het leven en de dood van een zestiende-eeuwse molenaar en een hypothese over de verhouding tussen dominante en subalterne culturen; Ginzburg heeft de tekst ook doorweven met zelfreflectie over zijn rol als historicus, over zijn technieken van onderzoek, en over de blinde vlekken daarin – materiaal dat iets later uitgebreid terugkomt in het essay over het indicatie-paradigma. Daarin geeft hij aan dat het ontwikkelen van kennis op basis van sporen of aanwijzingen historisch gezien geen nieuwigheid is. Van in de vroegste tijden al leerden jagers de bewegingen van hun onzichtbare prooi kennen uit de sporen die zij achterliet (plukken haar, veren, uitwerpselen, geuren). De hippocratische geneeskunde ontwikkelde haar methoden op basis van de (h)erkenning van symptomen. Het is met Galileo Galilei dat de natuurwetenschappen aan het begin van de zeventiende eeuw de aandacht voor menselijke ervaring, cultuur en kwaliteit verdacht zouden maken, en zich zouden gaan presenteren als echte ‘wetenschap’: figuren, getallen, bewegingen en kwantiteit. Het was een ontwikkeling die haar invloed had op de menswetenschappen, die ook erkend wilden worden als echte wetenschap – tot dus aan het eind van de negentiende eeuw een weefsel ontstaat van onderzoeksmethoden en epistemologische modellen, die zich al naargelang van de context baseren op sporen, symptomen, aanwijzingen, interpretaties of ervaringen. Ginzburgs tekst is een vurig pleidooi om in de menswetenschappen weer ruimte te geven aan onderzoek naar kwaliteiten, cultuur, mentaliteit of persoonlijke geschiedenis, eerder dan alleen maar te focussen op wat meetbaar is.
Wanneer Ginzburg het op basis van de sporen die hij vindt doorheen zijn spionnetjes wil hebben over uitingen van subalterne cultuur, is het hem er niet op de eerste plaats om te doen geschiedenissen te verhalen die anders samen met hun vertellers zouden verdwijnen. Waar het hem ook om gaat, is dat het indicatie-paradigma waarvoor hij pleit, ingezet wordt voor het ontrafelen van “de ideologische nevels” die de complexe sociale structuren van het laatkapitalisme verbergen. De werkelijkheid mag dan ondoorzichtig zijn, er bestaan wel degelijk zones, spionnetjes, indicaties, die toelaten haar te ontcijferen – Ginzburg heeft nooit verborgen dat zijn geschiedschrijving ook een keuze was om aandacht te bieden aan ondergeschikte klassen of de slachtoffers van een systeem.
Carlo Ginzburg overleed op 17 juni.
Ontdek meer van rivieren & meren - rivières & lacs - rivers & lakes
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.