Ethisch eten

Stel, je wil lekker en gezond eten, met respect voor de producenten ervan (de mensen, maar ook de planten en de dieren), en je wil dat het allemaal op een beetje duurzame wijze tot bij jou komt en ook nog eens de lokale gemeenschap versterkt. Bio dus? Of eerder lokale productie op de boerenmarkt of een Buurderij van Boeren & Buren? Maar ben je zeker dat dat een beetje schoon en eerlijk geproduceerd is? Dan toch maar naar de bio-supermarkt?  Of juist zo veel mogelijk de grote ketens mijden, en gaan voor de lokale middenstand, als die er nog is? Maar ja, de lokale middenstand, is dat is niet allemaal rechts-liberaal, terwijl de supermarkten nu juist een plek vormen waar laaggeschoolden nog een (deeltijd) baan kunnen vinden? En wat als jouw lekkere bio-tomaten de vrucht zijn van slavenarbeid van Afrikaanse migranten in Zuid-Italië? Of als de koteletjes, die jouw lokale producent verkoopt naast de ‘eerlijke’ producten uit haar eigen bedrijf, gewoon in een vrachtwagen zijn aangevoerd vanuit een industriële varkenshouderij in Tsjechië? En de bio-bananen uit Gran Canaria kosten haast drie keer zoveel als de ‘duurzame’ bananen die geïmporteerd worden uit god-weet-welk Zuid-Amerikaans land. Niet simpel allemaal.

Een recent voorbeeld van hoe moeilijk die idealen of criteria te combineren zijn, vind je in Frankrijk. Sinds kort mogen producenten van bio-groenten en fruit in verwarmde kassen hun producten niet meer op de markt brengen in de periode van 21 december tot 30 april. Daarmee volgt de overheid de filosofie dat de bio-productie van groenten en fruit in wezen seizoensgebonden is, en dat industriële productie ingaat tegen de geest daarvan.  Bovendien zou een kilo tomaten uit een verwarmde serre zeven keer zoveel broeikasgassen (CO2) produceren als een kilo Franse seizoenstomaten, en nog altijd vier keer zoveel als een kilo die ingevoerd wordt uit Spanje. Tegenstanders van de maatregel wijzen er op dat de consumenten toch ook in de winter tomaten zullen willen, en dat sowieso 70% van de komkommers, 69% van de courgettes en 78% van de tomaten op Franse schappen uit het buitenland komt. “In plaats van 78% zal dan 90% van de tomaten uit het buitenland komen.”

De Franse maatregel lijkt een beetje een slag in de lucht. De etikettering van bio is een Europese materie, maar de lidstaten kunnen wel beslissingen nemen inzake de productievoorwaarden. Maar dan nog. De beperking van de verkoop uit verwarmde kassen in Frankrijk belet niet dat in de winter nog steeds oververpakte groenten en fruit met een biostempel per vliegtuig aangevoerd worden uit Zuid-Amerika en Afrika. Ook in België gaat men er voorlopig van uit dat het voor het milieu slechter is groenten en fruit te kopen die buiten het seizoen hier in verwarmde serres worden geteeld, dan Europese import uit ‘natuurlijk’ producerende gebieden. De ecologische impact daarvan, via de import met vrachtwagens, zou nog altijd vijf tot twintig keer minder zijn dan die van kasproductie – maar dat geldt dus niet noodzakelijk voor de boontjes en kiwi’s die vanuit andere continenten worden ingevoerd.

Informatie, zowel over de kwaliteit als over de herkomst van de producten is dus cruciaal. Daar mangelt het nog wel eens aan, ook in de bio-supermarkten. (Een positieve uitzondering was Terrasana/Anthonissen in Antwerpen, maar dat pand is door een bouwpromotor gesloopt en de zaak is verdwenen, lijkt het.) Hoe dan ook zijn de omzetten van de bio-supermarkten te groot om alleen met lokale producenten te kunnen werken. Bovendien spelen ook daar weer de uitbuitingsmechanismen om de inkoopprijzen zo laag mogelijk te houden. Dus wanneer kwaliteit en herkomst niet op de verpakking vermeld staan, weet je vaak niet waar je bio-vlees, kaas, groenten of fruit vandaan komen. Het is maar bij toeval dat ik ontdekte dat het lamsgehakt bij Bioplanet uit Schotland kwam.

Lokaal niet-industrieel geproduceerde bio, te koop zo dicht mogelijk bij de producent (de ‘korte keten’), dat lijkt dus ideaal. In de Ardense plattelandsgemeente waar ik een aantal jaren gewoond heb, was er zo’n circuit, waarbij je vrij goed kon weten wat je kocht. Binnen een redelijke straal had je minstens drie biologische tuinders, enkele bio-zuivelfabrikanten, wat echte bakkers, een biologische voedingszaak en enkele veehouders die op niet-industriële wijze koeien, geiten en schapen hielden. Bij allemaal kon je à la ferme je inkopen doen, maar je kon ze ook treffen op het wekelijkse marktje in Vielsalm. De slager in Trois-Ponts gaf van al zijn producten aan wie ze geproduceerd had, plus het ras van varken of koe, en zelfs de lokale Delhaize hadden een redelijke bio-afdeling en duidelijke herkomstvermelding van wild en kazen. Het enige restaurant in Lierneux noemde van alle gebruikte producten de (lokale) producent.

In een beetje stad is het soms wel mogelijk enkele middenstanders te vinden die eerlijk en duurzaam geproduceerde voedingswaren aanbieden. Brussel is geen probleem, en bijvoorbeeld Oostende lijkt mij, op de schaal die die stad heeft, ook wel voorzien. Maar waar ik nu woon, in een peri-urbane zone in het noorden van het land, is het lastiger. Hier moet je kiezen. Ga je (met de auto) naar de Bioplanet (van Colruyt) om goed en bio-gecertificeerd spul te kopen waarvan je niet weet waar het vandaan komt? Word je deelnemer aan een ‘plukboerderij’? Of ga je naar de wekelijkse buurderij waar een klein aantal lokale producenten een klein aantal eigen producten verkoopt? Maar ook daar stelt zich dan het probleem van herkomst en schaal.

Neem nu Hollebeekhoeve, een producent van de allerlekkerste zuivel. Vijftig jaar geleden ontdekte ik de melk en boter van Hollebeekhoeve in zowat de eerste ‘natuurvoedingswinkel’ in Antwerpen, een zakdoek groot, op de hoek van Wolstraat en Coppenolstraat. Nooit eerder zo’n lekkere melk gedronken, verpakt in plastic zakken van een liter – altijd een heel gedoe om van zo’n lubberende zak een punt af te knippen en de inhoud dan zonder al te veel morsen in een fles te krijgen. Maar kijk vandaag naar de website van het bedrijf: Hollebeekhoeve heeft 1100 melkkoeien en verwerkt per jaar zo’n 11 miljoen liter melk. Dan ben je vermoedelijk ver weg van de gezonde koe die ‘natuurlijk’ in de wei staat te grazen; in het ergste geval is deze lekkere zuivel afkomstig van permanent mishandelde industriekoeien, zoals die in 2015 te zien waren in de gruwelijke Zembla-reportage De topsporters van de melkindustrie.

Qu’est-ce que la complexité ?

Récemment quelqu’un me dit d’un ton désespéré: « Mais ça, c’est vraiment très complexe ! » Moi, je me rappelais la boutade « La complexité n’est pas le problème ; la complexité est la solution ». Mais cela alors, il aurait fallu l’expliquer. Je vais tenter le coup ici.

Depuis que Dieu n’est plus le critère absolu pour décider entre vrai et faux, il n’y a plus de point universel d’où l’on peut connaître le monde une fois pour toutes. A chaque fois, il faut se rendre conscient que notre compréhension du monde est influencée, même déterminée, par le contexte social (âge, genre, classe, éducation, niveau de vie ou de santé, convictions politiques, émotions fortuites …). Dès lors, à chaque fois, il faut se demander également ce que l’on comprendrait si on se trouvait dans une autre situation.

Ensuite, il faut se rendre compte qu’on ne voit pas les choses dans toute leur totalité. Du point de vue où l’on se trouve, il y aura toujours des faces, des strates cachées. Ce qui peut paraître simple ou homogène sera toujours multiple ou hétérogène à y regarder de plus près. En plus, ce qui « est » fait en réalité partie d’un processus, n’est qu’un moment ou un produit d’une séquence de procédés. Ce qui « est » est presque toujours en train de « devenir ». Et tous ces phénomènes dont on parle créent en fin de compte des maillons ou des nœuds dans une multiplicité de procédés et de processus, qui diffèrent les uns des autres, mais qui construisent des réseaux et sont bien connectés entre eux – ou peut-être non, si l’on suit une approche rhizomatique.

Dans ce sens, la complexité n’est donc pas une question ; elle est une réponse : voici comment essayer de comprendre des phénomènes qui peuvent paraître simples, mais qui ne le sont pas du tout. Il est donc nécessaire de poser d’autres questions, des questions d’un nouvel ordre qualitatif, que celles que suscite une approche traditionnelle. Donc pas « pourquoi ? » Pourquoi est-ce que cela arrive ? Pourquoi ils font ça ? Dans un souci de respect pour la complexité, il est plus intéressant de se demander « Comment est-ce que cela arrive ? Comment en sont-ils arrivés à faire ça ? »

Le problème se situe alors plutôt dans les tactiques à déployer pour aborder cette multiplicité de réseaux. La solution la plus évidente est de détailler le problème en créant des systèmes temporaires qui subdivisent le général sous divers angles. Chaque point de vue délimite les contours d’une part du problème, définit les éléments à voir, et décide quel matériel est pertinent dans un certain contexte. Chaque connaissance, chaque compréhension, toute vérité sera donc nécessairement temporaire, relative et incomplète.

Le défi de la complexité nécessite une hardiesse à vouloir construire à chaque fois des systèmes d’analyse sociale où s’intègrent les arguments et l’expérience dont naît la pensée. Construire, disons en permanence, des systèmes temporaires analysant les relations entre pouvoir, vérité et subjectivité, avec le but de comprendre un peu le monde autour de nous, n’est-ce pas trop demander ? Heureusement, c’est ce que font déjà beaucoup de gens, spontanément et inconsciemment, dans une bonne part de leur vie ; cela pourrait aussi être la seule façon de contrer les pensées populistes qui exigent que tout soit ou noir ou blanc, que les gens soient ou bien le « peuple » ou bien une menace.

Brol

Het lijkt erop dat de Bastard Art Gruppe zichzelf weer tot leven gewekt heeft, na een rustperiode van bijna twee jaar. In ieder geval ontving ik zopas een (wens?)kaart met de hoopgevende boodschap voor 2020

ZONDER KUNSTENAARS MINDER BROL – without artists less junk

Toevallig was ik net ‘Technique du coup du monde’ aan het lezen, een bijdrage van Alexander Trocchi aan internationale situationniste numéro 8 van januari 1963. Trocchi is de auteur van romans als Young Adam (1954, ook verfilmd) en Cain’s Book (1960), en van het redelijk apocriefe Volume V van de ‘schandaalkroniek’ My Life and Loves van Frank Harris uit de jaren 1920.

Een coup du monde is een ‘wereldgreep’, naar analogie met coup d’état, staatsgreep. Geheel in de lijn van de Internationale situationniste pleit Trocchi voor een kunst die samenvalt met het echte leven, een doelstelling die maar bereikt kan worden doordat de hele wereld zich bevrijdt van de controlesystemen van de spektakelmaatschappij. Die maken immers dat mensen materieel en mentaal slechts bezig zijn met overleven, in plaats van met werkelijk te leven en al hun capaciteiten te ontwikkelen. Geen staatsgreep dus, maar een wereldomwenteling.

Van kunstenaars en kunst heeft men hiervoor volgens Trocchi voorlopig niets te verwachten. Ik vertaal een fragment uit zijn artikel.

“Sinds een aantal jaren nu betreuren de beste kunstenaars en grote geesten zich over de kloof die is ontstaan tussen de kunst en het leven. Die zelfde mensen waren over het algemeen opstandig in hun jeugd, maar toen zij zowat een rijpere leeftijd bereikten, heeft het ‘succes’ hen onschadelijk gemaakt. Het individu heeft geen macht. Dat is onvermijdelijk. En de kunstenaar voelt zijn onmacht sterk aan. Men doet hem falen, hij is verdoemd. Zoals in het werk van Kafka, doordringt dit verschrikkelijke gevoel van vervreemding zijn oeuvre. Zeker,  Dada heeft aan het einde van de eerste wereldoorlog de meest compromisloze aanval ingezet tegen de conventionele cultuur. Maar de gewone defensiemechanismen traden snel in werking; de producten van de ‘anti-kunst’ werden met een mooi ceremonieel ingekaderd en opgehangen naast de ‘School van Athene’. Dada werd gecastreerd en ingelijfd en was weldra veilig begraven in de geschiedenishandboeken, net zoals eender welke andere artistieke school. Waar het om gaat is dat, hoewel Tristan Tzara et alii wel terecht de kanker van het politieke bedrijf konden aanklagen en de schijnwerpers van de satire konden richten op de weg te vegen hypocrisie, zij geen oplossing hebben voorgesteld om de bestaande maatschappelijke orde creatief te vervangen. Wat zouden wij gedaan hebben nadat wij de Mona Lisa een snor hebben geschilderd? Zouden wij werkelijk gewenst hebben dat Genghis Khan het Louvre gebruikte als paardenstal? En wat daarna?”

Die snor, dat is Duchamp natuurlijk, maar Genghis Khan en het Louvre, die snap ik ook niet. In ieder geval, waar het de Internationale situationniste om ging, is dat kunst die gemaakt is om verkocht te worden, flauwekul is; de kunst is om van het dagelijks leven een kunst te maken.

1000 meters

Here’s another ‘green’ one who would like to flood (‘volplempen’) the earth with wind turbines (see also Over duurzaamheid en actie). Boris Palmer is a member of the German party Bündnis 90/Die Grünen and Oberbürgermeister of the city of Tübingen in Baden-Württemberg. Unlike many other green politicians, this one openly declares that his main aim nowadays is the saving of the wind industry. What’s at stake?

The German (federal) government would like to impose a distance of at least 1000 meters between wind turbines and residential areas. This distance should be maintained quite rigidly. In the taz Palmer declares that a spacing of a thousand meters would eliminate about half of the possible sites for wind generators. Due to the widespread resistance of the population against the siting of any more wind energy production zones, construction firms are said to have lost up to 75% of building orders, compared to two years ago. So Palmer’s glad that at least in one other German Land the government is aware of the “drama” that the wind industry “is very short of an exit”. To really save this industry however, awareness is not enough, immediate drastic action is required, he says. Boris Palmer has a plan.

The federal government should provide new building orders for the wind generator companies to be able to bridge the actual dip in construction jobs. As long as there are no new and final decisions about new sites, these turbines should be stocked on the factory grounds. Then later, when and where the Grünen will rule, the implanting of the machines could start immediately. In the meantime, the Länder should create their own planning agencies to handle the “much too complicated procedures” for the approval of construction sites. These agencies should have the task of providing yearly a certain amount of appropriate locations – read: of circumventing or overruling local resistance and (judicial) procedures, a tactic very common indeed to many other countries where the population resists further degradation of their living environment. The Bundesverband Windenergie recently demanded the identification of two percent of the surface of each Bundesland for the construction of wind generator zones.

Boris Palmer is known as a green ‘realist’. This year he published a book, called Erst die Fakten, dann die Moral – Warum Politik mit der Wirklichkeit beginnen muss (‘First the facts, then morality – Why politics have to start from reality’), which is briefly mentioned in the Konkret issue of December 2019. There it reads that his focus on practical solutions for ‘reality’ inevitably leads to the acceptance of given situations and mental dispositions – not getting over them, but making them more tolerable. When it comes to fugitives, in 2017 he states that “we can’t help them all”, he has no problems with woods being cut down for industrial areas, with trees falling for wind generators, with monkeys being used in animal experiments, and neither with breathing fine dust and nitrogen oxide, since the economy and science need growth, that’s how they can function.

The interesting thing now is that Palmer seems to be vaguely aware of one of the paradoxes of the Energiewende that he so resolutely promotes within the premises of growth and progress – although he stops at thinking it through. In the beginning of the taz-interview he refers to the federal government subsidizing the buying of electric cars, “which will cause us to need much more electricity than we produce nowadays”. All right. But what if you aimed at reducing the number of cars, wouldn’t that help?  There’s a saying Endless growth is the logic of cancer cells. Tumours proliferate until they have killed the organism and in so doing destroyed themselves. The logic of capitalism is endless expansion and this logic is built upon credit. Growth must be financed through the expansion of money supply and the creation of new demand. But then again, to pay this credit further growth is necessary. An eternal treadmill. If you want  to solve the ‘problems of reality’ within the dictates of reality, you stay within the logic of capitalism. If you stay within he logic of capitalism, you stay within he logic of growth. If you stay within the logic of growth, you will forever be confronted with the problems of reality. And even the wind generator industry can’t stay a growing market forever – there are even physical limits to its possible expansion in populated regions.

O, is it that simple? No, of course not. Recently I read somewhere that Egypt is one of the most energy consuming countries of northern Africa. She would need an annual economic growth of 7% to be able to produce the energy required to provide basic things such as housing and food to her impoverished population – assuming of course that those in power would want to do that.  Seven percent growth in Egypt? Why not a global fair distribution of wealth instead? No, that would imply a transfer of wealth from the Western world to North Africa, and thus a relative slowing of wealth accumulation within western societies.

Do you need all this wealth accumulation around you? Take the example of the proliferation in Belgium of supermarkets. Right into the remotest corners of the kingdom, chains such as Aldi, Lidl, Carrefour, Albert Heyn, Colruyt, Delhaize, Alvo or Jumbo enter competition with one another with only one argument: cheap, cheaper, cheapest. Who profits from this growth? Not the staff – for them also the mantra is cheap, cheaper, cheapest: temporary or part-time contracts, ‘zero hour contracts’, students that are summoned via WhatsApp (the first one to react will have the assignment for the next day). Neither the producers and suppliers: everybody knows now about the human costs, here and in other continents, of this hunt for cheap food and household items. And yet, with the opening of a new Jumbo in the small municipality of Pelt for instance, the local retail market there will be saturated to more than two hundred percent. Those who stand to gain from this proliferation are not the consumers, but first of all the owners, super-rich families like the Schwarz (Lidl) and Albrecht (Aldi), or Colruyt and Delhaize.

How to get out of this? Dirk Bezemer in De Groene Amsterdammer talks about ‘repairing’ capitalism. But top-down policies, such as the Paris Climate Agreement or the European Green Deal won’t work as long as authorities serve the interests of banks, gas- and oil producers, industrial farming, etc. And the bottom-up repair through diminishing meat consumption, solar panels on the roof, investing in ‘green’ initiatives, local shopping … hits the limits of the habituation to comfort, consumption and seemingly endless possibilities.

OK, so let’s stay home tonight, and not take the car to drive to Brussels to go dining and attend a concert for which the artists came flying in from Canada (I first thought of Senegal or Bangladesh, but artists from countries like these don’t get a visa). We’ll spend the evening at home on the couch, munching locally grown carrots and drinking organic beer, and binge-watching whatever hyped series there is. German energy company Eon suggests that in 2018 video streaming has used worldwide as much electricity as Poland, Italy and Germany together: 200 billion kilowatt-hours. The assumption is somewhat dubious, due to a lack of hard figures, but certainly there is a so-called rebound-effect when it comes to digitalisation and IT-services. Electronic devices do need less and less energy  and so become more ecological. But at the same time, more and more people use these relatively cheap devices for increasingly more activities.

This all leads to a double paradox. Neoliberals who strive for continuous growth have exploited populations and governments to such a degree that these cannot guarantee growth any longer; and those who strive for an Energiewende throw themselves into alternatives that require growth and further destruction of living environments.

Malapropisme

Bij toeval een oud blogje van me, uit 2006, teruggevonden – en wie prijkt daar al?

Kees Vendriks (die van het volplempen) met het malapropisme ’Ik sta met mijn oren te fluiten’; even later is voor hem ’de kous afgedaan’.

Nog uit die tijd:

Bij de plechtige opening noemt toenmalig Antwerps schepen van Cultuur Philip Heylen het nieuwe stadsarchief in het Felixpakhuis “het kloppend hart van het geheugen van Antwerpen”.

De directeur van De Brakke Grond, Leen Laconte, schrijft trots bij de vijfentwintigste verjaardag van het cultuurcentrum: “Met volle borst vooruit positioneert het zich …”

En nu een recente:

Aukje van Roessel in De groene Amsterdammer, 7 november 2019: “Of zou de betrokkenheid van burgers er ook nog toe kunnen leiden dat de natuur en het klimaat een tandje lager moeten zingen?”

Geen leedvermaak; het kan iedereen overkomen.

Mille mètres

Début octobre le gouvernement allemand publia son nouveau programme de protection du climat, le Klimaschutzprogramm 2030. On s’imagine le contenu : augmentation de la production d’énergie renouvelable (par éoliennes et panneaux solaires) ; renforcement des investissements dans des ‘gaz verts’ ; hausse des prix du diesel, de l’essence, du gaz naturel et du gasoil ; taxes sur les émissions de CO2 dans les secteurs du trafic et du bâtiment.

Ce qui est intéressant par contre est la reformulation de la règle des mille mètres de distance entre une éolienne et des habitations. Le texte stipule que désormais les éoliennes devront garder 1.000 mètres de distance avec des localités et villages et des « structures villageoises avec une habitation significative ». Au début, on doutait encore sur la signification de cette formule, mais maintenant le ministère des Affaires Économiques a soulevé un coin du voile. Le code de la construction (Baugesetzbuch) considèrerait désormais comme « structure villageoise » toute structure cohérente de plus de cinq habitations. En plus, la règle des mille mètres ne prendrait non seulement en compte les maisons existantes, mais également les chantiers futurs. Il n’y aurait pas d’exceptions pour des zones éoliennes existantes ; on ne pourra pas remplacer les éoliennes usées, si elles se trouvent dans ce périmètre de mille mètres autour d’un lotissement ou un noyau d’habitations.

Les promoteurs éoliens et leurs complices craignent que ces plans ne facilitent le refus de certaines communes à désigner des terrains pour des zones éoliennes. Mais dans certains cas, la réaction ressemble un peu la panique. Des « études » prouveraient que le maintien d’une distance de 1.000 mètres entre des habitations et des éoliennes réduirait l’espace disponible pour des turbines de 20 à 50 pourcent. Un autre promoteur déclara que la règle des mille mètres « mettrait pratiquement à l’arrêt l’extension de l’énergie éolienne ». Le ministère lui-même déclara par la suite qu’en effet, si la distance de 1.000 mètres ne s’appliquait non seulement à des villages mais également à des habitations dispersées, cela réduirait la superficie disponible pour des éoliennes d’environ 40 pourcent. Le ministère de l’Environnement a déclaré qu’il s’opposera contre le nouveau code de la construction.

(Enercon est un des plus grands constructeurs allemands d’éoliennes. L’entreprise vient d’annoncer la suppression de 3.000 postes. Les raisons principales selon le fabricant : la longue durée des procédures, le manque de superficie disponible et le grand nombre de complaintes citoyennes.)