essays, nederlands

virus natuur cultuur

“Niet het virus is het probleem, maar de drager: de mens. Om te beginnen hebben wij niets te maken met virussen in de lichamen van dieren; het is pas door ons gewelddadig binnendringen in ongerepte leefgebieden dat contact en overdracht mogelijk worden. Wie dit onder tafel veegt, en daarmee een  demonisering van het virus in de hand werkt, die handelt onachtzaam. Inderdaad waarschuwen de deskundigen voor het gevaar dat zoönotische epidemieën ons met steeds kortere intervallen kunnen treffen. Kwalen, die ons niet alleen maar treffen, maar waar wij zelf aan meewerken.”

Dit citaat komt uit een essay van cultuurwetenschapper Franz Maciejewski in Lettre International 133. In ‘Begierde nach Rettung’ betrekt hij tekstfragmenten van Hölderlin op tijden van corona. Mij gaat het nu niet om Hölderlin, maar om de twijfels die het citaat bij mij oproept. Maciejewski gaat er blijkbaar van uit dat er op aarde onaangeroerde gebieden zijn, waar mensen niets te zoeken hebben, en waar dierenvirussen dus gewoon, zoals het hoort, in dierenlichamen blijven zitten. Het is maar wanneer menselijke cultuur die ongerepte natuur binnendringt, dat het fout gaat.

Los van het feit dat ik zelf ook denk dat het waardevol is dat een grote verscheidenheid aan dieren op hun eigen manier in een voor hen geschikte biotoop kunnen leven, heb ik bij Maciejewki’s formulering toch wat vragen – al was het maar over het eenrichtingverkeer in zijn stelling. OK, vandaag zou zo’n 75% van de ziekten waarmee mensen besmet kunnen raken afkomstig zijn van dieren (o.m. via coronavirussen), maar inmiddels blijkt ook dat mensen met hùn coronavirus mensapen, leeuwen, tijgers, hyena’s besmetten.

Maciejewski gaat met zijn stellingname nogal in tegen wat in de media die ik volg de groeiende trend is wanneer het gaat om de relatie tussen mensen en natuur. Daar leeft net de idee dat het onverantwoord en onjuist is een scherpe scheidslijn te trekken tussen mensen en niet-mensen, tussen cultuur en natuur. Toevallig lees ik hier in een recent nummer van De groene Amsterdammer: “De ecologische crisis komt voort uit de moderne scheiding tussen mens en milieu, zegt Martin Lee Mueller, filosoof, verhalenverteller en kunstenaar in Oslo.”

Spontaan ben ik het er mee eens dat een ontologische scheiding tussen ‘mens’ en ‘milieu’, tussen cultuur en natuur, onzin is – de vraag is wat de strategische of normatieve consequenties zijn van zo’n standpunt. Nu is er om te beginnen heel wat te zeggen voor de stelling dat natuur alleen maar bestaat in en door cultuur: natuur is alleen wat mensen afbakenen en benoemen als natuur. Dat geldt zelfs al voor het oerboek Genesis: als de mensen, die altijd deel hebben uitgemaakt van de natuur, zich daarvan afsplitsen door  van de boom van de kennis te eten en zo cultuur te ontwikkelen, bestaat die afscheiding alleen maar doordat iemand daar ooit een verhaal van heeft gemaakt. En hoe zou je kunnen praten over natuur, als je niet eerst had vastgesteld wat je daaronder zal verstaan? Natuur is vóór alles een idee. Dat zie je ook meteen als je kijkt hoe de tegenstelling cultuur – natuur toegepast wordt op andere terreinen dan dat van de moderne ecologie. Van oudsher wordt het idee gereproduceerd dat mannen wezenlijk actief en rationeel zijn, zich ontwikkelen en (cultuur) creëren. Dat is anders voor vrouwen: die zijn gewoon zoals de natuur is, met hun cyclussen en vruchtbaarheid en onbegrijpelijke emotionele toestanden.

In het westerse denken grijpt men over het algemeen terug op Descartes, die in de eerste helft van de zeventiende eeuw met zijn Je pense, donc je suis het reflexieve bewustzijn poneerde als dat wat de mens tot mens maakt en hem (ja, hem) toestaat de natuur en de kosmos te reduceren tot concepten en wetten. Het is deze dominantie van de mens over de natuur die tegenwoordig op ruime schaal in vraag wordt gesteld en veroordeeld als de mentaliteit die geleid heeft tot de ecologische Apocalyps die in sneltreinvaart naderbij zou komen. Hoewel, ook in De Groene concludeert een van de meer verdwaasde redacteuren nog ergens: “De natuur – in de vorm van virussen, overstromingen, droogtes en ga maar door – moet opnieuw onderworpen worden, met technologie en innovatie, maar net zo goed door aanpassingen van het menselijk gedrag”.

Maar inderdaad, vóór de grote Europese ontdekkingsreizen kenden veel ‘inheemse volkeren’ niet echt een scheiding tussen beschaving en natuur; het menselijke overleven was afhankelijk van een nauwe verwevenheid met de natuurlijke omgeving. De introductie van plantages vormt een cruciale veranderingsfase in de ontwikkeling van de moderne wereld en in de relatie van de mens tot de natuur: er ontstaat een samenspel van enerzijds dwangarbeid en een bepaald type sociale relaties, anderzijds een op doelmatigheid en winst gerichte ecologie. Natuur wordt eigendom, mensen arbeidskracht:  samen een basis voor het kapitalisme.

Terwijl dus de moderniteit strategisch en tactisch uitging van een scheiding tussen cultuur en natuur waarbij de mens de natuur moest overheersen, heeft zij de niet-menselijke natuur conceptueel tot een menselijke constructie gemaakt, die geregeerd wordt door wetten die de wetenschap kan ontcijferen. Die wetenschappen hebben allerlei methoden ontwikkeld om dat, wat vandaag als complex wordt beschouwd, te behandelen als iets wat weliswaar gecompliceerd, maar uiteindelijk toch begrijpelijk is.

Het is pas met de erkenning van complexiteit als kennisparadigma dat men fenomenen die men niet tot een wetmatigheid kan coderen, serieus neemt. Reductie is nog steeds de benadering bij uitstek om met een werkelijkheid met oneindig veel variabelen en onzekerheden om te gaan, maar men beseft tenminste dat de beschouwer onderdeel is van het systeem dat die onderzoekt (de mens is deel van het milieu), en dat een allesomvattend begrip niet meer mogelijk is. Dan rijst de vraag: wat betekent ‘menselijk’ in de omgang met die door mensen gedefinieerde natuur, met niet-menselijke dieren of niet-menselijk leven?  Vandaag weet men dat er verschillende diersoorten zijn met een vorm van bewustzijn, die emoties kunnen tonen, een taal en instrumenten gebruiken… Iemand als Emanuele Coccia wijst er op dat mensen, alleen al door te ademen, de substantie van de wereld tot zich nemen en ze transformeren tot een deel van zichzelf. Geopolitieke en sociale ontwikkelingen, maar ook hedendaagse kennis en inzichten zetten de scheiding tussen cultuur en natuur verder op de helling.

Definitiediscussies terzijde gelaten, is in de realiteit dat wat men als natuur beschouwt niet meer los te denken van concrete menselijke ingrepen (met als gecombineerde resultaat van productivisme en kapitalisme het zogenaamde kapitaloceen), culminerend in een desastreuze impact op biodiversiteit, voedselzekerheid of klimaat. Kijk bijvoorbeeld alleen al naar de inbeslagname van ruimte ten gevolge van demografische ontwikkelingen. Ik had zelf weinig idee van de omvang daarvan, maar ook in Lettre International 133 geeft architect en stadsplanner Philippe Chiambaretta een op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde indruk. Na eeuwen van relatieve stabiliteit, is de wereldbevolking sinds 1950 spectaculair toegenomen. De generatie die in de jaren 1960 geboren werd zal, als zij lang genoeg leeft, in negentig jaar een verdrievoudiging van de wereldbevolking meemaken – van drie miljard mensen in 1960 naar negen miljard in 2050. Koppel deze bevolkingsgroei aan de voortgaande urbanisering van leefwijzen, en je krijgt een ruimtelijke explosie. Ten opzichte van de eeuwwende zal in 2050 wereldwijd de bebouwing met de helft zijn toegenomen (met andere woorden: een derde van de bebouwing in 2050 bestond niet rond het jaar 2000). Elke dag wordt over de gehele wereld een ruimte met de oppervlakte van Parijs intra muros volgebouwd. (Hoe was het ook weer in België? Het is de bedoeling dat in het gewest Vlaanderen tegen 2025 van de openbare ruimte per dag nog slechts drie hectare – bijna vijf voetbalvelden – worden volgestort met beton; dat belet overigens op dit ogenblik gemeenten als Antwerpen en Hemiksem niet om nog snel bos te rooien en natuurgebied te verwoesten voor de bouw van nog meer woningen, kantoren en parkeergelegenheid.) Die demografische en ruimtelijke toename heeft uiteraard consequenties voor de voedselvoorziening, het beroep op energie en grondstoffen, de vervuiling van de gehele leefomgeving en de voortdurende herdefiniëring van wat natuur is.

Omgekeerd toont de covid-19 pandemie mooi aan dat natuur wel degelijk een actor is die ingrijpt in het menselijk leven. Bruno Latour wijst daar al dertig jaar op. Een conceptueel model waarin mensen en menselijke activiteit op een gelijkwaardig niveau omgaan met niet-menselijk leven kan bijgevolg niet uitgaan van de scheiding tussen cultuur en natuur; zo’n model moet per definitie hybride zijn. (Hoeft eigenlijk het onderscheid cultuur – natuur samen te vallen met dat tussen menselijk en niet-menselijk? Is het onderscheid tussen menselijk en niet-menselijk wel zinvol? Zoveel vragen nog.)

En hybride, hoezo? Want hoewel vanuit een oogpunt van complexiteit mens en milieu intrinsiek verbonden zijn, hoef je natuurlijk niet te doen alsof het begrip ‘natuur’ geen betekenis heeft. Het blijft een bruikbare term om te verwijzen naar het waarneembare domein dat weliswaar onlosmakelijk deel uitmaakt van menselijk handelen en cultuur, maar dat toch ook weer buiten het subject kan worden geplaatst en een object kan worden van menselijk ingrijpen (ook de beslissing om niet in te grijpen is een ingreep): van ‘wildernis’, fauna en flora, tot het weer. Ook ergens in een Groene Amsterdammer zegt een boer: “Stop met het aanleggen van nieuwe natuur. Zorg er eerst maar eens voor dat bestaande gebieden goed worden beheerd.”

Zo kom je terecht bij die normatieve invulling van het onderscheid cultuur – natuur, de strategieën om te komen tot een samenspel van mensen, niet-menselijk leven, niet-menselijk niet-leven, dat alle betrokken elementen zo goed mogelijk in hun waarde laat. In een essay in De gids (nummer 5/2021) maakt filosoof Jozef Keulartz in dit verband een onderscheid tussen ecomodernisten en posthumanisten. Heel grof samengevat zijn de ecomodernisten in zijn visie “tamelijk optimistisch: ze geloven dat de mensheid een ‘goed antropoceen’ kan realiseren wanneer zij haar wetenschappelijk-technologische vaardigheden in dienst stelt van een verantwoordelijk planetair rentmeesterschap.” Het posthumanisme daarentegen – en Keulartz verwijst hierbij overwegend naar Bruno Latour – “beoogt een radicale breuk met het antropocentrisch wereldbeeld en beschouwt de mens in plaats daarvan als onderdeel van een complex en alomvattend geheel dat zowel uit menselijke als niet-menselijke actoren of entiteiten bestaat.”

Geen van de twee benaderingen kan volmondig op zijn goedkeuring rekenen – hoewel zijn kritiek op het posthumanisme vooral gebaseerd is op de manier waarop de beweging rond het Parlement van de dingen daar vorm aan geeft. Nu heb ik op deze website al vaker met enige sympathie geschreven over dat Parlement en de verwante Ambassade van de Noordzee (volg het tag), maar ik moet zeggen dat het bericht dat ik vandaag in mijn postvak ontving mij ook nogal irriteerde:

‘Je zag het nieuws eerder deze maand misschien al voorbij komen: de hoogste rechtbank van Ecuador heeft geoordeeld dat plannen om koper en goud te delven in het beschermde nevelwoud Los Cedros ongrondwettelijk zijn en de rechten van de natuur schenden. Los Cedros is een van de meest biodiverse plekken van de planeet, de thuisbasis van flora en fauna die nergens anders te vinden zijn. Een historische overwinning ten gunste van de natuur dus.’

Goed dat er geen goud en koper mag worden gedolven in een beschermd woud, maar de juichkreet over een overwinning ten gunste van de natuur impliceert een onderscheid tussen slechte mensen en goede natuur,  een essentialisme waarin cultuur en natuur radicaal tegenover elkaar staan. In die zin heb ik veel meer begrip voor Keulartz’ visie van “natuur en cultuur als twee uitersten van een breed continuüm van hybride tussenvormen”.

Een ding is in ieder geval duidelijk bij een normatieve of strategische benadering van cultuur – natuur: als het kapitaloceen gekenmerkt wordt door de verstoorde relatie tussen mens en milieu, of omgekeerd de verstoorde relatie tussen cultuur en natuur de essentie is van het kapitaloceen, dan is er geen zinvolle benadering van het probleem mogelijk vanuit de optiek van kapitalisme en productivisme. Noch de ecomodernisten, noch de posthumanisten van Keulartz kiezen resoluut voor een benadering die afscheid neemt van het kapitalisme als economisch, politiek, sociaal of cultureel model. Wat ‘groene’ of ‘duurzame’ oplossingen op dit ogenblik inhouden is vaak niet meer dan de rotzooi, het afval en de vervuiling verplaatsen van het mondiale Noorden naar andere plekken op de wereld, waar de tegenstand voorlopig nog minimaal is. Dat is niet meer dan tijd winnen om kapitaal en investeringen te heroriënteren, nieuwe technologieën en markten te ontwikkelen, investeerderswinsten te garanderen. Zolang er geen maatschappelijke controle is over de inzet van productiemiddelen en de bestemming van de geproduceerde meerwaarde, zal ‘natuur’ altijd iets zijn wat uitgebuit wordt voor de productie van privé winst.

De huidige coronapandemie maakt meer dan ooit duidelijk dat mens en milieu, cultuur en natuur één geheel vormen, maar ook dat er niets zal veranderen zolang economie en politiek door winsthonger worden gedreven. Dan blijft immers de scheiding intact die het mogelijk moet maken ‘de natuur opnieuw te onderwerpen’.

Votre commentaire

Entrez vos coordonnées ci-dessous ou cliquez sur une icône pour vous connecter:

Logo WordPress.com

Vous commentez à l’aide de votre compte WordPress.com. Déconnexion /  Changer )

Image Twitter

Vous commentez à l’aide de votre compte Twitter. Déconnexion /  Changer )

Photo Facebook

Vous commentez à l’aide de votre compte Facebook. Déconnexion /  Changer )

Connexion à %s